Zoeken

Inloggen

Artikelen

Een rechterlijk vooroordeel als feit van algemene bekendheid? door prof. mr. J.C.J. Dute op 24/10/13

Een rechterlijk vooroordeel als feit van algemene bekendheid? door prof. mr. J.C.J. Dute op 24/10/13

annotatie bij: rb-den-haag-230713-hersenletsel-10-jarige-na-aanrijding-vav-obv-modaal-salaris-10-jaar-geen-werk-vanwege-kinderen-en-daarna-50

De rechter beslist zonder aanziens des persoons. Dat is althans de bedoeling. Maar soms gaat het mis. Met natuurlijk de vrouw als kind van de rekening.

Een meisje van tien jaar wordt aangereden door een motorrijder. Zij loopt daardoor zodanig ernstig hersenletsel op dat zij nooit zal kunnen werken. De verzekeraar van de motorrijder, Reaal, erkent aansprakelijkheid, maar het overleg over de afwikkeling van de schade loopt vast op een meningsverschil over de omvang van het verlies van verdienvermogen van het (nu 20-jarige) slachtoffer. In een deelgeschilprocedure stelt de Rechtbank Den Haag daarvoor de uitgangspunten vast.1

In de beschikking overweegt de rechtbank als volgt: “De rechtbank acht het redelijk te veronderstellen dat [het slachtoffer], als vrouw in Nederland en gegeven haar culturele achtergrond [Turks, JD] en persoonlijke omstandigheden, een partner zou hebben gevonden en rond haar 26e levensjaar (in het jaar 2019) kinderen zou hebben gekregen. Gezien de huidige en te verwachten economische situatie, ook in de kinderopvang, is het redelijk te veronderstellen dat [het slachtoffer] in verband met de geboorte van haar kinderen gedurende 10 jaar niet zou hebben gewerkt en vervolgens vanaf haar 36e levensjaar tot haar 67e levensjaar, conform de door Reaal voorgestelde 50% ofwel 20 uur per week werkzaam zou geweest. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat slechts een kleine groep vrouwen na de geboorte van kinderen fulltime blijft werken en derhalve de verzorging en opvoeding van die kinderen voor een belangrijk deel aan derden over laat, terwijl niet is onderbouwd dat [het slachtoffer] tot deze kleine groep vrouwen behoort.”

Is het een feit van algemene bekendheid dat maar weinig vrouwen na de geboorte van hun kinderen fulltime blijven werken? Is dit een notoir feit dat ieder normaal ontwikkeld mens kent of uit voor ieder toegankelijke bronnen kan kennen?2 Waar haalt de rechter zijn wijsheid vandaan? In elk geval ontleent hij die niet aan de cijfers van het Centraal Bureau van de Statistiek. Daaruit blijkt immers dat de zorg voor het gezin voor steeds minder vrouwen een reden is om niet te werken.3 De veronderstelling van de rechtbank dat het slachtoffer na de geboorte van haar kinderen eerst tien jaar niet zou hebben gewerkt en daarna 20 uur per week, is volstrekt uit de lucht gegrepen.

Is dit geen onderscheid op grond van geslacht? Welnee, vindt de rechtbank. “De rechtbank dient, rekening houdend met de beschikbare statistische gegevens en de persoonlijke omstandigheden van [het slachtoffer], te schatten hoe het leven van [het slachtoffer] er, het ongeval weggedacht, zou hebben uitgezien. Daarbij is het onvermijdelijk dat rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat [het slachtoffer] een vrouw is, maar dit maakt nog niet dat de aannames daarmee discriminerend zijn. De aannames laten immers alle ruimte om in afwijking van de statistische gegevens uit te gaan van een fulltime dienstverband wanneer daartoe op basis van de persoonlijke omstandigheden van [het slachtoffer] voldoende aanleiding is.”

Gemakshalve gaat de rechter eraan voorbij dat hij de inschatting van de te verwachten arbeidsparticipatie van het slachtoffer praktisch volledig heeft opgehangen aan haar geslacht. Dat op grond van persoonlijke omstandigheden kan worden afgeweken van bedoelde aannames, laat onverlet dat het slachtoffer qua bewijspositie al direct op grote achterstand is gezet. Bovendien valt op dit punt bij zo’n jong meisje natuurlijk niet veel aan te voeren. Ook de Turkse achtergrond van het meisje speelt kennelijk een rol. Maar hoe? De rechter vindt het niet nodig daar ook maar één woord aan te wijden.

Statistische gegevens zijn bij de schadeberekening een neutraal criterium. Maar als vooral vrouwen (of vooral mannen) nadeel ondervinden van het gebruik van die gegevens is sprake van indirect onderscheid op grond van geslacht. “Statistische gegevens mogen niet die betekenis hebben, dat zij telkens als uitgangspunt worden gehanteerd, waarbij van een vrouwelijk slachtoffer wordt verlangd dat zij het bewijs levert van (verwachte) andere concrete omstandigheden”, aldus de Commissie Gelijke Behandeling, thans College voor de Rechten van de Mens.4 Richtlijn 2004/113/EG gaat nog een stap verder. Zij verbiedt het gebruik van sekse als een factor bij de berekening van de verzekeringsuitkeringen (en –premies) in alle verzekeringscontracten die na 21 december 2007 zijn gesloten. De richtlijn kende aanvankelijk een uitzondering voor het geval de berekening van de uitkering (c.q. de premie) was gebaseerd op betrouwbare, actuele en kenbare actuariële gegevens. Het Hof van Justitie heeft deze uitzondering enkele jaren terug echter ongeldig verklaard.5

In de (schaarse) jurisprudentie valt op dat het al dan niet krijgen van kinderen bij vrouwen steeds wordt meegenomen bij de bepaling van de inkomensschade, terwijl dit bij mannen niet of althans niet standaard gebeurt. De gelijkebehandelingswetgeving laat echter niet toe dat de vraag naar de kinderwens alleen wordt opgeworpen bij vrouwen. Evenmin mag worden uitgegaan van ongefundeerde aannames en onbewezen stellingen.6 Juist de rechter dient zich mogelijke discriminatie bewust te zijn. In geen geval mag hij zijn vooroordelen tot feiten van algemene bekendheid verheffen.

Prof. mr. J.C.J. Dute is lid van het College voor de Rechten van de Mens te Utrecht en hoogleraar Gezondheidsrecht aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Radboud Universiteit Nijmegen.

  1. Rechtbank Den Haag 23 juli 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:9276. 
  2. Parlementaire Geschiedenis nieuw bewijsrecht, p. 79. 
  3. Zie www.cbs.nl, Emancipatiemonitor 2012
  4. Commissie Gelijke Behandeling 5 november 1996, oordeel 1996-90. 
  5. Hof van Justitie van de Europese Unie 1 maart 2011, zaak C-236/09 (Belgische Verbruikersunie Test-Aankoop VZW e.a.); zie voorts de Richtsnoeren betreffende de toepassing van Richtlijn 2004/113/EG in het licht van dit arrest, Publicatiebladnr. C011 van 13 januari 2012, p. 1-11. 
  6. Commissie Gelijke Behandeling, Onderscheid naar geslacht bij de vaststelling van letselschade, Een verkennend onderzoek, 2012, www.mensenrechten.nl

NJBlog.nl met dank aan Recht.nl

Deze website maakt gebruik van cookies