Zoeken

Inloggen

Artikelen

Hof Amsterdam 140715 AOV: in vragenformulier werd slechts gevraagd naar ziekte, aandoening of letsel; verzekerde hoefde niet mee te delen dat hij andere klachten had

Hof Amsterdam 140715 AOV: in vragenformulier werd slechts gevraagd naar ziekte, aandoening of letsel; verzekerde hoefde niet mee te delen dat hij andere klachten had

vervolg op: rb-amsterdam-260314-ass-hanteert-globale-vragenlijst-bij-aov-en-vraagt-niet-naar-verleden-beroep-op-verzwijging-gaat-niet-op

3 Beoordeling

3.1.
In de onderhavige zaak heeft [geïntimeerde] een verklaring voor recht gevorderd – samengevat – dat hij recht heeft op uitkering op grond van de tussen partijen geldende verzekeringsovereenkomst en voorts veroordeling van [appellante] tot betaling van hetgeen zij op grond van die overeenkomst aan [geïntimeerde] verschuldigd is. De rechtbank heeft de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen en [appellante] veroordeeld in de proceskosten. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellante] met vijf grieven op.

3.2.
Grief 1 houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [appellante] niet gevolgd kan worden in haar stelling dat [geïntimeerde] vraag 1 (“Heeft u een ziekte, aandoening of letsel?”) en vraag 3 (“Staat u onder controle van een arts/specialist?”) op de vragenlijst van 28 november 2007 (zie r.o. 2.3.) met “ja” had moeten beantwoorden in plaats van met “nee”. [appellante] stelt dat uit het medisch dossier van [geïntimeerde] is gebleken dat de ziekte die tot de arbeidsongeschiktheid van [geïntimeerde] heeft geleid reeds aanwezig was voor de ingangsdatum van de verzekering. [appellante] wijst er daarbij op dat [geïntimeerde] in het eerste schadeformulier van 4 januari 2011 zelf heeft vermeld dat de klachten al sinds zijn jeugd bestaan en dat hij in 2004 door zijn huisarts en in 2007 door de specialist voor die klachten onder geneeskundige behandeling is gesteld.

3.3.
Het hof overweegt als volgt. In de brief van 20 februari 2007 van [A.] aan de huisarts van [geïntimeerde] wordt geconcludeerd dat bij [geïntimeerde] een “aanpassingsstoornis met angst” aanwezig is. [O.] schrijft in haar brief van 9 augustus 2011 aan de medisch adviseur van [appellante] dat de klachten van [geïntimeerde] verklaard kunnen worden “vanuit een verstoorde persoonlijkheidsontwikkeling”. Op grond van die brieven en gelet op de aard van de door [A.] en [O.] gediagnosticeerde aandoening kan geconcludeerd worden (en kan [appellante] gevolgd worden in haar stelling) dat [geïntimeerde] ten tijde van het invullen van de vragenlijst al leed aan die aandoening, te weten een aanpassingsstoornis c.q. verstoorde persoonlijkheidsontwikkeling. Dat leidt echter niet tot de conclusie dat [geïntimeerde] op 28 november 2007 de vragen op de vragenlijst op andere wijze had moeten beantwoorden dan hij heeft gedaan. [O.] heeft haar diagnose van de ziekte of aandoening van [geïntimeerde] blijkens haar brief immers gebaseerd op contacten met [geïntimeerde] die pas vanaf medio 2010 tot stand zijn gekomen (derhalve na het invullen van de vragenlijst door [geïntimeerde] ), hetgeen verklaart dat [geïntimeerde] bij de eerste schademelding op 4 januari 2011 (wel) kon vermelden en vermeld heeft dat hij vanaf zijn jeugd leed aan een persoonlijkheidsstoornis.

3.4.
Anders dan de brief van [O.] dateert de brief van [A.] aan de huisarts wel van vóór het moment dat [geïntimeerde] de vragen op de vragenlijst beantwoordde. Blijkens het proces-verbaal van de op 23 januari 2014 gehouden comparitie van partijen heeft [geïntimeerde] echter aangevoerd dat hij de brief van [A.] pas later bij zijn huisarts heeft opgevraagd en dat hij het verslag van [A.] daarvoor nooit had gezien. [appellante] heeft dat niet, althans niet gemotiveerd weersproken, ook niet in hoger beroep. In de brief van [A.] kan dan ook evenmin grond worden gevonden voor de conclusie dat [geïntimeerde] bij het invullen van de vragenlijst wist dat hij leed aan een ziekte of aandoening.

3.5
Voorts is van belang dat in de vragenlijst wordt gevraagd naar de aanwezigheid van ziekte, aandoening of letsel en niet naar de aanwezigheid van klachten. Dat neemt niet weg dat [geïntimeerde] op grond van artikel 7:928 lid 1 BW verplicht is vóór het sluiten van de overeenkomst aan [appellante] alle feiten mee te delen die hij kent of behoort te kennen, en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen.

3.6.
Voor zover [appellante] betoogt dat de reeds jarenlang bestaande klachten van [geïntimeerde] voor hem aanleiding hadden moeten zijn daar van mededeling te doen, althans aanleiding hadden moeten zijn de vragen op de vragenlijst niet ongeclausuleerd met “nee” te beantwoorden, kan zij daar niet in worden gevolgd. Daartoe is het volgende voor het hof redengevend.

3.7.
[appellante] heeft de vragen op haar vragenlijst beperkt tot “ziekte, aandoening of letsel”. [geïntimeerde] heeft in redelijk niet hoeven te begrijpen dat deze vragen ook betrekking hebben op klachten die, naar pas later is gebleken, voortkwamen uit een persoonlijkheidsstoornis. Indien [appellante] had willen bewerkstelligen dat [geïntimeerde] ook zijn klachten had gemeld, had [appellante] mede gelet op artikel 7:928 lid 6 BW haar vragen dienovereenkomstig moeten inrichten.

3.8.
Grief 1 is dan ook tevergeefs voorgedragen. De grieven 2 en 3 stuiten eveneens af op het voorgaande en behoeven geen afzonderlijke bespreking.

3.9.
Grief 4 betoogt dat een deskundige benoemd dient te worden omdat partijen van mening verschillen ten aanzien van de vraag wanneer de persoonlijkheidsstoornis zou zijn gediagnosticeerd. Omdat het moment van het stellen van de diagnose, gelet op het vorengaande, niet doorslaggevend is voor de beslissing op de vordering van [geïntimeerde] , is er geen reden om een deskundigenonderzoek te gelasten.

3.10.
Grief 5 houdt uitsluitend in dat de rechtbank de vorderingen van [geïntimeerde] ten onrechte heeft toegewezen en heeft geen zelfstandige betekenis.

3.11.
De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellante] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.ECLI:NL:GHAMS:2015:2956

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies