Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Amsterdam 260314 ass hanteert globale vragenlijst bij AOV en vraagt niet naar verleden: beroep op verzwijging gaat niet op

Rb Amsterdam 260314 ass hanteert globale vragenlijst bij AOV en vraagt niet naar verledenberoep op verzwijging gaat niet op

4 De beoordeling
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat op het polisblad geen aandoening, letsel of ziekte staat vermeld die van verzekering is uitgesloten. Tussen partijen is in geschil of de klachten als gevolg waarvan [eiser] arbeidsongeschikt is geworden reeds bestonden toen hij de verzekering afsloot en of [eiser] dit ten onrechte niet op het aanvraagformulier heeft gemeld. Op grond van artikel 7:928 lid 1 BW is een verzekeringnemer verplicht vóór het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar alle feiten mee te delen die hij kent of behoort te kennen, en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen.

4.2.
London stelt dat [eiser] in elk geval twee van de drie gestelde vragen op het aanvraagformulier met “ja” had moeten beantwoorden. Zij stelt voorts dat als [eiser] dat had gedaan, London aanvullende vragen zou hebben gesteld en dat zij de klachten van [eiser] vervolgens op het polisblad zou hebben vermeld als zijnde een van de verzekering uitgesloten aandoening, letsel of ziekte. Op grond van artikel 7:930 lid 4 BW is de verzekeraar geen uitkering verschuldigd indien zij bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten. Van die situatie is hier sprake, aldus London.

4.3.
[eiser] stelt dat hij nooit heeft getwijfeld over wat hij heeft ingevuld op de vrganelijst en dat hij de vragen correct en volledig heeft beantwoord. Naar zijn overtuiging leed hij niet aan een ziekte, aandoening of letsel en stond hij evenmin onder controle van een arts of specialist. Er is niet gevraagd of hij in het verleden een ziekte, aandoening of letsel heeft gehad. Evenmin is gevraagd naar bezoeken aan artsen in het verleden of naar medicijngebruik. Bovendien is pas na de aanvraag door [psycholoog] een persoonlijkheidsstoornis vastgesteld en dit is dus ook pas op dat moment aan [eiser] medegedeeld. [eiser] was derhalve ten tijde van het afsluiten van de verzekering niet bekend met een persoonlijkheidsstoornis, aldus nog steeds [eiser].

4.4.
De rechtbank volgt London niet in haar stelling dat [eiser] in de gegeven omstandigheden op de vragenlijst vragen met “ja” had moeten beantwoorden. Zij neemt daarbij in aanmerking de omstandigheid dat London er naar eigen zeggen voor heeft gekozen de vragen op de vragenlijst vrij algemeen te formuleren. Op grond van lid 6 van artikel 7:928 kan een verzekeraar, indien de verzekering is gesloten op de grondslag van een door de verzekeraar opgestelde vragenlijst, zich er niet op beroepen dat vragen niet zijn beantwoord of feiten waarnaar niet was gevraagd, niet zijn medegedeeld en evenmin dat een in algemene termen vervatte vraag onvolledig is beantwoord, tenzij is gehandeld met het opzet de verzekeraar te misleiden. Naar het oordeel van de rechtbank is van opzet tot misleiding van London bij [eiser] niet gebleken. Dat [eiser] bij de eerste schademelding heeft opgeschreven dat hij vanaf zijn jeugd kampt met klachten maakt dit niet anders, nu [eiser] ook onbetwist heeft gesteld dat hij de brief van [psychiater] aan zijn huisarts (zie hiervoor onder 2.2) niet vóór de verzekeringsaanvraag heeft gezien en de diagnose persoonlijkheidsstoornis pas in 2010 door [psycholoog] is gesteld. Dat bij het stellen van die diagnose door een medisch specialist is opgemerkt dat deze stoornis bij [eiser] al tientallen jaren aanwezig zou zijn, maakt naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat [eiser] de vragenlijst anders had dienen in te vullen. De rechtbank hecht daarbij ook waarde aan de onbetwist gebleven opmerking van [psycholoog] dat de klachten in geval van een persoonlijkheidsstoornis zodanig zijn verbonden met de persoonlijkheidsontwikkeling van een persoon, dat deze niet zonder meer als klachten worden ervaren, maar meer als onderdeel van de identiteit.

4.5.
Anders dan London stelt kan de omstandigheid dat [eiser] tien maanden voorafgaand aan de verzekeringsaanvraag een psychiater heeft gesproken, die na dat gesprek heeft geconcludeerd dat er geen indicatie is voor een psychiatrische behandeling, naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als “onder controle staan van een arts/specialist” zoals bedoeld in vraag 3 van het aanvraagformulier. Als London op de hoogte had willen zijn gebracht van dit gesprek, dan had het op haar weg gelegen haar vragenlijst anders in te kleden en bijvoorbeeld ook naar afspraken in het verleden te vragen. Nu London er voor heeft gekozen de vragenlijst globaal te houden met een “ja/nee” karakter, kan het [eiser] niet worden verweten dat hij bij de beantwoording van de vragen de eerdere bezoeken aan een psycholoog niet heeft vermeld.

4.6.
De rechtbank ziet geen aanleiding om een deskundige te benoemen om te onderzoeken of de arbeidsongeschiktheid van [eiser] is ontstaan, bevorderd of verergerd door een reeds voor het sluiten van de verzekering bestaande aandoening, letsel of ziekte. London heeft onvoldoende toegelicht hoe een deskundigenrapport van een psychiater in de gegeven omstandigheden tot een ander oordeel zou kunnen leiden wat betreft de vraag of [eiser] de vragenlijst anders had moeten invullen.

4.7.
Het voorgaande heeft tot gevolg dat het beroep van London op artikel 7:930 BW niet opgaat en de door [eiser] onder (i) gevorderde verklaring voor recht derhalve toewijsbaar is. Datzelfde geldt voor de vorderingen (ii) tot en met (iv), nu London, anders dan door te stellen dat [eiser] het aanvraagformulier niet naar waarheid heeft ingevuld, onvoldoende heeft betwist dat [eiser] recht heeft op uitkering onder de verzekering, zoals door [eiser] is gevorderd. Nu London verder geen gemotiveerde verweren heeft gevoerd tegen de vorderingen van [eiser], kunnen deze worden toegewezen als hierna te vermelden.

4.8.
Wat betreft het gevorderde bedrag van € 1.190,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, overweegt de rechtbank als volgt. [eiser] heeft gesteld buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en hij heeft vergoeding daarvan gevorderd. Voldaan dient te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. In dit geval is onvoldoende betwist dat aan dit vereiste is voldaan, zodat de rechtbank de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal toewijzen, inclusief de daarover gevorderde wettelijke rente, nu daartegen door London geen verweer is gevoerd. ECLI:NL:RBAMS:2014:1529

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies