Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Arnhem 210410 beeindiging aov ivm verzwijging, opname in register op juiste gronden

Rb Arnhem 210410 beeindiging aov ivm verzwijging, opname in register op juiste gronden
4.1.  Tussen partijen is in geschil of Ohra de arbeidsongeschiktheidsverzekering van [eiser] per direct heeft mogen beëindigen omdat [eiser] niet aan zijn mededelingsplicht heeft voldaan, door de vraag of hij aan huidaandoeningen lijdt of heeft geleden (zie r.o. 2.1) met “nee” te beantwoorden en bij de vraag of hij onder behandeling is (geweest) van een specialist (zie r.o. 2.3) geen melding te maken van zijn bezoeken aan de dermatoloog en plastisch chirurg in verband met de beoordeling en verwijdering van moedervlekken.

4.2.  De eerste vraag die moet worden beantwoord, is of [eiser] niet al bij het invullen van de gezondheidsverklaring op 8 mei 2007 (r.o. 2.1) anders had moeten antwoorden op de vraag of hij aan huidaandoeningen lijdt of heeft geleden. Naar het oordeel van de rechtbank luidt het antwoord op deze vraag ontkennend. Moedervlekken zijn immers niet zonder meer te beschouwen als “huidaandoeningen”. Bovendien had [eiser] toen hij deze gezondheidsverklaring invulde nog geen arts bezocht. Op 8 mei 2007 was dus geen sprake van schending van de mededelingsplicht.

4.3.  Vervolgens is de op 20 juni 2007 ingevulde vragenlijst (r.o. 2.3) aan de orde.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat hij aan zijn mededelingsplicht heeft voldaan, omdat er ten tijde van het invullen van de vragenlijst geen sprake was van “behandeling” als bedoeld in die vragenlijst, maar slechts van “diagnose en advies”. Volgens [eiser] heeft de term “behandeling” betrekking op “de situatie waarin iemand ziek is en iets moet doen om beter te worden”.
Ohra knoopt daarentegen aan bij de geneeskundige behandelingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:446 Burgerlijk Wetboek (BW) en stelt zich op het standpunt dat er sprake is van “behandeling” als bedoeld in de vragenlijst als men zich tot een arts wendt met een concrete medische vraag. Het kan daarbij ook gaan om het enkel raadplegen van een arts, aldus Ohra ter comparitie. Volgens Ohra was in het geval van [eiser] dus wel degelijk sprake van behandeling.

4.4.  Gezien de standpunten van partijen ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of [eiser] het begrip “behandeling” op de vragenlijst zo heeft mogen opvatten als hij heeft gedaan.
Bij de beantwoording van die vraag geldt als uitgangspunt dat een verzekeringnemer een hem door de verzekeraar voorgelegde vraag mag opvatten in de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht toekennen (zie onder meer HR 1 december 1995, NJ 1996, 707).

4.5.  De rechtbank is van oordeel dat [eiser] de vraag of hij “onder behandeling [is] (geweest) van een specialist” niet heeft mogen opvatten in de beperkte zin die hij daaraan heeft toegekend. Daartoe overweegt zij het volgende.
[eiser] heeft vóór het invullen van de vragenlijst zijn huisarts bezocht om naar de moedervlekken te laten kijken. Of dit consult al dan niet was ingegeven door ongerustheid en of [eiser] met betrekking tot de moedervlekken al dan niet klachten ondervond, hetgeen hij betwist, doet niet ter zake. Feit is dat de huisarts aanleiding heeft gezien om [eiser] door te verwijzen naar een dermatoloog en dat de dermatoloog [eiser] vervolgens heeft doorverwezen naar een plastisch chirurg. Deze gang van zaken duidt er op zijn minst op dat de betreffende medici rekening hielden met de mogelijkheid dat er iets niet in orde zou zijn met de moedervlekken. De omstandigheid dat dit na de verwijdering van de moedervlekken deels het geval bleek te zijn, is in dit kader niet relevant. Dat ten tijde van het invullen van de vragenlijst de verwijdering van de moedervlekken nog niet had plaatsgevonden en mogelijk zelfs – daarover verschillen partijen van mening – nog niet eens ter sprake was geweest, zodat ook nog niet bekend was óf de moedervlekken wel of niet kwaadaardig waren, doet evenmin ter zake. Doorslaggevend is dat het niet is gebleven bij een enkel oriënterend consult bij de huisarts, maar dat [eiser] is doorverwezen naar en nader is onderzocht door de dermatoloog en de plastisch chirurg.
Gelet hierop is de betekenis die [eiser] heeft toegekend aan het begrip “behandeling” naar het oordeel van de rechtbank te beperkt. De door de rechtbank voorgestane ruimere uitleg van het begrip behandeling sluit, gelet op [eiser]s bezoek aan de huisarts op 14 mei 2007 en diens doorverwijzing naar de dermatoloog alwaar op 24 mei 2007 een consult plaatsvindt, ook aan bij de ruime definitie van de geneeskundige behandelingsovereenkomst (artikel 7:446 lid 1 BW) en bij hetgeen daarin wordt verstaan onder handelingen op het gebied van de geneeskunst (artikel 7:446 lid 2 BW). [eiser] had dan ook op de vragenlijst melding moeten maken van zijn bezoeken aan de dermatoloog en de plastisch chirurg.

4.6.  Gezien het voorgaande is het verweer van Ohra, dat [eiser] niet heeft voldaan aan zijn mededelingsplicht, gegrond.

4.7.  Om de verzekeringsovereenkomst wegens schending van de mededelingsplicht te kunnen beëindigen, is ingevolge artikel 7:929 lid 2 BW voorts vereist dat de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken de verzekering niet zou hebben gesloten.
Ohra stelt zich op het standpunt dat van die situatie sprake is. [eiser] voert daartegen aan dat hij dit betwijfelt. Hij brengt in dit verband naar voren dat uit het onderzoek door de dermatoloog en de plastisch chirurg niet is gebleken van een ziekte en dat de kwaadaardigheid van één van de twee moedervlekken pas is ontdekt op 6 november 2007. Naar het oordeel van de rechtbank echter is de uiteindelijke uitslag van het onderzoek naar de verwijderde moedervlekken in dit verband niet van belang. Waar het om gaat, is dat [eiser] is doorverwezen en dat de mogelijkheid bestond dat de moedervlekken kwaadaardig zouden blijken te zijn. Ohra heeft voldoende gemotiveerd aangevoerd dat tijdige bekendheid met deze omstandigheden voor haar reden zou zijn geweest om de verzekering niet – of niet onder dezelfde voorwaarden – aan te gaan. Het standpunt van [eiser] wordt daarom als onvoldoende concreet onderbouwd gepasseerd.

4.8.  Het voorgaande brengt met zich mee dat Ohra de verzekeringsovereenkomst op grond van artikel 7:929 lid 2 BW per direct heeft mogen beëindigen. De vordering van [eiser] tot nakoming van de verzekeringsovereenkomst moet om die reden worden afgewezen. Voor zover het gestelde onder 27 in de dagvaarding kwalificeert als een bewijsaanbod wordt dit gepasseerd, omdat geen concrete feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die aan het voorgaande kunnen afdoen.

4.9.  Nu [eiser] gezien het voorgaande niet aan zijn mededelingsplicht heeft voldaan en Ohra op goede gronden de overeenkomst heeft beëindigd, is de registratie van [eiser] in het incidentenregister eveneens op juiste gronden verricht. Ook de vordering tot het verwijderen en verwijderd houden van [eiser] uit het incidentenregister of een soortgelijk register moet daarom worden afgewezen.

LJN BM2054

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies