Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Den Haag 170107 rb corrigeert en indexeert wettelijke limiet vervoerdersaansprakelijkheid

Rb Den Haag 170107 rb corrigeert en indexeert wettelijke limiet vervoerdersaansprakelijkheid ivm bijz. omstandigheden
4.1. Partijen verschillen allereerst van mening over de precieze toedracht van het ongeval. Volgens [eiseres sub 1] is zij bij het in/uitstappen van de tram met haar linkerhand bekneld geraakt tussen de zich sluitende deuren en is zij door de optrekkende tram meegesleurd en tenslotte ten val gekomen. HTM betwist weliswaar deze beklemming, maar daaraan gaat de rechtbank als onvoldoende gemotiveerd voorbij. Immers HTM stelt onvoldoende tegenover de getuigenverklaringen van [eiseres sub 1] zelf, [getuige 4], [getuige 1], [getuige 3] en [getuige 2] die de lezing van [eiseres sub 1] bevestigen, waaraan niet af doet dat er discussie is over de beklemming van [eiseres sub 1]s linker dan wel rechter hand.
Artikel 185 WVW
4.2. Bij de beoordeling van dit geschil is uitgangspunt dat HTM aansprakelijkheid op grond van artikel 8:105 BW (de 'vervoerdersaansprakelijkheid') heeft erkend. [eiseres sub 1] c.s. leggen daarnaast aan hun vordering ten grondslag dat HTM onrechtmatig heeft gehandeld en eveneens op grond van artikel 185 WVW aansprakelijk is voor de schade van [eiseres sub 1] c.s. (...)

Artikel 8:105 BW
4.4. Waar het hier om gaat is of HTM zich met succes op de wettelijke limiet van artikel 8:110 BW kan beroepen, en dus niet of de bestuurder fouten heeft gemaakt in het kader van de vervoersovereenkomst die tot het ongeluk hebben geleid. Daarvoor heeft HTM aansprakelijkheid op grond van artikel 8:105 BW erkend.

4.5. HTM heeft de schade van [eiseres sub 1] aanvankelijk vergoed tot een bedrag van ƒ 300.000,-- (€ 136.134,06), de tot 1 januari 2002 geldende limiet krachtens artikel 8:110 BW. In verband met de invoering van de euro bedraagt de wettelijke limiet sinds 1 januari 2002 € 137.000,--. Dit heeft geleid tot een aanvullende betaling door HTM ad € 865,94, vermeerderd met wettelijke rente. De aansprakelijkheid van de vervoerder (HTM) is ingevolge artikel 8:110 BW tot dit bedrag beperkt behoudens voor zover zij met opzet de schade heeft veroorzaakt dan wel roekeloos heeft gehandeld en met de wetenschap dat de ontstane schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien (artikel 8:111 lid 1 BW). (...)

4.9. De vraag is dus of er sprake is van bewuste roekeloosheid van HTM in de zin van artikel 8:111 lid 1 BW, zoals [eiseres sub 1] c.s. stellen en HTM betwist. Hiervan is eerst sprake wanneer HTM, die zich in voormelde zin gedraagt, het aan deze gedraging verbonden gevaar kent en zich ervan bewust is dat de kans dat het gevaar zich zal verwezenlijken aanzienlijk groter is dan de kans dat dit niet zal gebeuren maar zich door dit een en ander niet van dit gedrag laat weerhouden.

4.10. Onder verwijzing naar de conclusies van Qualimax stellen [eiseres sub 1] c.s. dat HTM haar personeel onvoldoende - periodiek - heeft geïnstrueerd omtrent de vertrekprocedure van de trams, waaronder het gebruik van de spiegels daarbij. De rechtbank gaat in verband met het navolgende aan die in algemene bewoordingen gestelde conclusies van Qualimax voorbij. HTM heeft naast overlegging van haar vervoersinstructie GTL 8 ter comparitie van partijen haar beleid ten aanzien van de instructie van haar personeel nader toegelicht. HTM stelt dat er duidelijke voorschriften gelden voor haar trambestuurders en dat de training en nascholing van haar trambestuurders goed is geregeld. Voorts wordt, aldus HTM, in dat kader steekproefsgewijs geregeld door collega's meegereden op de tram en worden al haar trambestuurders iedere 5 jaar medisch gecontroleerd, waarbij ook hun reactievermogen wordt getest. In het licht van deze toelichting van HTM hebben [eiseres sub 1] c.s. onvoldoende feitelijk onderbouwd dat - en zo ja op welke onderdelen - de instructies aan het personeel van HTM niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen. In ieder geval konden [eiseres sub 1] c.s. in dat verband niet volstaan met te verwijzen naar het rapport van Qualimax, nu daarin een concrete invulling van de gestelde tekortkomingen ontbreekt. Voor zover al vast zou komen te staan dat HTM op één of meer van deze onderdelen tekort is geschoten in het verstrekken van instructies aan haar bestuurders kan uit het rapport van Qualimax niet worden afgeleid, dat er sprake is van een gedraging van HTM in de hiervoor in rechtsoverweging 4.9 weergegeven zin. (...)

4.12. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat het ongeval niet het gevolg is geweest van bewuste roekeloosheid van HTM. Voor het overige hebben [eiseres sub 1] c.s. onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Voor nadere bewijslevering bestaat derhalve geen aanleiding. (...)

Redelijkheid en billijkheid
4.17. Dit brengt de rechtbank bij de vraag of toepassing van de wettelijke limiet, als gesteld door [eiseres sub 1] c.s., in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarbij dient onderscheid gemaakt te worden tussen [eiseres sub 1] enerzijds en Azivo anderzijds. Ten aanzien van ieder van hen dient afzonderlijk beoordeeld te worden of handhaving van de limiet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Anders dan [eiseres sub 1] c.s. betogen geldt deze limiet voor hun gezamenlijke vorderingen die immers voortvloeien uit één evenement. Azivo heeft weliswaar een eigen vorderingsrecht maar dit recht berust op het primaire vorderingsrecht van [eiseres sub 1] dat voorgaat op het vorderingsrecht van Azivo.

4.18. Gelet op het wettelijke systeem moet het uitgangspunt zijn dat de aansprakelijkheid van de vervoerder op grond van artikel 8:105 BW is gelimiteerd (artikel 8:110 BW). Het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 augustus 2004, o.a. gepubliceerd in NJF 2004, 543, inzake NS-station Santpoort Noord, kan [eiseres sub 1] c.s. in dat verband niet baten. De feiten in die zaak verschillen fundamenteel van de in geschil zijnde kwestie, omdat in die procedure op diverse onderdelen nalatigheid aan de zijde van de NS is aangenomen. De NS werd al geruime tijd gewaarschuwd voor mogelijke ongelukken als gevolg van een gebrekkige 'inklembeveiliging'. De NS was bekend met de wenselijkheid van wijzigingen in de vertrekprocedure in verband daarmee, maar heeft niettemin nagelaten om die wijzigingen - tijdig - door te voeren. Dit is een kenmerkend verschil met de onderhavige zaak. Zoals hiervoor is overwogen is niet voor vaststaand aangenomen dat HTM bekend was met de specifieke risico's waaronder het ongeval van [eiseres sub 1] heeft plaatsgehad in verband waarmee zij de vertrekprocedure van haar trams had moeten wijzigen. Overigens blijkt uit de reacties in de literatuur op dit arrest dat het op weinig bijval kan rekenen.

4.19. [eiseres sub 1] c.s. hebben voorts aangevoerd dat de limiet buiten toepassing moet blijven vanwege de 'bijzondere' omstandigheden van dit geval. Het wettelijke systeem van artikel 8:105 e.v. BW laat echter geen ruimte voor de door [eiseres sub 1] c.s. bepleite nadere afweging waarbij mede in aanmerking wordt genomen: de mate van schuld aan de zijde van de vervoerder, HTM, de ernst van het letsel en de mogelijke disproportionaliteit tussen de omvang van de schade enerzijds en het bedrag van de limiet anderzijds. De wetgever heeft - naast de situatie waarin sprake is van opzet/bewuste roekeloosheid van de vervoerder - geen uitzondering op de wettelijke beperking van de aansprakelijkheid van de vervoerder aanvaard. In zoverre dwingt het systeem van de wet tot toepassing van de wettelijke limiet.

4.20. Dit neemt niet weg dat het ongeval dat [eiseres sub 1] is overkomen ongewoon is en de blijvende gevolgen daarvan voor [eiseres sub 1] zeer ingrijpend zijn. Vast staat - HTM heeft dit erkend - dat de schade van [eiseres sub 1] hoger is dan de limiet van € 137.000,-- en minimaal € 200.000,-- bedraagt. Voor zover HTM bekend is zij ook niet eerder betrokken geweest bij een ongeval waarbij de schade hoger was dan de limiet. Voorts staat vast dat de limiet sinds 1991 nimmer is geïndexeerd of is aangepast aan de inflatie. De wijziging van de limiet in 2002 - tot het bedrag van € 137.000,-- - betrof enkel de omzetting naar een bedrag in euro's. Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat daarbij ook een aanpassing van de limiet aan het gewijzigde prijsniveau is beoogd. In verband met het voorgaande wordt in de literatuur - mede tegen de achtergrond van een ontwikkeling op Europees niveau tot verhoging van de limieten in de luchtvaart - aanpassing van de limiet bepleit in ieder geval in die zin, dat deze worden gecorrigeerd voor inflatie en geïndexeerd.

4.21. In deze bijzondere omstandigheden - in onderlinge samenhang beschouwd - ziet de rechtbank aanleiding om een verhoogde, voor inflatie gecorrigeerde en geïndexeerde, limiet te hanteren waarbij zij de door HTM geuite vrees voor precedentwerking niet realistisch acht. De rechtbank begroot de limiet naar billijkheid op € 200.000,--. Zoals hiervoor overwogen is tussen partijen niet in geschil dat de schade van [eiseres sub 1] hoger is. Dit leidt tot toewijzing van de vorderingen van [eiseres sub 1] aldus, dat HTM zal worden veroordeeld tot betaling aan [eiseres sub 1] van een aanvullend bedrag van € 63.000,-- naast het al betaalde bedrag van € 137.000,--. De wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen vanaf de datum van dit vonnis nu de geïndexeerde en gecorrigeerde limiet is begroot naar de huidige maatstaven.

4.22. Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.17 volgt uit het voorgaande dat aan Azivo geen (aanvullende) vergoeding ten behoeve van de door haar betaalde kosten van verzorging en verpleging toekomt. De vorderingen van Azivo zullen dus worden afgewezen.

4.23. De gevorderde vergoeding van de kosten van het rapport van Qualimax ad € 16.000,-- zal eveneens worden afgewezen. Deze kosten kunnen niet worden aangemerkt als redelijke kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de kosten zijn gemaakt door Azivo, wiens vorderingen worden afgewezen. Voorts overweegt de rechtbank dienaangaande dat het rapport - gelet op hetgeen daaromtrent in rechtsoverweging 4.10 is overwogen - op geen enkele wijze heeft bijgedragen aan de beslissing met betrekking tot de gevorderde opheffing van de wettelijke limitering. Bovendien hebben [eiseres sub 1] c.s. mede in het licht van de betwisting door HTM onvoldoende onderbouwd dat zij die kosten redelijkerwijze hebben moeten maken.

4.24. HTM zal, als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de zijde van [eiseres sub 1], waaronder de kosten in verband met het voorlopige getuigenverhoor. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen van [eiseres sub 1] en Azivo gaat de rechtbank ervan uit dat HTM ten behoeve van haar verweer jegens de vorderingen van Azivo geen noemenswaardige extra kosten heeft moeten maken en zal zij de vanwege de afwijzing van haar vorderingen ten laste van Azivo uit te spreken proceskostenveroordeling begroten op nihil.
LJN BB1204

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies