Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Amsterdam 281113

Rb Amsterdam 281113

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2013/rb-amsterdam-281113

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Privaatrecht
C/13/545238/HA RK 13-189
28 november 20 l3
150 ktr

X
wonende te X
verzoekster
nader te noemen X
advocaat: mr. R. Schoemaker te Den Haag

tegen

de stichting
SANQUIN BLOEDVOORZIENING
gevestigd te Amsterdam
verweerster
nader te noemen: Sanquin
advocaat: mr. M.J.J. de Ridder te Utrecht

De procedure
Ter griffie van de rechtbank Den Haag zijn ingediend:
- een verzoekschrift ex art. 1019w R v met bewijsstukken, op 8 april 2013 ontvangen van X
- het verweerschrift van Sanquin met bewijsstukken, ontvangen op 2 juli 2013.

Bij beschikking van 3 juli 2013 heeft de rechtbank Den Haag zich onbevoegd verklaard tot kennisneming van het verzoek en de zaak venvezen naar de rechtbank Amsterdam.
Daar heeft op 30 oktober 20 13 de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. X was ter zitting in persoon aanwezig. bijgestaan door haar advocaat. Sanquin verscheen bij O. Dijkstra, E. Slot en haar advocaat.
Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De advocaat van X heeft een pleitnota overgelegd.

1. Sanquin beheert een bloedbank. Teruggebracht tot de kern, zijn haar activiteiten gericht op de afname van bloed van donoren en de verstrekking van donorbloed aan ziekenhuizen.
2. X heeft op 14 februari 2011 een operatie ondergaan in het LUMC te Leiden. Daarbij is haar een bloedtransfusie toegediend. Het donorbloed had het LUMC van Sanquin betrokken. Het was vervaardigd uit bloed dat op 9 februari 2011 door de donor is afgestaan.
3. Op 27 april 2011 is bij X malaria geconstateerd. Bij laboratoriumonderzoek naar aanleiding daarvan is vastgesteld dat de donor in kwestie besmet was met een malaria-infectie.
4. X stelt dat haar malaria veroorzaakt is door de besmetting van het voormelde donorbloed. Zij houdt Sanquin aansprakelijk voor de letselschade die zij als gevolg van de malaria infectie ondervindt.
5. Nu Sanquin in der minne niet ber id is vergoedingsplicht te erkennen, verzoekt X in dit deelgeschil om een verklaring voor recht dat Sanquin aansprakelijk is voor haar letselschade, zulks met veroordeling van Sanquin tot vergoeding van die schade, op te maken bij staat. X baseert de aansprakelijkheid zowel op art. 6:77 BW, art. 6:173 BW, art. 6:162 BW als ook op art. 6:185 BW.
6. Sanquin heeft het verzoek gemotiveerd weersproken. Zij bestrijdt de gestelde aansprakelijkheid. Voorts betoogt zij dat het geschil zich niet leent voor beslechting in een deelgeschilprocedure.

De beoordeling
geschiktheid voor deelgeschil
7. Partijen zijn - onder meer - verdeeld over de vraag of Sanquin aansprakelijk is voor de schade van X. De rechtbank is van oordeel dat de verzochte verklaring voor recht zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure en dat de beslechting van dit deelgeschil de weg vrij zal kunnen maken voor verdere schikkingsonderhandelingen en aldus zal kunnen bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst tussen partijen. Dat geldt echter niet voor de verzochte verwijzing naar de schadestaat, omdat een verwijzing naar de schadestaatprocedure tot doel heeft de (volledige) schade door de rechter vast te stellen en daarom niet zal bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst tussen partijen. Dit deel van het verzoek zal de rechtbank daarom niet behandelen.

aansprakelijkheid
8. X wil de gestelde aansprakelijkheid van Sanquin onder meer ontlenen aan art. 6:77 BW. Daarin is bepaald dat een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis als gevolg van ongeschiktheid van een daarbij gebruikte hulpzaak, aan de debiteur wordt toegerekend.
Die bepaling kan X niet baten, alleen al niet omdat de levering van het donorbloed door Sanquin niet plaatsvond ter uitvoering van een verbintenis uit een overeenkomst met X, maar onder een overeenkomst tussen Sanquin en het LUMC.

9. Ook het beroep van X op art. 6: 173 BW gaat niet op. Die bepaling vestigt een risicoaansprakelijkheid van de bezitter voor gevallen waarin een hem toebehorende gebrekkige zaak schade teweegbrengt. Echter, op het moment dat het donorbloed bij X schade teweegbracht - het moment van toedienen - was Sanquin niet meer de bezitter daarvan.

Sanquin is jegens X op grond van art. 6: 162 BW aansprakelijk, indien zij de betrokken donor op grond van de in dit verband geldende regelingen niet voor de bloedafgifte op 9 februari 2011 in aanmerking had mogen laten komen, of wanneer zij de besmetting na afname had behoren te ontdekken. Daaromtrent het volgende.

10. X wijst er op dat de donor in 2004,2006 en 2007 in landen is geweest waar malaria endemisch is. De vraag is nu of de bloedafgifte daarom in strijd was met geldende regels. Aan de orde zijn in dil verband
- de Europese Richtlijn 200-JI35
(prod. 4 bij het verzoek)
Daar zijn regels gesteld met betrekking tot personen die in de eerste vijf levensjaren in malariagebied hebben gewoond, de ziekte malaria hebben gehad of - binnen zes maanden na vertrek uit het gebied - een onduidelijke koortsende ziekte hebben gehad. Geen van deze drie gevallen doet zich bij de onderhavige donor voor.
Ook staat er een regel voor regelmatige bezoekers van endemische gebieden, geldend gedurende zes maanden na hun (laatste) vertrek. Ten tijde van de onderhavige bloedafname (9 februari 2011) was de donor echter al meer dan drie jaar niet meer in endemisch gebied geweest.
- de Aanbeveling van de Europese Raad van 29 juni 1998
(prod, 9 bij het verzoek)
Aangegeven wordt dat bezoekers van malaria-landen gedurende drie jaar na hun bezoek voor bloedafgifte moeten worden afgekeurd. De onderhavige bloedafgifte uit 2011 is met die aanbeveling niet in strijd.
- De interne Richtlijn Donorkeuring van Sanquin, geldend vanaf 1 oktober 2006.
(prod. 5 bij het verzoek)
Ook daar gaat het om een afkeuringspertode van 3 jaar na vertrek, geldend voor personen die uit gebieden met malaria-risico afkomstig zijn of daar tenminste vijf jaar hebben gewoond. Nu de donor in kwestie niet in een van deze categorieën valt, is ook deze richtlijn met de onderhavige bloedafname niet overtreden.

11. Het voorgaande laat zien dat Sanquin niet in strijd met de regels heeft gehandeld door de betrokken donor in 2011 voor bloedafgifte in aanmerking te laten komen. Nu voorts niet is gesteld of gebleken is dat er testen voor donorbloed bestaan, gericht op de detectie van malaria en geschikt om na iedere bloedafname toe te passen, kan evenmin gezegd worden dat bet in strijd was met de door Sanquin in acht te nemen maatschappelijke zorgvuldigheid dat zij vóór de aflevering van het onderhavige donorbloed aan het LUMC de onderhavige malaria-infectie niet heeft ontdekt.
De Rechtbank passeert daarom het standpunt van X dat Sanquin op grond van art. 6:162 BW jegens X aansprakelijk is.

12. Voorts beroept X zich jegens Sanquin op de risicoaansprakelijkheid van de producent van een gebrekkig product ex art. 6: 185 BW. Sanquin heeft ook die vorm van aansprakelijkheid betwist. Daartoe ontkent zij dat het onderhavige donorbloed gebrekkig was in de zin van art. 6: 185 BW. Subsidiair beroept zij zich op het "state ofthe art" verweer ex lid 1 e van art. 6: 186 BW. Daar wordt productenaansprakelijkheld uitgesloten voor gevallen waarin het - gezien de stand van de wetenschap en van de technische kennis - voor de producent onmogelijk was het gebrek te ontdekken.
De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

13, Een product geldt blijkens art. 6:186 BW als gebrekkig in de rechtens relevante betekenis van het woord, als het niet de veiligheid biedt die men - alle omstandigheden in aanmerking genomen - daarvan mag verwachten, Sanquin stelt zich op het standpunt dat het publiek - helaas - niet mag verwachten dat donorbloed nimmer ziektekiemen zoals van malaria zal bevatten. Het staat vast dat iets dergelijks hoogst zelden voorkomt, maar het is volgens haar nu eenmaal niet voor 100% te voorkomen.

14. Het woord "mag" impliceert dat voor dit criterium niet leidend is hoe de perceptie is van het publiek, maar wel welke verwachting op dit punt door de feiten gerechtvaardigd wordt.
Er is geen, althans onvoldoende grond voor een oordeel dat X uit publicaties van Sanquin (of branchegenoten) de gerechtvaardigde verwachting mocht ontlenen dat een incidentele - zij het betreurenswaardige - besmetting als de onderhavige zich nooit zou kunnen voordoen.
Voorts heeft Sanquin gemotiveerd aangevoerd dat het ondanks alle in acht te nemen zorgvuldigheid technisch eu praktisch gezien eenvoudigweg niet mogelijk is voor 100% te voorkomen dat in een incidenteel geval donorbloed op de markt komt met een besmetting als thans aan de orde. Daarom mag de verwachting ook niet zijn dat zoiets nooit voorkomt, aldus steeds Sanquin.

15. Om op die laatste stelling - en daarmee over de al dan niet gebrekkigheid van het door Sanquin geproduceerde donorbloed - te beslissen zonder haar oordeel te kunnen baseren op een deskundigenbericht, acht de rechtbank niet verantwoord. En indien het op die stelling gebaseerde verweer van Sanquin zou worden gepasseerd, en indien de rechtbank aldus zou toekomen aan haar subsidiaire beroep op het voormelde "state of the art" verweer, zou ook in dat verband een deskundigenbericht noodzakelijk zijn.

16. Nu een deelgeschilprocedure als de onderhavige zich niet leent voor het inwinnen van een deskundigenbericht, kan het door X aan de rechtbank voorgelegde verzoek niet worden toegewezen.

kosten
17. Met betrekking tot de kosten overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank dient (op grond van artikel 1019aa Rv ) ook als het verzoek wordt afgewezen de kosten van de procedure te begroten. Nu de aansprakelijkheid van Sanquin (nog) niet vaststaat, is de verzochte veroordeling van Sanquin tot voldoening van de buitengerechtelijke kosten echter niet toewijsbaar.

18. De kosten dienen ingevolge artikel 6:96 lid 2 BW te voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets: zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten dienen redelijk te zijn. Sanquin betwist dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en betwist de redelijkheid ervan. Uit de overgelegde factuur blijkt dat X de kosten van haar medisch adviseur begroot op E 1.007,33 (inclusief BTW) en de rechtbank acht deze kosten (en de redelijkheid daarvan) onvoldoende betwist.
Uit de factuur van de raadsman van X blijkt dat 21,5 uur is besteed aan het opstellen van het verzoekschrift tegen een uurtariefvan E 275,00 te venneerderen met kantoorkosten (6%) en BTW (21%). De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende gemotiveerd betwist is dat deze kosten zijn gemaakt (het wijzen op het ontbreken van betalingsbewijzen volstaat niet). De hoogte van het uurtarief acht de rechtbank redelijk. Het aantal uur dat is besteed aan het opstellen van het verzoekschrift acht de rechtbank echter niet zonder meer redelijk.

19. Naar redelijkheid begroot de rechtbank de tijd gemoeid met de procedure, waaronder het opstellen van het verzoekschrift, op 12 uur, zodat deze kosten uitkomen op (12 x € 275,00 te vermeerderen met 6% kantoorkosten en 21% BTW) € 4.232,58. Ook het door verzoekster betaalde griffierecht van € 274,00 zal bij deze kosten worden opgeteld. In totaal bedragen de buitengerechtelijke kosten aldus € 5.513,91.

De beslissing

De rechtbank
• begroot de kosten van deze procedure aan de zijde van X op € 5.513,91,
• wijst het meer of ander verzochte af.

Aldus gegeven door mr. E.R.S.M. Marres en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2013.

Met dank aan mr. R. Schoemaker, Reinboud Schoemaker, voor het inzenden van deze uitspraak.

Deze website maakt gebruik van cookies