Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb R.dam 220910 aanrijding tussen twee stadsbussen

Rb R.dam 220910 aanrijding tussen twee stadsbussen
2.6.  De rechtbank overweegt als volgt. Zoals in voornoemd tussenvonnis reeds overwogen, diende de RET bus in beginsel overig verkeer voor te laten gaan nu het wegrijden door de RET bus bij het busstation een bijzondere manoeuvre als omschreven in artikel 54 RVV betrof. Dit zou anders kunnen zijn indien de Arriva bus, zoals RET stelt, eveneens een bijzondere manoeuvre uitvoerde door uit een uitrit de weg op te rijden.
Bij voormeld tussenvonnis heeft de rechtbank de criteria omschreven op grond waarvan een weg als uitrit dient te worden beschouwd. Voor beantwoording van de vraag of de afrit van het viaduct kan worden aangemerkt als een uitrit heeft de rechtbank mogelijk relevant geacht of de weg waarop het viaduct uitkomt slechts openstond voor busverkeer (zoals Arriva betoogt), of ook voor overig verkeer, waaronder voetgangers en fietsers (zoals RET betoogt).

2.7.  De rechtbank is van oordeel dat de afrit van het viaduct niet kan worden aangemerkt als uitrit. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de afrit weliswaar een beperkte bestemming heeft, maar dat zulks eveneens geldt voor de weg waarop het viaduct uitkomt. Anders dan RET aanvankelijk betoogde, neemt RET zelf inmiddels ook het standpunt in dat de weg waarop het viaduct uitkomt naast busverkeer slechts toegankelijk is voor voetgangers, taxi’s, bijzonder vervoer en vervoer voor onderhoud en toeleveranciers. Zelfs indien dit standpunt juist zou zijn, hetgeen Arriva (deels) betwist, dan nog geldt dat de desbetreffende weg in ieder geval niet toegankelijk was voor normaal autoverkeer en fietsers, en mitsdien net zoals de afrit van het viaduct een beperkte bestemming heeft. Dit wordt ook ondersteund door de door Arriva bij conclusie na enquête overgelegde foto’s van de verbodsborden ter plaatse. De rechtbank is van oordeel dat, mede in ogenschouw nemend dat de weg waarop het viaduct uitkomt ten opzichte van de afrit van het viaduct eveneens een beperkte bestemming heeft, de beperkte bestemming van de afrit van het viaduct niet voor alle verkeersdeelnemers ter plaatse kenbaar is. Zulks blijkt in ieder geval niet uit verkeersborden- of tekens ter plaatse, en evenmin uit de fysieke kenmerken die de afrit van het viaduct vertoonde. De afrit heeft weliswaar een ander wegdek, maar heel goed mogelijk is - als door Arriva betoogd en door RET niet weersproken - dat de afrit zich niet goed leent voor bestrating van betonklinkers als er veel doorgaand busverkeer over rijdt, zodat de rechtbank dit niet van groot belang acht. Dat de afrit van het viaduct smaller is dan de weg waarop het viaduct uitkomt, acht de rechtbank evenmin van doorslaggevend belang. Heel goed mogelijk is immers dat de afrit smaller is in verband met het aldaar geldende eenrichtingsverkeer, waar op de weg waarop het viaduct uitkomt verkeer in beide richtingen mogelijk is (zoals ook blijkt uit de verklaring van de getuige [X] dat “je aan het einde van de hol … zowel naar links als naar rechts kunt”). Ook uit de omstandigheid dat de scheiding tussen beide wegen met stenen is aangegeven maakt de rechtbank niet op dat kenbaar is dat de afrit van het viaduct een beperkte bestemming heeft, nu deze scheiding met stenen geen enkele status heeft in verkeersrechtelijke zin.
Ten slotte vindt de rechtbank steun in haar oordeel dat de afrit van het viaduct niet kan worden aangemerkt als uitrit in de verklaring van de getuige [Y]. [Y] heeft verklaard dat als hij een bus op de hol had gezien, hij daar automatisch op had gewacht omdat er anders een aanrijding had plaatsgevonden zoals die nu heeft plaatsgevonden. De rechtbank leidt hieruit af dat ook volgens [Y] hij voorrang diende te verlenen aan het busverkeer dat van de afrit van het viaduct kwam aanrijden, en de afrit mitsdien geen uitrit was.

2.8.  Uit het voorgaande volgt dat de RET bus bij het wegrijden van de bushalte de Arriva bus voorrang diende te verlenen. Het door RET gevoerde betoog dat Arriva de RET bus voorrang diende te verlenen nu deze van rechts kwam, snijdt in de gegeven omstandigheden geen hout. Immers, vast staat dat de RET bus door de bushalte te verlaten een bijzondere manoeuvre verrichtte op grond waarvan hij de Arriva bus voorrang diende te verlenen.
Ook het door RET ingenomen standpunt dat de Arriva bus (eveneens) een bijzondere manoeuvre verrichtte door van rijstrook te wisselen moet worden verworpen. Uit de door de getuigen afgelegde verklaringen blijkt immers zonneklaar dat het wisselen van rijbaan niet strookt met de feitelijke situatie ter plaatse, en zij er beiden geen verklaring voor hebben waarom deze variabele op het aanrijdingformulier is aangekruist, zodat het erop moet worden gehouden dat dit aankruisen op een vergissing berust. Voor de aanname dat de Arriva bus van rijbaan is gewisseld bestaan in die omstandigheden onvoldoende aanknopingspunten.

2.9.  Vast staat dat de RET bus geen voorrang heeft verleend aan de Arriva bus: de aanrijding heeft immers plaatsgevonden. De aansprakelijkheid van RET voor de door Arriva geleden schade is derhalve in beginsel gegeven.

2.10.  RET heeft een beroep gedaan op eigen schuld aan de zijde van Arriva, en daartoe aangevoerd dat [X] te hard en onvoorzichtig heeft gereden. De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.

2.11.  Vast staat dat de toegestane maximum snelheid ter plaatse 20 kilometer per uur bedroeg. In verband met de vraag naar de toedracht van de aanrijding heeft de getuige [Y] verklaard dat hij op basis van de schade en het feit dat hij is gelanceerd, zeker weet dat [X] te hard heeft gereden, namelijk meer dan 30 kilometer per uur. Deze verklaring vindt echter geen steun in de verklaring van de getuige [X] dat hij bij het afdalen van de hol 10 kilometer per uur reed. De verklaring van [Y] wordt evenmin ondersteund door de in de aanrijdingsformulieren genoteerde snelheden, nu [X] op zijn formulier heeft ingevuld dat hij ongeveer 10 kilometer per uur reed, en [Y] op zijn formulier een voor de rechtbank onleesbaar getal heeft ingevuld bij de vraag met welke snelheid de tegenpartij reed. RET heeft zich bij haar betoog dat [X] te hard heeft gereden overigens ook niet op dit door [Y] ingevulde getal beroepen. Nu er voorts geen technisch onderzoek heeft plaatsgevonden naar de vraag met welke snelheid [X] heeft gereden, kan niet worden vastgesteld dat hij met een hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan heeft gereden. Ten aanzien van de omstandigheid dat [Y] door de klap van de aanrijding kennelijk van zijn stoel in het trapgat is gevallen is de rechtbank van oordeel dat RET geen feiten heeft gesteld op grond waarvan geconcludeerd moet worden dat een dergelijke val alleen mogelijk is bij aanrijdingen met een snelheid van meer dan 20 kilometer per uur.

2.12.  Over de vraag of [X] onvoorzichtig heeft gereden overweegt de rechtbank nog het volgende. RET heeft aangevoerd dat [X] niet goed heeft gekeken en vervolgens tegen de vóór hem rijdende bus van RET is aangereden, hetgeen door Arriva is weersproken. RET heeft ter onderbouwing van haar stelling dat [X] tegen (en niet: door) de bus van RET is aangereden verwezen naar het schadebeeld van de bussen, zoals blijkend uit de door Arriva overgelegde foto’s. Deze foto’s ondersteunen echter naar het oordeel van de rechtbank het door RET geschetste schadebeeld niet. Uit de foto’s valt weliswaar op te maken dat de instapdeur van de bus van Arriva is ontzet, maar blijkt geen beschadiging van de rechter voor/zijkant van de bus, als door RET gesteld. Ook uit het door Arriva overgelegde rapport van expertise valt niet op te maken dat de bus van Arriva aan de rechter voorhoek is beschadigd. De stelling van RET dat de bus van Arriva de bus van RET eerst achter de stoel van [Y] heeft geraakt en daarna langs de RET bus naar voren is geschoven, wordt voorts niet ondersteund door de foto’s van de beschadigde RET bus. Daarop is slechts zichtbaar dat de linker voorhoek van de RET bus beschadigd is.
Uit de overgelegde foto’s komt, kortom, het beeld naar voren dat de RET bus met haar linker voorhoek de Arriva bus ter hoogte van de instapdeur heeft geraakt. De rechtbank ziet hierin aanleiding minder gewicht toe te kennen aan de door [Y] geschetste toedracht van de aanrijding, waaruit volgt dat de RET bus ten tijde van de aanrijding vóór de Arriva bus zou rijden, en meer gewicht aan de door [X] geschetste toedracht, waaruit volgt dat de RET bus ten tijde van de aanrijding van schuin achter de Arriva bus kwam aanrijden. Gelet daarop kan de stelling van RET dat [X] niet goed heeft gekeken en tegen de vóór hem rijdende bus van RET is aangereden, geen stand houden, en is van eigen schuld aan de zijde van Arriva op dit punt geen sprake.

2.13.  RET heeft voorts aangevoerd dat [X] er, komend vanaf het viaduct, onvoldoende rekening mee heeft gehouden dat er bussen van de bushalte konden vertrekken, en mitsdien onvoorzichtig heeft gehandeld. Dit betoog slaagt. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat [X], naar hij zelf als getuige heeft verklaard, de situatie ter plaatse goed kende. Voorts heeft hij verklaard dat het gebruikelijk is om voordat je het viaduct af rijdt naar beneden te kijken of er bussen bij de bushaltes staan, en dat hij op dat moment ook heeft gekeken en de RET bus bij de bushalte heeft zien staan. [X] heeft er echter geen blijk van gegeven dat hij, ondanks het feit dat hij de RET bus bij de bushalte had zien staan, voorzorgsmaatregelen (zoals langzamer rijden of kijken naar de bushalte zodra hij de hoek omkwam) heeft genomen om een aanrijding te voorkomen. Dat hij deze voorzorgsmaatregelen niet heeft genomen leidt de rechtbank af uit [X]s verklaring dat hij op het moment dat hij de RET bus zag niet meer kon remmen om schade te voorkomen. Naar het oordeel van de rechtbank had het in de onderhavige omstandigheden, waarin [X] wist dat er een bus bij de bushalte stond, op zijn weg gelegen om dergelijke voorzorgsmaatregelen wel te nemen, teneinde de kans op een aanrijding te beperken. Door langzamer te rijden en/of door bij het verlaten van de uitrit van het viaduct eerder naar de bushalte te kijken, had [X] wellicht een aanrijding kunnen voorkomen. Nu hij dat heeft nagelaten, is de door Arriva geleden schade mede een gevolg van omstandigheden die aan haar zelf moeten worden toegerekend. De rechtbank acht het in de gegeven omstandigheden redelijk te oordelen dat het onvoorzichtige handelen voor 25 % heeft bijgedragen aan het ontstaan van de aanrijding, zodat 25 % van de schade voor rekening van Arriva dient te blijven. LJN BO2575

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies