Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb R'dam 311007 datum medische fout; gebondenheid aan deskundigenbericht; vaststellingsovereenkomst

Rb R'dam 311007 datum medische fout; gebondenheid aan deskundigenbericht; vaststellingsovereenkomst
3 De beoordeling
3.1 De rechtbank gaat uit van de navolgende tussen partijen vaststaande feiten.
In november 1999 heeft eiseres pijnklachten, met name in de buik, gekregen, waarvoor haar echtgenoot contact heeft opgenomen met de huisartsenpraktijk van gedaagde.
Op maandag 15 november 1999 is door de huisarts in opleiding, [betrokkene I], een huisbezoek aan eiseres afgelegd en op dinsdag 16 november 1999 door [betrokkene II], die in de praktijk van gedaagde werkzaam was.
Op woensdag 17 november 1999 is nogmaals een huisbezoek afgelegd door [betrokkene I] en diezelfde dag ook door gedaagde zelf.
In de nacht van 17 op 18 november 1999 is er telefonisch contact geweest tussen eiseres' echtgenoot en [betrokkene III].
Gedaagde heeft op donderdag 18 november 1999 eiseres opnieuw bezocht, waarbij hij haar heeft verwezen naar het ziekenhuis.
Diezelfde dag is eiseres in het ziekenhuis onderzocht en geopereerd, waarbij gebleken is van een gegeneraliseerde peritonitis (buikvliesontsteking). De blindedarm is verwijderd en de buikholte gespoeld.
Op 20 november 1999 is de buikholte opnieuw gespoeld.
Vervolgens is sprake geweest van een acuut respiratoir disstress syndroom en is eiseres enige tijd beademd geweest en in coma gebracht.
Eiseres ondervindt diverse lichamelijke en psychische gevolgen van genoemde medische klachten en behandeling.
Eiseres heeft gedaagde aansprakelijk gesteld voor de financiële gevolgen hiervan.
In overleg tussen partijen heeft prof. dr. A. Prins, arts, bij brief van 5 januari 2003 (definitief) gerapporteerd omtrent de handelwijze van gedaagde.
Bij brief van 14 februari 2003 heeft de verzekeraar van gedaagde aan de advocate van eiseres bericht:
"Onze medisch adviseur deelde ons mede dat aanvaard moet worden dat er op 17 november 1999 anders gehandeld had moeten worden. Op die dag bestond de perforatie reeds, zoals Prof. Prins stelt en zoals onze medisch adviseur afleidt uit de grote hoeveelheid pus die in de buik werd gevonden. Dat betekent dat een ziekenhuis opname, een grote buikoperatie en de herstelperiode daarna toch wel zouden zijn opgetreden.
Indien u meent dat deze kwestie op basis van deze uitgangspunten geregeld kan worden zien wij uw regelingsvoorstel wel tegemoet, zo uitgebreid mogelijk gemotiveerd en onderbouwd. Anders zal er een expertise door een chirurg moeten worden verricht om aan te geven wat de gevolgen van het delay in de behandeling zijn. Wij zien uw reactie tegemoet (…)"

Bij brief van 25 maart 2003 heeft de advocate van eiseres de verzekeraar van gedaagde bericht:
"Uw schrijven van 14 februari jl. legde ik voor aan mijn medisch adviseur dr. Blanken, die mij aangeeft een aanvullende beoordeling door bijvoorbeeld professor dr. Van Vroonhoven, algemeen chirurg te Utrecht op zijn plaats te vinden. Wilt u dit voorstel doorgeleiden naar uw medisch adviseur en deze verzoeken de concept vraagstelling op te stellen?(…)"

Bij brief van 16 april 2003 heeft de verzekeraar de advocate van eiseres voorgesteld dr. P. Leguit voor een expertiseonderzoek in te schakelen en haar een conceptvraagstelling toegezonden, met onder meer de volgende inhoud:
"Deze casus is beoordeeld door Prof. Prins, emeritus hoogleraar huisartsengeneeskunde. Zijn rapportages vindt u bijgevoegd. Op grond van die rapportages heeft VVAA aansprakelijkheid erkend voor het niet verwijzen op 17 november 1999. Aan de hand van de opmerkingen van Prof. Prins heeft VVAA tevens het standpunt ingenomen dat er op 17 november reeds een perforatie bestond, zodat de patiënte toch wel zou zijn geconfronteerd met ziekenhuisopname, een grote buikoperatie en een lange herstelperiode.
In overleg met collega Blanken, de medisch adviseur van de advocaat van patiënte, vraag ik graag uw advies over de gevolgen van het delay vanaf het huisartsenconsult op 17 november 1999 tot de ziekenhuisopname op 18 november 1999.
(…)
1. Wilt u het beloop schetsen indien de patiënte op 17 november 1999 naar het ziekenhuis zou zijn verwezen, en aangeven in welk opzicht dit verschilt van het beloop dat de aandoening nu daadwerkelijk heeft gehad?
(…) "

De reactie hierop bij brief van 13 mei 2003 houdt onder meer in:
"(…) Overigens heeft mijn medisch adviseur geen enkel bezwaar om dr. Leguit in te schakelen.
Met betrekking tot de concept-vraagstelling merkt mijn medisch adviseur op dat hierin is opgenomen dat het de beoordelend chirurg vrij staat om cliënte op te roepen. Mijn medisch adviseur denkt dat cliënte in elk geval moet worden opgeroepen zodat zij ook zelf haar klachten kan toelichten en haar eigen verhaal kan doen.
Wilt u uw medisch adviseur verzoeken dit in het concept op te nemen? (…)"

Vervolgens is bij brief van 20 mei 2003 een definitieve vraagstelling toegezonden aan de advocate van eiseres, zonder hier van belang zijnde inhoudelijke wijzigingen, met de vraag of die kan worden verzonden. Op basis hiervan heeft het onderzoek door dr. Leguit plaatsgevonden.
Dr. Leguit heeft op 14 augustus 2003 schriftelijk gerapporteerd.
Partijen zijn niet tot overeenstemming kunnen komen.

3.2 Eiseres legt aan haar vorderingen ten grondslag dat gedaagde en degenen die hem bij de behandelingen van eiseres vertegenwoordigden, vanaf 15 november 1999 bij hun werkzaamheden niet de zorg van goede hulpverleners in acht hebben genomen en niet hebben gehandeld zoals van redelijk handelende en redelijk bekwame hulpverleners mag worden verwacht. Ter onderbouwing van haar stellingen, met name ook ten aanzien van genoemde datum, beroept eiseres zich op het medische rapport van 5 januari 2003 van prof. dr. A. Prins. Eiseres verwijt gedaagde dat niet reeds op 15 november 1999 aanvullend medisch onderzoek heeft plaatsgevonden, alsmede dat de regie en het beleid binnen de huisartsenpraktijk zijn tekortgeschoten (dagvaarding 21, 39 en 41), met als gevolg dat niet tijdig een juiste diagnose is gesteld. Ter comparitie is hieraan de vraag toegevoegd of wel de juiste medicatie is voorgeschreven.
Voor wat betreft de gevolgen voor eiseres van de gestelde handelwijze van gedaagde beroept eiseres zich op het rapport van 14 augustus 2003 van dr. P. Leguit.

Gedaagde stelt voorop dat hij op basis van het rapport van dr. Prins heeft erkend dat sprake is van onzorgvuldig handelen op 17 november 1999, hetgeen evenwel niet tot substantiële schade heeft geleid. Gedaagde voert de navolgende verweren tegen het betoog van eiseres dat reeds op 15 november 1999 onzorgvuldig is gehandeld.

3.3 In de eerste plaats heeft gedaagde zich er op beroepen dat in onderling overleg tussen partijen een deskundigenonderzoek heeft plaatsgevonden, door Leguit, waarbij uitdrukkelijk is uitgegaan van de datum 17 november 1999. Indien niet met de datum 17 november 1999 werd ingestemd, aldus gedaagde, had eiseres - die werd bijgestaan door een letselschade-advocate en een medisch adviseur - daartegen moeten protesteren. Gedaagde beschouwt de erkenning van aansprakelijkheid en de naar aanleiding daarvan gemaakte afspraken tussen partijen als een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW, waaraan partijen zijn gehouden.

Eiseres heeft dit standpunt ter comparitie bestreden, daarbij verwijzend naar de hiervoor aangehaalde brief van 14 februari 2003 van de verzekeraar van gedaagde aan de advocate van eiseres. Eiseres voert aan dat hieruit blijkt dat als de zaak niet op basis van de datum 17 november 1999 zou kunnen worden geregeld, expertiseonderzoek zou moeten plaatsvinden. Vervolgens is om dat onderzoek gevraagd en is dat onderzoek uitgevoerd, waarbij weliswaar in de vraagstelling aan Leguit weer de datum 17 november 1999 is genoemd maar voor het overige de vraagstelling ruimer is, aldus eiseres, die benadrukt dat in elk geval nooit is bedoeld in te stemmen met die datum als vaststaand uitgangspunt.

Honorering van het verweer van gedaagde zou tot het ingrijpende gevolg leiden dat uitsluitend op basis van een tekortkoming op 17 november 1999 de verdere beoordeling dient plaats te vinden. Alvorens hierover te beslissen, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich op dit onderdeel desgewenst nog nader uit te laten. De zaak zal daarvoor naar de rol worden verwezen. Het ligt, gelet op het standpunt van gedaagde, op de weg van eiseres daarbij tevens te betrekken de vragen of ten aanzien van een eerdere datum dan 17 november 1999 sprake is van rechtsverwerking en of sprake is van de situatie dat partijen op dit punt gebonden zijn aan het in gezamenlijk overleg tot stand gekomen rapport van dr. Leguit (vergelijk dagvaarding onder 39 en productie 1 onder 24 bij conclusie van antwoord).
LJN BC1211

Deze website maakt gebruik van cookies