Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Noord-NL 241214 AOV; schending mededelingsplicht door nekklachten na rugby-ongeval niet te vermelden op gezondheidsverklaring

Rb Noord-NL 241214 AOV; schending mededelingsplicht door nekklachten na rugby-ongeval niet te vermelden op gezondheidsverklaring

4 De beoordeling

4.1.
Tussen partijen is in de kern genomen in geschil of Frontwood haar mededelingsplicht heeft geschonden door bij het aangaan van de arbeidsongeschiktheidsverzekering met Achmea, geen melding te maken van het rugby ongeval van [A] op 10 april 2005 en de daaruit voortvloeiende nekklachten van [A]. Ook is tussen partijen in geschil welke gevolgen een schending van de mededelingsplicht heeft op het recht op uitkering en/of het bestaan van de verzekeringsovereenkomst.

4.2.
De vraag of Frontwood haar mededelingsplicht heeft geschonden dient -gelet op de omstandigheid dat de verzekeringsovereenkomst voor 1 januari 2006 is gesloten- op grond van de Overgangswet (artikel 221 Ow NBW) te worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in artikel 251 van het oude Wetboek van Koophandel (hierna: 251 K oud). De rechtsgevolgen van de in artikel 251 K oud geregelde verzwijging dienen op grond van artikel 221 lid 2 Ow NBW te worden beoordeeld aan de hand van de artikelen 7:929 en 7:930 BW.

4.3.
Voor het antwoord op de vraag of Frontwood haar mededelingsplicht heeft geschonden is op grond van artikel 251 K oud vereist dat de verzekeraar stelt -en bij gemotiveerde betwisting, bewijst- dat de verzekerde heeft nagelaten feiten waarmee hij bekend was of behoorde te zijn, aan de verzekeraar mee te delen (het zogenoemde kennisvereiste). Het gaat in dit verband om feiten waarvan de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja op welke voorwaarden hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen (het zogenoemde relevantievereiste). De mededelingsplicht beperkt zich tot feiten waarvan de verzekerde wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat zij voor de verzekeraar van belang zijn of kunnen zijn (het kenbaarheidsvereiste, vgl. ECLI:NL:HR:1978:AB7476) en de verzekeraar kan zich niet beroepen op niet-mededeling van feiten die hij al kende of behoorde te kennen (het verschoonbaarheidsvereiste, vgl. ECLI:NL:HR:1966:AC4621).

4.4.
De verzekering is in het voorliggende geval tot stand gekomen op basis van een door [A] als kandidaat-verzekerde ingevuld en ondertekend aanvraagformulier met een daarbij behorende gezondheidsverklaring. Over verzekeringsovereenkomsten die via vragenlijsten zijn afgesloten heeft de Hoge Raad in haar arrest van 20 december 1996 geoordeeld (ECLI:NL:HR:1996:ZC2235, r.o. 3.7): " In zodanig geval dient bij de beoordeling van de vraag of de verzekeraar een beroep op de vernietigingsgrond van art. 251 toekomt, het volgende tot uitgangspunt te worden genomen:
1. De verzekeringnemer mag een hem door de verzekeraar voorgelegde vraag opvatten naar de zin die de verzekeringnemer daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mag toekennen (aldus laatstelijk HR 13 september 1996, RvdW 1996, 171C(NJ 1997, 637;red.), rov.3.3.3, eerste alinea).
2. De verzekeraar kan zich er niet op beroepen dat feiten waarnaar niet was gevraagd, niet zijn medegedeeld, tenzij is gehandeld met het opzet de verzekeraar te misleiden (zie art. 7.17.1.4 lid 6 Ont. BW, dat blijkens de MvT (kamerstukken II 1985/86, 19 529, nr. 3 blz.9) voortbouwt op HR 18 december 1981, NJ 1982,570)."

4.5.
In de Memorie van Toelichting zoals hiervoor genoemd (kamerstukken II 1985-1986, 19 529, nr.3 blz. 9) staat het volgende:
"Indien de verzekering wordt gesloten op de grondslag van een door de verzekeraar opgestelde vragenlijst, zoals gebruikelijk voor niet ter beurze gesloten verzekeringen, geeft hij daarmee te kennen dat die feiten voor hem van belang zijn, maar de lijst suggereert ook dat andere feiten hem niet interesseren. Hetzelfde geldt indien een vraag door de nemer niet wordt beantwoord en de verzekeraar desondanks de verzekering sluit. De toevoeging aan de vragenlijst van een in algemene termen luidende slotvraag: <Hebt u nog andere feiten mede te delen?> (of iets dergelijks) neemt die suggestie niet weg.
Lid 6 houdt in dat de aspirant-verzekeringnemer bij gebruik van een vragenlijst in beginsel alleen met concrete vragen heeft te maken en dat de verzekeraar er zich achteraf ook niet op mag beroepen dat zulke vragen onbeantwoord zijn gebleven. Dit lijdt alleen uitzondering indien is gehandeld met het opzet de verzekeraar te misleiden."

4.6.
Tussen partijen is in geschil of Frontwood het rugby ongeval van [A] op 10 april 2005, het bezoek aan de SEH en de nekklachten waarvoor [A] op 10 april 2005 is behandeld had moeten melden bij -onder meer- de vragen 6-J en/of 6-O en/of 8 van de gezondheidsverklaring. Dit betreft de vraag of [A] lijdende is of is geweest aan aandoeningen van gewrichten, ledematen, spieren, zenuwen, acute of chronische reuma, de vraag of [A] lijdende is of is geweest aan een aandoening, gebrek of ziekte niet genoemd in de lijst bij vraag 6 en de vraag of [A] nog iets heeft mee te delen wat voor de beoordeling van de acceptatie van het risico van belang kan zijn. Partijen twisten of die vragen een (spontane) mededelingsplicht van Frontwood in het leven roepen, mede in het licht van de vier vereisten voor schending van de mededelingsplicht, zoals genoemd onder rechtsoverweging 4.3, te weten het kennisvereiste, het relevantievereiste, het kenbaarheidsvereiste en het verschoonbaarheidsvereiste.

4.7.
Voor het antwoord op de vraag wat Frontwood had moeten melden acht de rechtbank in de eerste plaats van belang dat uit de brief van neuroloog dr. H.L. Hamburger van 16 juni 2005, zoals weergegeven onder het kopje feiten onder rechtsoverweging 2.13, kan worden afgeleid dat [A] op 10 april 2005 een nek/hoofdtrauma heeft opgelopen, dat [A] direct na het trauma enkele seconden geen gevoel in armen en benen had, dat Lemper sinds het trauma nek- en schouderklachten heeft ervaren en dat de klachten progressief zijn. Ook kan uit de brief van orthopedisch chirurg Schuman van 14 juni 2005, zoals weergegeven onder rechtsoverweging 2.12, worden afgeleid dat [A] op 13 juni 2005 "voor de laatste maal" door de orthopedisch chirurg werd gezien, dat de pijn van [A] weliswaar was afgenomen, maar [A] toenemend last kreeg van tintelingen in handen en voeten. De rechtbank begrijpt de brief van de orthopedisch chirurg aldus dat de afname van de pijn ziet op de nekklachten, die tot 13 juni 2005 kennelijk nog aanwezig waren.

4.8.
Frontwood heeft de inhoud van voornoemde verklaringen van de behandelend neuroloog en orthopedisch chirurg van [A] onvoldoende gemotiveerd weersproken. De verklaring van de medisch adviseur van Frontwood dat er sprake was van een spierblessure met afnemende klachten, zoals weergegeven on het kopje feiten in rechtsoverweging 2.20. acht de rechtbank een onvoldoende adequate betwisting van de verklaringen van zowel de orthopedisch chirurg als de neuroloog dat er sinds het rugby-ongeval sprake is (geweest) van pijnklachten in de vorm van nek- en schouderklachten, in ieder geval tot aan 13 juni 2005. Voor zover de tintelingen in handen en voeten, die volgens Frontwood pas na de aanvraag van de arbeidsongeschiktheidsverzekering zijn ontstaan, als nieuwe en andersoortige klachten zouden moeten worden aangemerkt, doet die omstandigheid niet af aan de constateringen van de neuroloog en orthopedisch chirurg ten aanzien van het nek/hoofdtrauma en de nek- en schouderklachten. Om die reden zal de rechtbank de stelling van [A] dat hij ten tijde van het invullen van het aanvraagformulier en de gezondheidsverklaring klachtenvrij was, als onvoldoende adequaat onderbouwd passeren. De enkele omstandigheid dat [A] op 1 mei 2005 aan een tenniswedstrijd zou hebben deelgenomen -dit wordt betwist door Achmea- leidt, zonder nadere toelichting die Frontwood niet heeft gegeven, evenmin tot de conclusie dat [A] klachtenvrij was. Het vorenstaande brengt met zich dat de rechtbank er vanuit gaat dat [A] bekend was met het nek/hoofdtrauma en met de daaruit voortvloeiende nek- en schouderklachten, zodat aan het kennisvereiste is voldaan.

4.9.
In de tweede plaats acht de rechtbank voor de vraag wat Frontwood had moeten melden van belang dat in de bij de gezondheidsverklaring gegeven toelichting, zoals weergegeven onder het kopje feiten onder rechtsoverweging 2.11, duidelijk wordt aangegeven wat er door een verzekeringnemer moet worden meegedeeld. Zo wordt als voorbeeld gegeven dat het raadplegen van een huisarts moet worden gemeld, ook als de huisarts na onderzoek geen afwijkingen heeft kunnen vaststellen. Ook wordt uitdrukkelijk gewezen op het belang van het verschaffen van volledige en juiste informatie voor de risicobeoordeling en op het feit dat het om informatie kan gaan die in de ogen van de verzekeringnemer onbelangrijk is of waarvan melding in de ogen van de verzekeringnemer overdreven zou zijn.

4.10.
Gelet op het vorenstaande en op de ernst van het rugby-incident, het daarbij opgelopen nek/hoofdtrauma en de nadien ervaren nekklachten, had Frontwood moeten begrijpen dat die omstandigheden voor Achmea van belang zouden kunnen zijn in het kader van de beoordeling van de aangevraagde arbeidsongeschiktheidsverzekering. De gebeurtenissen hadden kort voor het invullen van de vragenlijsten plaatsgevonden en in voornoemde toelichting bij de gezondheidsverklaring wordt duidelijk aangegeven dat ook indien er (in het voorbeeld door een huisarts) geen afwijkingen kunnen worden vastgesteld, er toch een meldingsplicht geldt. Dat er op de röntgenfoto's en de CT-scan geen fractuur was te zien doet dus niet af aan de meldingsplicht van het nek/hoofdtrauma en de nekklachten. De stelling van [A] dat hij er niet vanuit ging dat de nekklachten Achmea zouden interesseren, kan [A] niet baten. In de toelichting wordt immers expliciet aangegeven dat het juist om informatie kan gaan die in de ogen van de verzekeringnemer onbelangrijk is of waarvan melding in de ogen van de verzekeringnemer overdreven zou zijn. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat ook aan het kenbaarheidsvereiste is voldaan.

4.11.
Met inachtneming van voornoemde maatstaf van de Hoge Raad ziet de rechtbank zich vervolgens -voor wat betreft het verschoonbaarheidsvereiste- gesteld voor de vraag of Achmea de niet door [A] gemelde feiten had behoren te kennen doordat zij expliciet naar een nek/hoofdtrauma of nekklachten had moeten vragen en of de omstandigheid dat Achmea die vragen niet expliciet heeft gesteld voor rekening en risico van Achmea dient te komen. In vraag 6-J wordt de kandidaat-verzekerde onder meer gevraagd of hij lijdende is of is geweest aan aandoeningen van gewrichten, ledematen, spieren of zenuwen en in vraag 6-O wordt specifiek gevraagd naar een aandoening, gebrek of ziekte niet genoemd in de lijst bij vraag 6. De rechtbank is van oordeel dat het nek/hoofdtrauma en de nekklachten zijn te kwalificeren als aandoeningen van gewrichten of spieren. Voor zover daarover twijfel bestond bij [A] had hij het nek/hoofdtrauma en de nekklachten in ieder geval dienen te melden bij vraag 6-O. Voor zover [A] eraan twijfelde of voornoemde klachten kwalificeerden als een 'aandoening, gebrek of ziekte', blijkt uit de toelichting "Als uw gezondheidstoestand ooit aanleiding heeft gegeven tot bepaalde klachten dient u de aard daarvan te melden." Gelet op de inhoud van voornoemde vragen, in samenhang met de toelichting, is de rechtbank van oordeel dat Achmea aan haar zorgplicht heeft voldaan. De omstandigheid dat er noch in vraag 6-J, noch in vraag 6-O specifiek naar een nek/hoofdtrauma of nekklachten wordt gevraagd, doet daar niet aan af. De toelichting is voor een ieder duidelijk en voor [A] in het bijzonder. [A] was immers werkzaam voor de in de betreffende arbeidsongeschiktheidsverzekering gespecialiseerde assurantietussenpersoon. Aldus is ook aan het verschoonbaarheidsvereiste voldaan.

4.12.
De tekst van de toelichting bij de gezondheidsverklaring brengt eveneens met zich dat [A] had behoren te begrijpen dat het nek/hoofdtrauma ten gevolge van het rugby ongeval op 10 april 2005, het bezoek aan de SEH en de nekklachten van beslissend belang zouden kunnen zijn voor de beoordeling van het risico, zoals genoemd in vraag 8. Dat [A] op dat moment geen exacte kennis had van het acceptatiebeleid en de risico-inschatting van Achmea, doet daar niet aan af. De toelichting bij de gezondheidsverklaring in combinatie met de onder 8 van de gezondheidsverklaring gestelde vraag brengen in de gegeven omstandigheden een meldingsplicht van [A] als kandidaat-verzekerde van Frontwood met zich. Het vorenstaande brengt met zich dat eveneens aan het relevantievereiste is voldaan.

4.13.
De rechtbank is daarom van oordeel dat Frontwood haar mededelingsplicht bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst heeft geschonden. Partijen twisten vervolgens over de vraag welke gevolgen aan die schending moeten worden verbonden.

4.14.
Op grond van artikel 7:930 lid 4 BW vervalt het recht op uitkering, indien de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken de verzekering in het geheel niet zou hebben gesloten. Bij beantwoording van de vraag of daarvan sprake is, is de te hanteren norm of een redelijk handelend verzekeraar de verzekering in de gegeven omstandigheden niet zou hebben gesloten.

4.15.
Achmea heeft adequaat onderbouwd dat zij bij bekendheid met voornoemde feiten nader onderzoek had willen verrichten naar de pijnklachten ten gevolge van het rugby ongeval, zodat de polis niet per 1 juni 2005 tot stand zou zijn gekomen. De medisch adviseur van Achmea heeft in dit verband bij brief van 15 april 2011, zoals weergegeven onder het kopje feiten in rechtsoverweging 2.19, geschreven dat hij in geval van bekendheid met de feiten zou hebben geweten dat er ten tijde van de aanvraag van de arbeidsongeschiktheidsverzekering sprake was van actuele, dan wel zeer recente klachten. De medisch adviseur wijst in dit verband op de kortdurende ernstige klachten op 10 april 2005 en op de 13 juni 2005 nog steeds bestaande pijnklachten, zoals volgens de medisch adviseur uit de brieven van de orthopedisch chirurg en de neuroloog kan worden afgeleid.
De medisch adviseur heeft verder geschreven dat die klachten in ieder geval aanleiding zouden zijn geweest om nadere informatie op te vragen en nader onderzoek te doen. Op het moment dat [A] dan bij de keuring was gekomen, zou zijn gebleken dat er sprake was van toenemende tintelingen in handen en voeten. Dit zou volgens de medisch adviseur van Achmea op dat moment tot afwijzing van de verzekering hebben geleid. Er kon immers nog geen precieze diagnose worden vastgesteld.

4.16.
Frontwood betwist een en ander onder verwijzing naar het rapport van haar medisch adviseur van 8 november 2010, zoals weergegeven onder het kopje feiten in rechtsoverweging 2.20. De medisch adviseur van Frontwood concludeert dat Achmea bij bekendheid met de feiten enkel te horen had gekregen dat er zowel op de CT-scan als de halswervelfoto geen duidelijke afwijkingen waren geconstateerd, dat er bij het lichamelijk onderzoek geen bijzonderheden waren gevonden en dat de klachten alweer waren afgenomen. Zoals hiervoor al overwogen in rechtsoverweging 4.8. heeft Frontwood de verklaringen van de orthopedisch chirurg en de neuroloog inhoudelijk onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat de rechtbank er vanuit gaat dat [A] op 17 mei 2005, ten tijde van de aanvraag van de arbeidsongeschiktheidsverzekering, nog last had van nek- en schouderklachten. Ook is onweersproken gesteld dat de -in ieder geval op 13 juni 2005- ervaren tintelingen in handen en voeten op dat moment progressief waren.

4.17.
Dat een redelijk handelend verzekeraar bij bekendheid met de hiervoor genoemde, elkaar opvolgende klachten sinds het rugby ongeval, te weten een kortstondige uitval van armen en benen, een nek/hoofdtrauma en nek-en schouderklachten, zich eerst een beeld zal willen vormen van die klachten gelet op de potentiële risico's voor de arbeidsongeschiktheid, is naar het oordeel van de rechtbank ontoereikend weersproken door Frontwood. Daarmee is voldoende komen vast te staan dat de overeenkomst op 1 juni 2005 nog niet zou zijn gesloten en dat dit in redelijkheid ook niet van Achmea kon worden gevergd. Onweersproken is gesteld dat de -in ieder geval op 13 juni 2005- ervaren tintelingen in handen en voeten op dat moment progressief waren. Ook is onweersproken gesteld dat de aard, ernst en complexiteit van de sinds het rugby incident ervaren klachten een onzekerheid omtrent de precieze diagnose met zich brengt. Een nader onderzoek naar de klachten lag dan ook in de rede. Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat Achmea in die situatie niet als een redelijk handelend verzekeraar zou hebben gehandeld. Een en ander brengt met zich dat als vaststaand wordt aangenomen dat Achmea de verzekeringsovereenkomst niet zou hebben gesloten.

4.18.
Het voorgaande betekent dat Achmea op grond van artikel 7:930 lid 4 BW geen uitkering aan Frontwood is verschuldigd. De vraag of de niet of onjuist meegedeelde feiten van geen belang zijn voor de beoordeling van het risico zoals dit zich uiteindelijk heeft verwezenlijkt (artikel 7:930 lid 2 BW) behoeft om die reden geen bespreking meer. Dat de gevolgen van de opzegging en de weigering van de uitkering voor [A] onevenredig zwaar zijn, is onvoldoende om te oordelen dat Achmea zich naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet op schending van de mededelingsplicht en het bepaalde in artikel 7:930 lid 4 BW mag beroepen.

4.19.
De vorderingen van Frontwood zullen om die reden worden afgewezen, zodat de overige stellingen van Frontwood geen bespreking meer behoeven. ECLI:NL:RBNNE:2014:6589

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies