Artikelen

Rb Midden-NL 250614 val op door schoonmaakbedrijf gedweilde werkvloer; geen waarschuwing; wg-er heeft zorgplicht geschonden

Hoofdcategorie: Aansprakelijkheid werkgever voor vallen
Categorie: Vallen door gladheid

Rb Midden-NL 250614 val op door schoonmaakbedrijf gedweilde werkvloer; geen waarschuwing; wg-er heeft zorgplicht geschonden; voorschot smartengeld € 5.000,00;
- gevorderd 26:48 uur, begroot op 20 uren x € 206,80 + BTW + griffierecht

2. 
De feiten

2.1. 
X is vanaf 1 augustus 2002 voor onbepaalde tijd in dienst geweest bij Y in de functie van huishoudelijk medewerkster. Vanaf medio 2009 was haar functie "helpende plus". Sinds januari 2010 ondervond X klachten aan haar schouders. Zij was voor 5% arbeidsongeschikt en verrichtte aangepaste werkzaamheden.

2.2. 
Goudse is de aansprakelijkheidsverzekeraar van Y.

2.3. 
De algemene schoonmaakwerkzaamheden in haar panden, waaronder de locatie A liet Y verrichten door schoonmaakbedrijf Gom Schoonhouden B.V.

2.4. 
Op 11 mei 2011 heeft X zich bij de receptie van haar werkgever gemeld, locatie A, in verband met een afspraak met de arboverpleegkundige. De receptioniste gaf aan dat X kon plaatsnemen in de gang bij de spreekkamer.

2.5. 
Terwijl X de gang inliep, gleed zij uit op een (net) gedweilde vloer en viel zij, X had niet gezien dat de vloer nat was. Er stond geen bord om te waarschuwen voor het feit dat de vloer glad kon zijn als gevolg van schoonmaakwerkzaamheden. Tijdens de val probeerde X zichzelf op te vangen. Zij brak daarbij haar linkerpols en ging door haar rechterenkel.

2.6. 
Bij brief van 31 januari 2012 heeft X Y aansprakelijk gesteld.

2.7. 
Goudse wijst, namens Y, aansprakelijkheid van de hand.

2.8. 
De arbeidsovereenkomst tussen Y en X is met ingang van 1 mei 2014 ontbonden.

3. 
Het deelgeschil

3.1. 
X verzoekt de kantonrechter: 
a) een beslissing te nemen over de schuldvraag met betrekking tot het bedrijfsongeval van 11 mei 2011 en te oordelen dat Y en Goudse ieder voor zich, maar ook hoofdelijk, aansprakelijk zijn voor alle gevolgen van het bedrijfsongeval en gehouden zijn de als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade van X te vergoeden; 
b) te beslissen dat een voorschot op het smartengeld van € 5.000,00 alsmede de vergoeding van de buitengerechtelijke kosten van € 4.428,10 aan X moet worden betaald; 
c) te beslissen dat Y en Goudse in de kosten van het deelgeschil worden veroordeeld.

3.2. 
Aan dit verzoek legt X het volgende ten grondslag. X is een ongeval overkomen tijdens de uitvoering van haar werkzaamheden waardoor zij schade heeft geleden. Primair acht X Y aansprakelijk op grond van artikel 7:658 BW en subsidiair op grond van artikel 7:611 BW. Y heeft niet aan haar zorgplicht voldaan die ingevolge artikel 7:658 BW op haar rust en/of er is sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het ongeval als werkgerelateerd moet worden aangemerkt en om die reden valt onder de reikwijdte van artikel 7:611 BW. Z is volgens X aansprakelijk primair op grond van artikel 7:658 BW en subsidiair op grond van artikel 7:611 BW gelezen in samenhang met artikel 7:954 BW.

3.3 
Y en Z zijn van mening dat Y niet aansprakelijk is voor het X overkomen bedrijfsongeval. Zij voeren daartoe aan dat in artikel 7:658 BW geen risicoaansprakelijkheid is neergelegd. Daarnaast is Y zorgvuldig geweest bij het selecteren van schoonmaakbedrijf GOM. Indien een medewerker van het schoonmaakbedrijf tegen de gangbare praktijk in een keer vergeet een waarschuwingsbordje te plaatsen, dan valt Y daarvan in redelijkheid geen verwijt maken. Er is dan ook geen sprake van tekortschieten in de zorgplicht volgens Y en Z. Verder voeren Y en Z aan dat artikel 7:611 BW in dit geval niet van toepassing is. Wanneer door een werknemer wordt gesteld dat hem in de uitoefening van zijn werkzaamheden een bedrijfsongeval is overkomen, moet dat worden afgedaan op basis van artikel 7:658 BW. Indien een daarop gebaseerde vordering wordt afgewezen, vormt artikel 7:611 BW in zo'n geval geen alternatieve of aanvullende grondslag voor aansprakelijkheid.

3.4. 
De kantonrechter zal hierna, indien en voor zover nodig, nader ingaan.op de standpunten van partijen.

4. 
De beoordeling

4.1. 
Tussen partijen is de toedracht van het bedrijfsongeval dat X op 11 mei 2011 is overkomen niet in geschil. Evenmin is in discussie dat X daardoor schade heeft geleden. Partijen verschillen van mening over de vraag of Y aansprakelijk is voor de door X geleden schade als gevolg van het ongeval.

4.2. 
De vraag die daarmee derhalve beantwoord moet worden is of sprake is van aansprakelijkheid van Y vanwege de omstandigheid dat zij niet aan de ingevolge artikel 7:658 BW op haar rustende zorgplicht heeft voldaan en of Y (en daarmee Goudse op de voet van artikel 7:954 BW) gehouden is tot schadevergoeding.

4.3. 
De kantonrechter stelt het volgende voorop. Artikel 7:658 lid 1 BW vereist een hoog veiligheidsniveau van de betrokken werkruimte, werktuigen en gereedschappen, alsmede van de organisatie van de betrokken werkzaamheden (Hoge Raad 11 april 2008, NJ 2008/465). Y is als werkgever van X op grond van artikel 7:658 BW dus gehouden die maatregelen te treffen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om ongevallen, die zich bij de uitoefening door de werknemer van zijn werkzaamheden zouden kunnen voordoen, te voorkomen. Artikel 7:658 BW houdt een ruime zorgplicht in. Niet snel kan worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en dus niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Artikel 7:658 BW beoogt daarentegen ook geen absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen gevaar. Welke veiligheidsmaatregelen van de werkgever mogen worden verlangd en op welke wijze hij de werknemer moet instrueren, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. 
Op grond van het bepaalde in artikel 7:658 lid 2 BW is de werkgever ten opzichte van de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij aan de in het eerste lid van artikel 7:658 BW genoemde zorgplicht heeft voldaan of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

4.4. 
De kantonrechter is van oordeel dat Y door niet te (laten) waarschuwen voor het feit dat een vloer in haar pand glad kan zijn als gevolg van schoonmaakwerkzaamheden (dweilen), niet heeft voldaan aan de in het eerste lid van artikel 7:658 BW genoemde zorgplicht. Een vloer die (net) gedweild is en daardoor nat is, kan glad zijn. Voor de gevaren daarvan dient gewaarschuwd te worden. De gladheid van de vloer als gevolg van de dweilwerkzaamheden in combinatie met het ontbreken van een waarschuwing (in de vorm van een waarschuwingsbordje) hebben het ongeval veroorzaakt. De omstandigheid dat Y de schoonmaakwerkzaamheden uitbesteedt (en om die reden niet aansprakelijk zou kunnen worden gehouden), kan aan X niet worden tegengeworpen, omdat het niet relevant is in de verhouding tussen X als werkneemster en Y als werkgever. Het betreft hier immers een keuze van Y en komt zodoende voor haar rekening. Ook de omstandigheid, wat daarvan verder ook zij, dat "een keer is vergeten" een (uitklapbaar) waarschuwingsbordje te plaatsen, kan niet tot de conclusie leiden dat Y wel aan haar zorgplicht heeft voldaan.

4.5. 
Hetgeen de kantonrechter hiervoor heeft overwogen betekent dat het verzoek zoals hiervoor onder 3.1. en onder a) is weergegeven in zoverre toewijsbaar is dat Y aansprakelijk is voor de gevolgen van het X op 11 mei 2014 overkomen bedrijfsongeval en dat Y en Z gehouden zijn de dientengevolge door X geleden en nog te lijden schade te vergoeden. De gevorderde hoefdelijkheid ten aanzien van de aansprakelijkheid wordt afgewezen. Artikel 7:954 levert geen zelfstandige grond op voor aansprakelijkheid van een verzekeraar ten opzichte van een benadeelde. Aan het artikel kan slechts de bevoegdheid van een benadeelde worden ontleend om rechtstreeks van de verzekeraar betaling te vorderen van datgene dat degene die voor de schade aansprakelijk is uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst van de verzekeraar te vorderen zou hebben.

Met dank aan mr. E.G.P. Ridder, Letselschadebureau Kloppenburg, voor het inzenden van deze uitspraak. Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2014/rb-midden-nl-250614nu ook op rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBMNE:2014:4759

Deze website maakt gebruik van cookies