Artikelen

Rb Noord-Holland 290216 KG. klushuis verpaupert na ongeval; ass. schendt schadebeperkingsplicht door niet tijdig te bevoorschotten

Hoofdcategorie: Huishoudelijke Hulp, Zelfwerkzaamheid, Mantelzorg en Verhuiskosten
Categorie: Zelfwerkzaamheid algemeen

Rb Noord-Holland 290216 KG. klushuis verpaupert na ongeval; ass. schendt schadebeperkingsplicht door niet tijdig te bevoorschotten 
- geen schending schadebeperkingsplicht door niet volgen van door deskundige voorgestelde "intensieve geïntegreerde behandeling"
- causaal verband tussen ongeval en val van trap t.g.v. medicijngebruik na ongeval

3. Het geschil 
3.1. X vordert, na wijziging eis, dat de voorzieningenrechter: 
I Achmea veroordeelt tot betaling van een voorschot op de schade die X lijdt ten gevolge van het ongeval van 3l augustus 2011 ter hoogte van € 175.000,00 te betalen binnen 7 dagen na het wijzen van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot aan de algehele voldoening; 
II Achmea veroordeelt in de (na)kosten van deze procedure, te betalen binnen zeven dagen na het wijzen van het vonnis. 

3.2. Achmea voert verweer. 

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 

4. De beoordeling 
4.1. X heeft aan zijn vordering het volgende ten grondslag gelegd. X heeft als gevolg van het ongeval vermeld onder 2.4 letsel opgelopen. Hij heeft ernstige 'pijnklachten, psychische klachten en bewegingsangst. De klachten en beperkingen staan in causaal verband met het ongeval. Dat is vastgesteld door psychiater prof. dr. M.L. Stek die het causaal verband tussen ongeval en klachten en beperkingen op verzoek van partijen heeft onderzocht. Hij concludeert dat er sprake is van een somatoforme stoornis waarbij er sprake kan zijn van een chronische conversiestoornis of een chronische pijn stoornis op grond van psychische factoren, sterk geluxeerd door het scooterongeval en een val van de trap. Achrnea dient de schade die X lijdt te vergoeden. De totale schade bestaat uit verlies aan verdienvermogen voor reguliere werkzaamheden en voor nevenwerkzaamheden, huishoudelijke hulp, verzorging en verpleging en verlies aan zelfwerkzaamheid en smartengeld. X wil thans reeds een voorschot ontvangen van € 175.000,= op de totale schadevergoeding. Dit bedrag ziet op het verlies aan zelfwerkzaamheid voor woning 1, waarvoor de kosten van de werkzaamheden ten minste worden geraamd op € 18.041,= en aan woning 2, waarvan tenminste de restschuld van € 156.000,= voor rekening van Achmea moet komen omdat deze schade is onstaan doordat X in weerwil van de hiervoor vermelde correspondentie door de weigering van verdere bevoorschotting door Achmea willens en wetens niet in staat is gesteld om de maatregelen te nemen die nodig waren om sloop te voorkomen. X stelt dat hij het gevorderde voorschot nodig heeft om zijn financiële verplichtingen jegens de hypotheeknemer van zijn thans verkochte en geleverde woning 2 na te komen en daarmee beslaglegging op en executie van woning I te voorkomen, alsmede om zijn schulden aan derden aflossen. 

4.2. Achmea heeft de stellingen van X gemotiveerd betwist. De voorzieningenrechter zal de standpunten van partijen hierna, voor zover relevant, bespreken. 

4.3. Achmea heeft allereerst aangevoerd dat X niet ontvankelijk is in deze procedure omdat het geschil dermate ingewikkeld en omvangrijk is dat dit zich niet leent voor behandeling in kort geding. Om dit verweer goed te kunnen beoordelen dient de voorzieningenrechter eerst de stellingen en verweren van partijen te beoordelen. De voorzieningenrechter komt later op dit verweer terug. 

4.4. De voorzieningenrechter stelt het volgende voorop. Met betrekking tot een voorziening in kort geding bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, zoals in dit geval wordt gevraagd, is terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar- kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening. 

4.5. Achmea heeft X onderbouwing van het door hem gestelde spoedeisend belang niet betwist. De voorzieningenrechter begrijpt dat X met een voorschot op de schadevergoeding verhaal op zijn andere vermogen, en dan met name woning 1, wil voorkomen. Hiermee is het spoedeisend belang van de vordering gegeven. 

4.6. . De voorzieningenrechter zal thans beoordelen of het bestaan van de door X gestelde vordering voldoende aannemelijk is. Partijen twisten in de kern over de vraag of de klachten en beperkingen die X thans ervaart in causaal verband staan met het ongeval van 31 augustus 2011. X stelt zich op het standpunt dat de val van de trap op 19 januari 2012 (hierna: de val) het gevolg is van het ongeval. Achmea stelt zich op het standpunt dat de val van de trap niet het gevolg is van het ongeval en dat de klachten die X na de val ervaart volledig door de op zichzelf staande val van de trap zijn veroorzaakt en niet aan het ongeval kunnen worden toegerekend. Bovendien stelt Achmea zich op het standpunt dat X al vóór het ongeval psychische klachten had die zijn huidige toestand geheel of in belangrijke mate verklaren, hetgeen X betwist. 

4.7. De voorzieningenrechter neemt bij de beoordeling van een en ander het volgende in aanmerking. 

4.8. Het deskundigenbericht van psychiater Stek is op gezamenljjk verzoek van partijen tot stand gekomen. Geen van partijen heeft inhoudelijke bezwaren tegen het deskundigenbericht aangevoerd, zodat de voorzieningenrechter de bevindingen in 
het rapport in beginsel als uitgangspunt kan nemen. In het rapport wordt geconcludeerd dat sprake is van een somatoforme stoornis waarbij er sprake kan zijn van een chronische conversiestoornis of een chronische pijnstoornis op grond van psychische factoren, sterk geluxeerd door het scooterongeval en een val van de trap (deels geciteerd onder 2.14). De voorzieningenrechter begrijpt hieruit dat de huidige klachten volgens deskundige Stek deels op het ongeval zijn terug te voeren en deels op de val. 

4.9. De voorzieningenrechter acht bij gebreke van een andere verklaring voorshands aannemelijk dat de val van de trap is veroorzaakt door de bijwerkingen van de medicijnen die X in verband met de gevolgen van het ongeval gebruikte, mogelijk in combinatie met het slechter kunnen traplopen door X als gevolg van het ongeval. X heeft aangevoerd dat hij vanwege het ongeval de maximale dosis Oxycodon en Venlafaxine gebruikte en dat deze middelen sufheid, duizeligheid, wazig zien en flauwvallen kunnen veroorzaken. Achmea betwijfelt of X daadwerkelijk last van duizeligheid heeft gehad of is flauw gevallen, maar heeft het door X genoemde gebruik en de gestelde bijwerkingen niet tegengesproken. De door X genoemde bijwerkingen zijn bovendien een feit van algemene bekendheid. Voorts kan, zoals X ter zitting terecht heeft aangevoerd, uit het deskundigenbericht van professor Stek worden afgeleid dat revalidatiearts <naam arts>, die X heeft onderzocht, heeft genoteerd dat X na het ongeval moeite had met traplopen (deskundigenbericht van Stek, bladzijde 2), hetgeen ook aansluit bij de informatie van de revalidatiearts dr. <revalidatiearts> d.d. 23 januari 2012 als hiervoor onder 2.8 weergegeven. 

4.10. Op grond hiervan acht de voorzieningenrechter aannemelijk dat de val niet op zichzelf staat maar het gevolg is van het ongeval, in het verlengde waarvan de klachten die zijn opgetreden na de val ook aan het ongeval kunnen worden toegerekend. 

4.11. Achmea stelt dat X al vóór het ongeval kampte met psychische problematiek. Achmea verwijst ter onderbouwing hiervan naar het huisartsenjournaal dat bij het rapport van Stek is gevoegd. Volgens Achmea blijkt hieruit dat X in ieder 
geval al in 2007 en 2010 kampte met psychische problemen: slecht. slapen, piekeren, lusteloosheid, paniekaanvallen, stress, opvliegendheid, spanningsklachten, vermoeidheid en angst voor lichamelijke klachten. 

4.12. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Uit het huisartsenjournaal, geciteerd onder 2.3, blijkt inderdaad dat X in het jaar voorafgaand aan het ongeval de huisarts een aantal keer heeft bezocht in verband met stressklachten en hoofdpjjn en rugpijn, maar de voorzieningenrechter ziet in het huisartsen journaal geen aanknopingspunten dat dit door de huisarts werd gekwalificeerd als een samenhangend geheel van (ernstige) psychische klachten of pijnklachten dat verband houdt met de klachten zoals deze zich na het ongeval en de val van de trap hebben gemanifesteerd. Uit het deskundigenbericht van Stek blijkt eveneens dat X al eerder last had van stressklachten, angstklachten, pijnklachten en stemmingsklachten maar dat hij desondanks een redelijk geadapteerd functioneren heeft gekend (bladzijde 15 en 16). Voorts wijst Stek erop dat van een psychiatrische voorgeschiedenis niet is gebleken (bladzijde 12): 

Psychiatrische voorgeschiedenis: 
Blanco in engere zin. In het huisartsdossier staat vermeld dat betrokkenen in 2007 een episode had met spanning, slecht slapen, pijnklachten en geagiteerde depressie en een verwijding naar de psycholoog. In 2008: pijnklachten; in 2009: haaruitval; 2010: vermoeidheid; 2011; spanningsklachten,.

Daar komt bij dat Achmea niet heeft betwist dat X vóór het ongeval een zeer actief persoon was, die jarenlang een full time dienstbetrekking heeft vervuld en daarnaast een eigen woning heeft gerenoveerd en nevenwerkzaamheden in de bouw heeft uitgeoefend, Stek heeft opgetekend dat X veel aan sport en fitness deed en de overgelegde foto's uit de jaren voor het ongeval tonen een vitaal uitziende jongeman. 

4.13. Op grond van het voorgaande zal de bodemrechter naar verwachting oordelen dat niet aannemelijk is dat de psychische klachten, pijnklachten en beperkingen die X thans ervaart ook zonder het ongeval en de val van de trap op enig moment zouden zijn opgetreden en (dus) dat zijn huidige klachten en beperkingen direct en indirect (vin de val van de trap) in overwegende mate zijn terug te voeren op het ongeval. Achmea heeft er op gewezen dat Stek in zijn rapport heeft opgemerkt dat het mogelijk is dat op psychiatrisch terrein klachten en afwijkingen zijn die er ook geweest zouden zijn of hadden kunnen ontstaan als het ongeval betrokkene niet was overkomen, maar die opvatting verzet zich niet tegen het oordeel dat de huidige klachten volledig nis engevalsgevolg kunnen worden toegerekend. Daarvoor is meer nodig dan de enkele mogelijkheid van een relatie tussen deze gevolgen en pre-existente klachten. De voorzieningenrechter kent in dit verband mede tenslotte betekenis toe aan de omstandigheid dat Stek in zijn rapport een aantal in aanmerking komende andere, van het ongeval losstaande verklaringen voorde thans bestaande klachten de revue heeft laten passeren en deze alle heeft verworpen. 

4.14. X heeft gesteld dat hij volledig arbeidsongeschikt is, geen werkzaamheden meer kan verrichten, de hele dag in het schemerduister op de bank ligt, geen geluid en/of licht kan verdragen en zwaar beperkt is ten aanzien van zijn mobiliteit. Achmea heeft dit niet tegengesproken. 

4.15. Al met al acht de voorzieningenrechter het waarschijnlijk dat de bodemrechter zal oordelen dat Achmea deze toestand in zijn geheel een gevolg van het ongeval zal achten en, daarmee, Achmea aansprakelijk zal houden voor de daaruit voortvloeiende schade. 

4.16. X heeft in deze kort gedingprocedure als voorschot op de schadevergoeding de door hem thans begrote schadevergoeding voor verlies van zelfwerkzaamheid gevorderd. Dat betreft, zo stelt X, allereerst het onderhoud voor woning 1. Xstelt dat hij dat onderhoud in mei 2013 door derden heeft moeten laten uitvoeren omdat hij dat zelf niet meer kon, waarmee een bedrag van € 18.041,10 gemoeid is geweest. Ter onderbouwing van dit bedrag heeft hij een offerte van Zon Uitzendbureau overgelegd (productie 28 bij dagvaarding). Achmea heeft dit bedrag niet bestreden. 

4.17 X heeft ten tweede als voorschot op de schadevergoeding een bedrag van € 156.000,= voor verlies van zelfwerkzaamheid gevorderd voor woning 2. Dit bedrag betreft de hoogte van de restschuld die overblijft na verkoop en levering van het perceel, zijnde het bedrag van € 156.000,=.

4.18. X heeft deze vordering als volgt onderbouwd. X lijdt schade bij woning 2 als gevolg van zijn verlies aan zelfwerkzaamheid. De gemeente Koggenland, waarin woning 2 ligt, heeft X erop gewezen dat de woning is verpauperd door verwaarlozing en het niet plegen van noodzakelijk onderhoud en heeft van X geëist dat hij grootschalig onderhoud pleegt aan het pand, onder meer inhoudende dat de voor- en achtergevel moeten worden gestut en grootschalig onderhoud wordt gepleegd aan voorgevel, dakconstrucrie, dakkapel en dakbeschot, en dat hij de afgebroken verbouwing aan het pand afrondt. Voorts heeft de gemeente hem gewaarschuwd dat als de woning niet wordt aangepast, de gemeente over zal gaan tot sloop ervan. 
X was door zijn klachten en beperkingen niet in staat om de benodigde onderhoudswerkzaamheden te verrichten aan woning 2. X heeft Achmea in een vijftal brieven (van 23 januari 2014, 3 juni 2014, 14 augustus 2014, 4 maart 2015 en 17 juli 2015, zie hiervoor onder 2.11- 2.13 en 2.15) op de hoogte gebracht van de problematiek en gevraagd om nadere bevoorschotting voor zelfwerkzaamheid zodat hij derden kan inschakelen om het noodzakelijk onderhoud uit te voeren en aldus kan voorkomen dat de woning wordt gesloopt, het perceel wordt verkocht en een hoge schuld resteert, en de hypotheekhoudende bank beslag op woning 1 zal leggen en deze zal executeren. Achmea heeft hierop niet gereageerd. Uiteindelijk heeft de gemeente woning 2 op 14 september 2015 met bestuursdwang laten slopen. 
Ook de bank heeft verschillende keren aan X kenbaar gemaakt dat het onderpand moest worden hersteld. De bank heeft daarbij laten weten dat zij anders tot executie van het onderpand zou overgaan. De bank heeft niet langer willen wachten en is akkoord gegaan met een onderhands bod voor het perceel van€ 75.750,=. Het perceel is verkocht en wordt 24 februari 2016 geleverd. De bank zal de restschuld van € 156.000,= vervolgens opeisen. Achmea had deze schade kunnen en moeten beperken door tijdig een voorschot te verstrekken. Dat heeft Achmea niet gedaan. Achmea heeft niet eens gereageerd op de vijf brieven. Achrnea had van meet af aan, dus vanaf 31 augustus 2011, de plicht de schade van X te vergoeden. Dat is terug te vinden in artikel 7 van de Gedragscode behandeling letselschade die door Achmea is ondertekend. De verzekeraar moet hoe dan ook voorkomen dat de benadeelde de schade voorfinanciert.

4.19. Achmea heeft de stellingen van X gemotiveerd betwist. De voorzieningenrechter oordeelt omtrent een en ander als volgt. 

4.20. Achmea heeft ter zitting weliswaar gesteld dat zij wel op de brieven van X heeft gereageerd maar heeft die stelling niet met overlegging van de betreffende reacties onderbouwd. Daarom gaat de voorzieningenrechter gaat ervan uit dat Achmea niet op de brieven heeft gereageerd. 

4.21. Achmea heeft aangevoerd dat onvoldoende aannemelijk is dat de slechte staat van woning 2 het gevolg is van het ongeval. Achmea wijst er in dat verband op dat op 24 maart 2010 al een bouwstop is opgelegd omdat X niet over de juiste vergunning beschikte, waarna de bouw vijf maanden heeft stilgelegen. Had X wel over de juiste vergunning beschikt, dan zou de woning in betere staat hebben verkeerd. Voorts merkt Achmea op dat X Achmea pas laat op de hoogte heeft gesteld van het probleem met de woning, namelijk in januari 2014, terwijl het probleem toen al 2,5 jaar speelde. 

4.22. De voorzieningenrechter neemt bij de beoordeling van deze stellingen het volgende in aanmerking. Voor Achmea moet vanaf 23 januari 2014 duidelijk zijn geweest dat er door de medische situatie waarin X was komen te verkeren sprake was van een langzaam voortschrijdend proces van het noodgedwongen doen verwaarlozen van de onderhoudstoestand van een woning waarop een hypotheek rustte, met als voorzienbaar gevolg sloop daarvan en de dreiging dat de bank voor het resulterende tekort verhaal neemt op de rest van het vermogen van X waaronder woning 1. Achmea is herhaald en indringend verzocht om door middel van nadere bevoorschotting te voorkomen dat dit proces verder voortschreed. Dat verzoek werd de eerste keer gedaan op een moment waarop weliswaar nog niet duidelijk was hoe medisch en juridisch tegen het causaal verband tussen ongeval en klachten moest worden aangekeken, maar dat betekende niet dat Achmea achterover mocht blijven leunen. Zij is immers binnen redelijke grenzen verplicht om de schade van de X te beperken. Het verzoek activeerde voor haar uit dien hoofde een plicht om te onderzoeken in hoeverre de kans bestond dat het deskundigenrapport het aannemen van bedoeld causaal verband zou ondersteunen. Indien zij dat onderzoek had verricht, bijvoorbeeld door na te gaan hoe het leven van X er vóór en na het ongeval uitzag, en door de wel beschikbare medische stukken te raadplegen, had zij tot de conclusie kunnen komen: 
- dat allerminst denkbeeldig was dat de bevindingen van de deskundige causaal verband tussen het ongeval en de medische toestand van X zouden ondersteunen; 
- dat X zelf niets meer kon en voor de oplossing van het probleem rond zijn woning was aangewezen op inschakeling van derden; 
- dat niet uitgesloten was dat met een relatief geringe investering een voorzienbaar grote schade kon worden voorkomen, en dat die kans gaandeweg kleiner werd. 

4.23. Bij die stand van zaken brengt het stilzitten van Achmea mee dat zij mede verantwoordelijkheid is gaan deugen voor de omstandigheid dat kosten van schadebeperking op een moment waarop wel duidelijk was hoe medisch en juridisch tegen het causaal verband tussen ongeval en klachten moest worden aangekeken, het verschijnen van het eindrapport van prof dr. Stek, op 12 januari 2015, mogelijk hoger waren. Uit de toen voorliggende brieven moet Achmea in ieder geval duidelijk zijn geweest dat X niet de financiële middelen had om de hiervoor bedoelde derden in te schakelen. De opmerking van Achmea dat X niet geprobeerd heeft om de schade te beperken, bijvoorbeeld door derden in te schakelen, stuit reeds hierop af: In de genoemde correspondentie zijn de kosten voor het onderhoud dat nodig was om sloop af te wenden en het proces van achteruitgang te stoppen geraamd op € 50.000,=, een relatief beperkt bedrag ten opzichte van de in diezelfde brief geraamde potentiële schade van € l80.000,= aan restschuld. Gelet op de hiervoor omschreven eerdere verzaking van de schadebeperkingsplicht had het in ieder geval op in januari 2015 op de weg van Achmea gelegen om met X in overleg te treden over de mogelijkheden om in te grijpen teneinde het hiervoor omschreven gevaar van kapitaalvernietiging af te wenden, zo nodig door X te voorzien van een toereikend voorschot. Dat heeft Achmea niet gedaan. Achmea heeft X ook op dat moment nog volstrekt aan zijn lot overgelaten. De voorzieningenrechter rekent dit Achmea aan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dienen de gevolgen van het feit dat het gevaar zich heeft verwezenlijkt vanwege dit volkomen gebrek aan voor rekening van Achmea te komen. Er behoeft dan ook niet te worden ingegaan op de vraag of de daarmee verband houdende schade ook op grond van de omstandigheid dat X vermogen om de woning in zelfwerkzaamheid te renoveren door het ongeval teloor is gegaan als gevolg van het ongeval kan worden toegerekend. 

4.24. Achmea verwijt X dat hij zich volledig onttrekt aan medische behandeling terwijl daar volgens Achmea, onder verwijzing naar het rapport van prof. dr. Stek, nog wel enige winst valt te behalen, Volgens Achmea leidt deze onttrekking tot vergroting van de schade en zou deze schade in ieder geval in zoverre niet voor rekening van Achrnea moeten komen. 

4.25. De voorzieningenrechter verwerpt ook dit verweer. Volgens Stek is immers moeilijk aan te geven wat de kans op verbetering is bij een intensieve geïntegreerde behandeling van het klachtenpatroon van X (bladzijde 19 van het deskundigenbericht van Stek). Achmea heeft het rapport van Stek niet bestreden, dus deze conclusie ook niet, en heeft in deze procedure ook niet onderbouwd welke concrete behandeling tot welk concreet gunstig resultaat moet leiden. Evenmin heeft zij zich verdiept in de vraag of X mentaal in stant is om verdere behandeling te verdragen. Zij heeft zich tot op heden in het geheel niet in X verdiept. 

4.26. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is, gelet op het voorgaande, in hoge mate aannemelijk dat de bodemrechter, indien geadieerd, de vordering van X van € 18.041,10 plus € 156.000,= (totaal € 174.041,10) van het gevorderde bedrag van € 175.000,= zal toewijzen. Voor het verschil van € 958,90 heeft X geen onderbouwing gegeven. Dat deel is daarom niet toewijsbaar. 

4.27. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om het reeds betaalde voorschot van € 55.00,00 in mindering te brengen op het in deze procedure toe te wijzen bedrag. Gelet op het overzicht dat X van de door hem gestelde schadeposten en 
schadebedragen in de dagvaarding onder punt 52 heeft gegeven, dat door Achmea op zichzelf niet concreet betwist is, acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat naast de schadevergoeding voor zelfwerkzaamheid ook een schadevergoeding voor verlies aan verdienvermogen, huishoudelijke hulp, verzorging en verpleging en een bedrag aan smartengeld zal worden toegewezen. Deze posten zullen samen het bedrag van € 55.000,00 overstijgen. Daar komt bij dat niet uitgesloten is dat de schade ten gevolge van het verlies van de woning een hoger bedrag zal belopen. Adequate schadebeperking en voortvarende afwikkeling van de schade als in art. 7 van de Gedragscode behandeling letselschade voorgeschreven zou er immers naar alle waarschijnlijkheid toe hebben geleid dat er in plaats van kapitaalsvernietiging vermogensvorming had plaatsgevonden, 

4.28. Achmea heeft aangevoerd dat er aan de zijde van X een restitutierisico bestaat. De voorzieningenrechter ziet dit risico ook. Als X met het voorschot gebruikt om de bank te betalen is immers onzeker in hoeverre hij het, indien de bodemrechter anders zou oordelen, zal kunnen terugbetalen. Daarmee is echter nog niet gezegd dat toekenning van het voorschot achterwege moet blijven. Bij de beantwoording van de vraag of dat het geval is verdient het volgende opmerking. 

4.29. Adequate schadebeperking en voortvarende afwikkeling van de schade als hiervoor omschreven zou hebben meegebracht dat de schade in verband met het verlies van woning 2 met investering van € 50.000,= in die woning was afgewend. Als gezegd zou die gedragslijn er bovendien naar alle waarschijnlijkheid toe hebben geleid dat er in plaats van kapitaalsvernietiging vermogensvorming had plaatsgevonden, zodat voot de bevoorschotting ook verhaal aanwezig was geweest. Aldus bezien 
komt Achrnea, de betrokken belangen in aanmerking genomen, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen beroep toe op het bestaan van een restitutierisico aan de zijde van X. Dit betekent dat het risico van onmogelijkheid van (volledige) terugbetaling niet in de weg staat aan toewijzing van het gevraagde voorschot. 

4.30. Op grond van het voorgaande zal de door X gevraagde voorziening tot een bedrag van € 174.010,10 worden toegewezen en voor het overige worden geweigerd. Daarbij wordt nog aangetekend dat ter zitting niet is ingegaan op de vraag of'woning 2 ten tijde van de sloop gedeeld eigendom of volledig eigendom van X was. Ook partijen hebben aan dat aspect van de zaak geen aandacht geschonken. Voor zover van een gemeenschap sprake was, wordt voorshands aangenomen dat dit de schadevergoedingsplicht van Achmea niet te haren gunste beïnvloed, bijvoorbeeld omdat uit de hiervoor gereleveerde omstandigheden voortvloeit dat het passief in die gemeenschap bij de afwikkeling daarvan op aandrang van de deelgenoot volledig aan X moet worden toebedeeld, of omdat de verontachtzaming door Achmea van haar schadebeperkingsplicht jegens X een onrechtmatige daad jegens de deelgenoot heeft opgeleverd. 

4.31. Gelet op al het voorgaande kan niet worden gezegd dat het geschil dermate ingewikkeld en omvangrijk is dat dit zich niet leent voor behandeling in kort geding. Het sub 4.3 weergegeven verweer faalt dan ook. 

4.32. De voorzieningenrechter ziet in de aard van het spoedeisend belang (de dreiging van verhaal op het vermogen van X) aanleiding om te bepalen dat Achmea het voorschot tot een bedrag van € 156.000,00 pas hoeft te betalen zodra sprake is van een concrete dreiging dat de hypotheekhoudende bank verhaal zal zoeken op ander vermogen van X en een wijze van betaling mag kiezen die dat risico afwendt. Voor het bestaan van die dreiging is schriftelijke aanzegging van verhaalsacties door beslaglegging voldoende. Deze doelgebonden beperking geldt echter niet voor bet bedrag van € 18.041,10, dat immers ziet op zelfwerkzaamheid, in dit geval het plegen van onderhoudswerkzaamheden aan woning 1. 

4.33. Achmea zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding. De kosten aan de zijde van X worden tot op heden begroot op € 94,08 kosten betekening dagvaarding, € 79,00 griffierecht en 
€ 816,00 aan salaris advocaat, derhalve in totaal op het bedrag van € 989,08. 

4.34. De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen als in het dictum vermeld.

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/rb-noord-holland290216

Met dank aan J. van de Klashorst, Joosten Advocaten, voor het inzenden van deze uitspraak.

Deze website maakt gebruik van cookies