Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Utrecht 171012 fietser voor 75 % aansprakelijk voor aanrijding met voetganger (promilage 2,7) in onoverzichtelijke bocht

Rb Utrecht 171012 fietser voor 75 % aansprakelijk voor aanrijding met voetganger (promilage 2,7) in onoverzichtelijke bocht.
- kosten 21,23 x € 245,-- + 5% + 19% + € 267,-- x 75 % vanwege eigen schuld = € 5.074,57.
4.  De beoordeling 


4.1.  [verzoeker] heeft het verzoek gebaseerd op de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade (artikel 1019w tot 1019cc Rv). 

4.2.  Indien een persoon een ander aansprakelijk houdt voor schade die hij lijdt door dood of letsel kan op grond van artikel 1019w lid 1 Rv de rechter worden verzocht te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Gezien het bepaalde in artikel 1019z Rv wordt het verzoek afgewezen voor zover de verzochte beslissing onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. 

4.3.  Hetgeen partijen verdeeld houdt is de vraag of [fietser] volledig aansprakelijk is voor het [verzoeker] overkomen ongeval en ASR de door [verzoeker] geleden schade volledig dient te vergoeden of dat er sprake is van eigen schuld van [verzoeker] op grond waarvan de schadevergoedingsplicht van [fietser]/ASR moet worden verminderd of zelfs komt te vervallen. Beantwoording van deze vraag kan naar het oordeel van de rechtbank bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst en daarmee aan de verdere schadeafwikkeling. 

Aansprakelijkheid en eigen schuld 
4.4.  Vooropgesteld wordt het volgende. Ingevolge artikel 3 RVV gold voor [fietser] dat hij als bestuurder (van een fiets) gehouden was zoveel mogelijk rechts te houden. Voor [verzoeker] als voetganger gold ingevolge artikel 4 RVV dat hij gehouden was de berm of de uiterste zijde van de rijbaan te gebruiken. Voor voetgangers bestaat niet (meer) een verplichting links te lopen. Zij dienen zelf te beoordelen wat de veiligste kant van de weg is. 
Vaststaat dat [fietser] voor hem uiterst rechts op de weg reed. Tegenover de politie heeft hij het volgende verklaard: 

“Ik weet zeker dat ik extreem rechts op de weg fietste. Toen ik door de binnenbocht fietste voelde ik tegen de rechterzijde van mijn jas de takken van de heg.” 

[verzoeker] liep aan de voor hem uiterst linkerzijde van de weg. Niet alleen heeft ASR hierop (onbetwist) gewezen, dit wordt eveneens ondersteund door de tegenover de politie afgelegde verklaring van getuige [getuige] die achter [verzoeker] fietste: 

“Links voor mij zag ik een jongen uiterst links van de weg lopen.” 

Voor zowel [verzoeker] als [fietser] gold dat zij een tamelijk haakse bocht naderden en door de aanwezigheid van de heg geen zicht hadden op wie of wat zich na de bocht bevond. Mede in het licht van artikel 5 Wvw - waarin een algemeen verbod is opgenomen zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd - kon van beiden aanpassing van hun gedrag en/of plaats op de weg worden verlangd. Deze verplichting gold in het bijzonder voor [fietser]. Hij is degene die de bocht (naar rechts) heeft genomen, terwijl [verzoeker] zich nog vlak vóór de bocht bevond. Ook rustte op [fietser] (als bestuurder) ingevolge artikel 19 RVV de verplichting zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [fietser] aan deze verplichtingen onvoldoende uitvoering gegeven.    In de eerste plaats kan uit de door [verzoeker] overgelegde verklaringen van [fietser] tegenover de politie worden opgemaakt dat [verzoeker] hard fietste: 
“Ik moest de trein van 7.33 uur halen en ik had haast. (…) Ik fietste geheel aan de rechterzijde van de weg en ik fietste hard. U vraagt mij hoe hard ik fietste, daar kan ik u geen antwoord op geven. Ik trapte goed door. Het was al licht buiten. Ik sloeg met een harde vaart door de bocht en zag opeens een voetganger voor mij lopen. (…) Ik zag dat hij zo dicht voor mij liep dat ik binnen een halve seconde tegen de man aan reed. Ik had nog een vaart, maar remde onmiddellijk. (…) Ik heb niet gezien hoe de man is gevallen, dit kwam door mijn vaart. (…) Als ik niet zo hard had gefietst had ik de man misschien niet geraakt.” 
Weliswaar heeft ASR erop gewezen dat uit deze verklaring, die volgens haar mede was ingegeven door een sterk gevoel van verantwoordelijkheid, niet blijkt dat [fietser] ‘te hard’ fietste, daaruit kan ook niet worden afgeleid dat [fietser] voor of bij het nemen van de bocht voldoende snelheid heeft geminderd. Dit had wel van hem verwacht mogen worden vanwege de onoverzichtelijkheid van de bocht en [fietser] zich daarvan bewust was, althans moet zijn geweest. Hij bevond zich vaker op deze weg. Dat [fietser] wel in de (in de buitenbocht geplaatste) spiegel heeft gekeken en geen tegenliggers zag, maakt dit niet anders, te meer nu [fietser] tegenover de politie verklaard heeft dat het zicht in deze spiegel nooit duidelijk is. Ook in de door ASR overgelegde rapportage van Ongevallen Analyse Nederland wordt gemeld dat de spiegel slecht zicht gaf (ingedeukt en slecht afgesteld), hetgeen - bij gebreke van aanwijzingen in tegengestelde richting - kennelijk ook het geval was ten tijde van het ongeval.    In de tweede plaats heeft [fietser] een korte bocht naar rechts gemaakt; hij reed vrijwel tegen de heg aan. Vanwege het ontbreken van het zicht, de plaats waar voetgangers zich op de weg moeten bevinden (de berm of uiterste zijde) en zich vanwege het lommerrijke karakter van de weg ook konden bevinden, had [fietser] de bocht ruimer moeten (en kunnen) nemen. [fietser] had dan eerder kunnen zien dat [verzoeker] zich (vanuit de richting van [fietser] gezien) vlak na de bocht bevond en had (ook bij een verminderde snelheid) meer tijd gehad op diens aanwezigheid te anticiperen. 
4.5.  Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [fietser] onrechtmatig jegens [verzoeker] heeft gehandeld (vanwege overtreding van een wettelijke norm en/of vanwege schending van de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm), hetgeen hem te verwijten valt en waardoor [verzoeker] (in ieder geval letsel) schade heeft geleden. 
Ten aanzien van de vraag of [verzoeker] ook zelf heeft bijgedragen aan het ontstaan van de botsing en daarmee aan het ontstaan van de schade, met andere woorden of [verzoeker] eigen schuld heeft (artikel 6:101 BW), overweegt de rechtbank dat dit inderdaad het geval is, maar niet in de mate die ASR heeft bepleit. 
Het was [verzoeker] in beginsel toegestaan links van de weg te lopen en dan ook uiterst links zoals hij heeft gedaan. Nabij de onoverzichtelijke (binnen)bocht had van hem echter verwacht mogen worden zijn plaats op de weg aan te passen. Indien [verzoeker] aldaar rechts op/van de weg was gaan lopen, was hij zichtbaar geweest voor zowel achteropkomend als tegemoetkomend verkeer. Daarbij komt dat [verzoeker] donkere kleding droeg en het vroeg in de ochtend in een wintermaand was. 
De rechtbank komt tot een percentage eigen schuld van 25%. De omstandigheid dat [verzoeker] zich met alcohol op op de openbare weg heeft begeven, heeft hierbij geen zelfstandige waarde. Ook los daarvan geldt dat [verzoeker] zich nabij de bocht aan de rechterzijde van de weg had moeten begeven. Dit geldt te meer nu [verzoeker] heeft verklaard op de betreffende weg altijd in de binnenbocht te lopen, omdat dat het snelst is. Daarnaast is niet, althans onvoldoende, aannemelijk geworden dat bij het niet nuttigen van alcohol [verzoeker] adequater op de aanwezigheid van [fietser] had kunnen reageren. [fietser] zelf heeft immers tegenover de politie verklaard dat hij in/na de binnenbocht binnen een halve seconde tegen [verzoeker] aanreed en getuige [getuige] heeft het volgende verklaard: 

“Op hetzelfde moment dat die fietser de bocht om kwam, zagen hij en die uiterst links lopende jongen elkaar. Ik kon dat afleiden uit het feit dat beiden zichtbaar van elkaars aanwezigheid - i.c. nadering - schrokken en daar nog op probeerden te anticiperen. Ik zag namelijk zowel die jongen als die fietser heel even lichamelijk reageren op een manier die ik uitleg als: “Ga ik naar links of naar rechts? Maar er viel niets meer te anticiperen. Op vrijwel hetzelfde moment dat zij elkaar zagen en reageerden als omschreven, knalde de fietser ook al frontaal tegen die lopende jongen aan.” 

De rechtbank ziet echter geen aanleiding nog een billijkheidscorrectie ten gunste van [verzoeker] toe te passen. Voor ASR resteert dan ook een schadevergoedingsplicht van 75% ten aanzien van de door [verzoeker] geleden en te lijden schade. 

Voorschot schadevergoeding 
4.6.  [verzoeker] heeft een voorschot van € 10.000,-- gevorderd ter zake van de door hem geleden en te lijden schade. Hoeveel de totaal door hem geleden en te lijden schade bedraagt en hoe deze schade is opgebouwd (diverse schadeposten), heeft [verzoeker] echter niet concreet onderbouwd. Aanvankelijk heeft [verzoeker] in deze procedure ook verzocht om verwijzing naar een schadestaatprocedure, maar dit verzoek heeft hij (in verband met het karakter van deze procedure) later ingetrokken. ASR heeft vanwege pre-existente (psychische) klachten (persoonlijkheidsstoornissen en alcoholabusis) van [verzoeker] het causaal verband tussen het ongeval en de door [verzoeker] geleden schade weersproken en in dat verband om meer medische gegevens verzocht. Voorts heeft zij het bestaan van geleden en te lijden schade weersproken (onder meer met verwijzing naar een beperking van het smartengeld vanwege het alcoholgebruik en een op [verzoeker] rustende schadebeperkingsplicht). Hoewel dit debat door partijen nog verder moet worden voortgezet, is de rechtbank van oordeel dat in de gegeven omstandigheden wel ruimte is voor een voorschot. Voldoende aannemelijk is dat dit bedrag in een eventuele bodemprocedure aan [verzoeker] bij wijze van schadevergoeding zal worden toegewezen. 
In de eerste plaats is bij [verzoeker] na het ongeval onder meer hersenkneuzing/ zwelling in de linker hersenhelft en een schedelbasisfractuur geconstateerd en heeft hij enkele maanden moeten revalideren. In de tweede plaats blijkt voorts uit de door [verzoeker] overgelegde rapporten van medisch deskundigen dat de mentale belastbaarheid van [verzoeker] na het ongeval is verminderd, mede omdat hij sindsdien met slaapproblemen kampt vanwege een verstoorde melatonine-aanmaak. De revalidatiearts A.G Oudenaarden spreekt in zijn brief van 20 januari 2010 van klachten ‘passend bij surmenage niet aangeboren hersenletsel’. Daarnaast blijkt uit de brief van de bedrijfsarts (R.G.P.M. van Kruysbergen) van 15 augustus 2011 van langdurig en blijvend letsel als gevolg van het ongeval (moeite met werkdruk, tempodwang, concentratieproblemen). Uit deze brief blijkt in de derde plaats ook, zoals ook [verzoeker] heeft gesteld, dat [verzoeker] begin 2011 zijn baan bij [bedrijf] is kwijtgeraakt vanwege het verstrijken een ziektetermijn van twee jaar. De laatste maanden bij zijn eigen werkgever verrichtte [verzoeker] vier uur per dag aangepaste werkzaamheden en werkte hij op vaste tijden in plaats van, zoals voorheen, in ploegendiensten (en werd met behulp van een reïntegratiebedrijf gezocht naar ander passend werk). De arbeidsdeskundige F.M. Mulder heeft op 1 juli 2011 (ten behoeve van een WIA-uitkering) het arbeidsongeschiktheidspercentage van [verzoeker] - ten opzichte van het werk dat hij deed voordat hij ziek werd en dat hij thans niet meer kan verrichten - vastgesteld op 63,73%, waarbij het aanvankelijk geïndexeerde uurloon van € 18,31 is verlaagd naar een verdiencapaciteit van € 6,64 per uur. In deze procedure is niet aannemelijk geworden dat - wat er zij van de pre-existente klachten van [verzoeker] - zonder het ongeval thans ook (al) sprake zou zijn geweest van deze arbeidsbeperking van [verzoeker] of het verlies van zijn baan in 2011. ASR heeft weliswaar gewezen op het oordeel van UWV-verzekeringsarts J.W. van Zadelhoff d.d. 12 mei 2011 die van mening is dat [verzoeker] ook zonder ongeval psychisch zou zijn gedecompenseerd, maar ook Van Zadelhoff heeft erop gewezen dat het ongeval zeker een en ander heeft bespoedigd. 
Op grond van het voorgaande, alsmede in verband met het hiervoor vastgestelde percentage eigen schuld, ziet de rechtbank aanleiding het aan [verzoeker] toewijsbare voorschot te beperken tot € 6.000,--, als zijnde schade als gevolg van het ongeval waarvoor aansprakelijkheid bestaat en die aan [fietser]/ASR kan worden toegerekend. 

Kosten deelgeschil 
4.7.  De rechtbank dient op grond van artikel 1019aa Rv de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van [verzoeker] te begroten en dient daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen. Ook deze kosten, die in beginsel volledig voor vergoeding in aanmerking komen, dienen aldus te voldoen aan de hiervoor vermelde dubbele redelijkheidstoets (vergelijk TK 2007-2007, 31518, nr. 3 MvT, p. 12-13 en 18-19; HR 11 juli 2003, NJ 2005, 50 Bravenboer/London). Naar het oordeel van de rechtbank is het redelijk dat [verzoeker] wat betreft deze procedure juridische bijstand heeft ingeroepen en is voldoende onderbouwd hoe de declaratie van de juridische kosten is opgebouwd. De kosten (het door ASR niet weersproken tarief van de advocaat van [verzoeker]) en de aan de zaak bestede tijd komen de rechtbank niet bovenmatig voor. De intrekking van een deel van het verzoek heeft voorts geen invloed op de aan de zaak bestede uren. Het verzoekschrift had hoofdzakelijk betrekking op hetgeen waarover hiervoor is beslist. Conform de door [verzoeker] ter zitting overgelegde urenspecificatie wordt uitgegaan van 17,73 uur + 2 uur reistijd + de zittingstijd die conform de Richtlijn Wet Deelgeschilprocedure wordt vastgesteld op 90 minuten = 1 ½ uur. De rechtbank begroot de kosten aan de zijde van [verzoeker] dan ook op 21,23 uur x € 245,-- + 5% kantoorkosten en 19% BTW, in totaal zijnde € 6.499,09. Vermeerderd met het griffierecht ad € 267,-- komt dit neer op € 6.766,09. Op deze kosten dient een correctie wegens eigen schuld te worden toegepast zodat wordt toegewezen 75% van € 6.766,09 = € 5.074,57. 

4.8  Door [verzoeker] is veroordeling van ASR in de kosten van deze procedure gevraagd. Nu hiertegen geen verweer is gevoerd zal het hiervoor onder 4.7. begrote bedrag als kostenveroordeling worden uitgesproken in het dictum van deze beschikking, uitvoerbaar bij voorraad. . LJN BY2872

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies