Zoeken

Inloggen

Artikelen

CRvB 260613 intrekking en terugvordering bijstand; de toerekening van schadevergoeding dient op concrete en verifieerbare uitgangspunten te berusten

CRvB 260613 intrekking en terugvordering bijstand; de toerekening van schadevergoeding dient op concrete en verifieerbare uitgangspunten te berusten

OVERWEGINGEN
1.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.
Het college heeft appellant, geboren op 1 april 1963, met ingang van 22 februari 1996 bijstand naar de norm voor een alleenstaande verleend, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant is op 17 april 2000 in het kader van een re-integratietraject gestart met een opleiding tot financieel/secretarieel medewerker op MBO-niveau.

1.2.
Appellant is op 6 april 2001 op de fiets aangereden door een automobilist. Als gevolg van deze aanrijding heeft hij letsel opgelopen. Hij heeft zijn opleiding gestaakt en deze ook nadien niet meer voortgezet. De verzekeraar van de automobilist, Achmea Schadeverzekeringen N.V. te Apeldoorn (Achmea), heeft de aansprakelijkheid voor de schade van appellant erkend. Vervolgens heeft de gemachtigde van appellant gedurende ruim zeven jaar overleg gevoerd met Achmea om overeenstemming te bereiken over een aan appellant toekomende schadevergoeding. Diverse medische en arbeidskundige onderzoeken zijn verricht ter beantwoording van de vraag of appellant ten gevolge van de aanrijding psychisch letsel heeft opgelopen waardoor hij verdienvermogen heeft verloren, en zo ja tot welke hoogte.

1.3.
Op 26 oktober 2008 hebben Achmea en appellant uiteindelijk een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarbij is de door appellant geleden en nog te lijden schade ter finale kwijting ongespecificeerd vastgesteld op een totaalbedrag van € 340.389,66. Gelet op door Achmea al betaalde voorschotten tot een bedrag van € 60.389,66 bedraagt de slotuitkering € 280.000,--. Dit bedrag heeft appellant op 15 januari 2009 ontvangen op zijn bankrekening.

1.4.
Naar aanleiding van de vaststellingovereenkomst heeft de gemachtigde van appellant de afspraken die hebben geleid tot de vaststellingsovereenkomst bij brief van 15 januari 2009 als volgt aan appellant bevestigd. De slotuitkering van € 280.000,-- moet worden gezien als een onderhandelingsresultaat. Omdat het moeilijk is om per schadecomponent te bepalen wat Achmea heeft bedoeld te vergoeden, kan een door de gemachtigde opgesteld schadeoverzicht dienen tot een verdeling van de totale schadevergoeding. Hierbij gaat hij ervan uit dat een bedrag van € 237.000,-- is toegekend voor het verlies aan arbeidsvermogen van appellant. De gemachtigde wijst er nadrukkelijk op dat Achmea het verlies aan arbeidsvermogen niet uitdrukkelijk als schadepost heeft erkend. Bij deze brief heeft de gemachtigde een zogenoemde Audelet-berekening van 13 januari 2009 gevoegd. Deze berekening, die wordt toegepast in letselschadeprocedures, is gebaseerd op het uitgangspunt dat de schadevergoeding voor het verlies aan verdienvermogen van appellant moet worden toegerekend aan de periode vanaf 1 januari 2002 tot 1 april 2028 (de maand waarin appellant 65 jaar zal worden).

1.5.
De aan appellant uitgekeerde schadevergoeding is voor het college aanleiding geweest bij besluit van 26 maart 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 oktober 2009 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellant over de periode van 1 januari 2002 tot 26 maart 2009 in te trekken en per 26 maart 2009 te beëindigen.

1.6.
Verder heeft het college bij besluit van 12 november 2009 alle voor appellant gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 januari 2009 met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB tot een bedrag van € 92.617,41 van hem teruggevorderd. Bij besluit van 10 maart 2010 (bestreden besluit 2) heeft het college, met vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 november 2009 gegrond verklaard en het terugvorderingsbedrag verlaagd met € 520,--.

1.7.
Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat de bijstand over de gehele periode van 1 januari 2002 tot en met 31 januari 2009 voor terugvordering in aanmerking komt, omdat appellant inmiddels beschikt over middelen die betrekking hebben op deze periode. Daarbij is de slotuitkering van € 280.000,-- aangemerkt als inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB.

2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover deze ziet op de intrekking en terugvordering van bijstand over de periode van 1 januari 2002 tot 1 januari 2009 (periode in geding). Hij heeft zich daarbij in essentie op het standpunt gesteld dat het college slechts bevoegd is een aan de periode in geding toe te rekenen schadevergoeding van € 27.950,-- terug te vorderen, wat een lager bedrag is dan de over die periode ontvangen bijstand.

4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 van de WWB beschikt of kan beschikken. Aan deze bepaling ligt de gedachte ten grondslag dat kosten van bijstand, die niet zou zijn verleend als de betrokkene al op een eerder tijdstip over naderhand beschikbaar gekomen middelen had kunnen beschikken, kunnen worden teruggevorderd. Dat achteraf rekening wordt gehouden met die later ontvangen middelen en dat de eerder verleende bijstand wordt teruggevorderd, hangt samen met het aanvullend karakter van de bijstand.

4.2.
Volgens vaste rechtspraak (CRvB 4 maart 2003, LJN AF6329) geldt als uitgangspunt dat, indien recht op schadevergoeding ontstaat door een ongeval, de aanspraken daarop worden toegerekend aan de periode die aanvangt op de datum van dat ongeval. Dit is slechts anders indien er voldoende, op objectiveerbare gegevens berustende redenen zijn om aan te nemen dat die aanspraken aan een andere, latere, periode dienen te worden toegerekend.

4.3.
Vaststaat dat appellant naar aanleiding van de aanrijding op 6 april 2001 aanspraak kon maken op een schadevergoeding. Tevens staat vast dat hij op 15 januari 2009 de beschikking heeft gekregen over een slotuitkering van € 280.000,--. Vanaf dat moment is sprake van in aanmerking te nemen middelen met betrekking tot een periode waarover eerder bijstand is verleend, zoals bedoeld in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB.

4.4.
Volgens vaste rechtspraak (CRvB 27 oktober 2009, LJN BK3358) is er in geval van toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB geen wettelijke basis voor een voorafgaand herzienings- of intrekkingsbesluit op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a of b, van de WWB. In de situatie waarop deze bepaling ziet is namelijk geen sprake van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand. Dit betekent dat het college niet bevoegd was de bijstand van appellant in te trekken over de periode in geding. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor zover het betreft het beroep tegen het bestreden besluit 1 zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad, met gegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit 1, dat besluit vernietigen voor zover daarbij de bijstand over de periode in geding is ingetrokken. Tevens is er aanleiding het besluit van 26 maart 2009 in zoverre te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het te vernietigen gedeelte van het bestreden besluit 1. Tot slot bestaat aanleiding voor een vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure.

4.5.
Het college heeft zich ter zitting van de Raad op het standpunt gesteld dat in het bestreden besluit 2 de slotuitkering van € 280.000,-- ten onrechte als inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is aangemerkt. Appellant heeft volgens het college geen objectieve gegevens overgelegd waaruit is op te maken dat de slotuitkering geheel of gedeeltelijk inkomen betreft te relateren aan een bepaalde periode vanaf het ongeval. Dit betekent dat appellant achteraf over in aanmerking te nemen middelen beschikt die het vrij te laten vermogen overschrijden. De over de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 januari 2009 gemaakte kosten van bijstand zijn daarom terecht, op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB, van appellant teruggevorderd.

4.6.
Nu uit 4.5 volgt dat het college de grondslag van het bestreden besluit 2 heeft verlaten, kan de aangevallen uitspraak ook ten aanzien van het beroep tegen het bestreden besluit 2 niet in stand blijven. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad, met gegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit 2, dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover het de terugvordering over de periode in geding betreft. De Raad zal vervolgens nagaan of met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het bestreden besluit 2 in stand kunnen blijven.

4.7.
Appellant heeft in hoger beroep onder verwijzing naar de in 1.4 vermelde berekening zijn in beroep naar voren gebrachte standpunt herhaald. De op 15 januari 2009 uitgekeerde slotuitkering van € 280.000,-- bestaat uit een bedrag van € 236.649,73 voor vergoeding van verlies aan arbeidsvermogen en heeft voor het overige betrekking op vergoeding van kosten die het college niet alsnog bij de bijstandsverlening in aanmerking heeft genomen. De vergoeding voor het verlies aan arbeidsvermogen van appellant dient toegerekend te worden aan de periode van 1 januari 2002 tot 1 april 2028 en dient jaarlijks te worden vastgesteld. Bij deze jaarlijks vast te stellen schadevergoeding moet in aanmerking worden genomen dat appellant, indien hij niet zou zijn aangereden, op 1 januari 2009 aan het werk zou zijn gegaan tegen een inkomen boven bijstandsniveau, zodat de bijstand vanaf dat moment beëindigd had kunnen worden. Met inachtneming van deze uitgangspunten bedraagt de schade vanaf 1 januari 2009 tot aan het bereiken van de 65-jarige leeftijd van appellant € 208.700,01. Het aan de periode in geding toe te rekenen bedrag aan schade bedraagt dan € 27.949,72 (€ 236.649,73 minus € 208.700,01). Tevens dienen de kosten van rechtsbijstand voor de schadeprocedure tot een bedrag van € 4.303,83 nog in mindering gebracht te worden zodat de terug te vorderen bijstand over de periode in geding maximaal € 23.646,-- bedraagt.

4.8.
Bij gebreke van voldoende verifieerbare, objectiveerbare gegevens heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om het in 4.7 weergegeven standpunt van appellant te volgen. In dit kader is allereerst van belang dat het college in reactie op de vraag van de gemachtigde van appellant op welke wijze het college een mogelijk aan appellant uit te keren schadevergoeding in aanmerking neemt, bij brief van 7 februari 2006 heeft meegedeeld dat een schadevergoeding die ziet op het verlies aan verdienvermogen zal worden ingehouden op de bijstand en dat een specificatie van de schadevergoeding naar de verschillende schadecomponenten dus van belang is. Voorts is de onder 1.4 genoemde brief van de gemachtigde van appellant van belang. In deze brief heeft de gemachtigde zelf nadrukkelijk onder de aandacht van appellant gebracht dat Achmea de schadevergoeding voor het verlies van arbeidsvermogen uitdrukkelijk niet heeft erkend. Voorts is voor het volgen van het standpunt van appellant onvoldoende dat G, werkzaam bij Achmea, bij een e-mailbericht van 16 juni 2009 desgevraagd de gemachtigde heeft meegedeeld dat zij zich wel kan vinden in de door de gemachtigde opgemaakte schadeopstelling. De wijze van toerekening van de schadevergoeding over de door appellant bepleite periode dient vanuit het oogpunt van bijstandsverlening te berusten op concrete en verifieerbare uitgangspunten, terwijl het standpunt van appellant, zoals de rechtbank terecht heeft opgemerkt, vooral berust op aannames.

4.9.
Uit 4.8 alsmede de hoogte van de slotuitkering vloeit voort dat het college bevoegd was over de periode in geding de gemaakte kosten van bijstand met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB volledig van appellant terug te vorderen. De aangevoerde grond dat de kosten van rechtsbijstand in mindering moeten worden gebracht op de schadevergoeding, behoeft dan ook geen bespreking meer. Tevens heeft appellant de uitoefening van de bevoegdheid tot terugvordering van het college niet zelfstandig bestreden, zodat ook dit geen bespreking behoeft.

4.10.
Uit 4.7 tot en met 4.9 volgt dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het bestreden besluit 2 in stand kunnen worden gelaten. ECLI:NL:CRVB:2013:750

Deze website maakt gebruik van cookies