Overslaan en naar de inhoud gaan

RBZWB-170624

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2024/RBZWB-170624

 

beschikking


RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster II Handelszaken

Breda

zaaknummer/rekestnummer: C/02/416894/HA RK 23-254

Beschikking van 17 juni 2024

in de zaak van [verzoekster]
wonende te [woonplaats]
verzoekster,
advocaat mr. W.C.D.V. Blanken te Rotterdam.

en

de naamloze vennootschap
ALLIANZ BENELUX N.V..
gevestigd te Rotterdam,
verweerster,
advocaat mr. R.J. Schellevis te Utrecht.

1. Waar gaat deze zaak over

1.1. [verzoekster] is op 27 februari 2019 met hoge snelheid van achteren aangereden. waardoor zij met haar auto in de vangrail belandde. De auto die het ongeval veroorzaakte. was verzekerd bij Allianz. Partijen kunnen geen overeenstemming bereiken over de afwikkeling van de schade. [verzoekster] wil daarom een voorlopig deskundigenonderzoek.

2. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt, voor zover van belang, uit:
- het verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht ex artikel 202 Rv e.v., op de griffie binnengekomen op 11 december 2023, met producties genummerd 1 tot en met 11:
- het verweerschrift voorlopig deskundigenbericht, op de griffie binnengekomen op 4 april 2024, met bijlagen genummerd 1 tot en met 6:
- het e-mailbericht van mr. Blanken d.d. 16 mei 2024, met producties genummerd 12 en 13:
- de mondelinge behandeling, gehouden op 27 mei 2024:
- de spreeknotitie aan de zijde van [verzoekster]
- de pleitnotities aan de zijde van Allianz.

3.  Het geschil

3.1.  [verzoekster] stelt dat zij naar aanleiding van het ongeval klachten in het hoofd, de nek en de schoudergordel heeft opgelopen en er is sprake van toegenomen vermoeidheid en vermoeibaarheid sinds het ongeval. Er is ook sprake van cognitieve functiestoornissen. cognitieve klachten, geheugen-, concentratie- en aandachtsstoornissen. Partijen zijn verwikkeld in een discussie over de klachten en beperkingen van [verzoekster] en of deze klachten en beperkingen het gevolg zijn van het ongeval. Gelet daarop wenst [verzoekster] onderzoek door een verzekeringsgeneeskundige naar haar klachten en beperkingen en het causaal verband van de klachten en beperkingen in relatie tot het ongeval. Neurologisch onderzoek heeft geen zin. De klachten en beperkingen van [verzoekster] kunnen niet op neurologisch gebied worden vastgesteld, omdat deze niet worden veroorzaakt door een neurologische aandoening. De huisarts en revalidatiearts hebben vastgesteld dat er sprake is van een post-whiplash syndroom. Zij hebben [verzoekster] niet verwezen naar een neuroloog, omdat daar zij daar geen aanleiding voor zagen.

3.2. Allianz voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek. Zij stelt dat het verzoek prematuur is en dat er geen concreet belang is bij het onderzoek. Over de klachten en beperkingen van [verzoekster] bestaat discussie. Er is daar nog geen medisch specialistisch onderzoek naar verricht. Daarnaast is de vraag of de gestelde klachten en beperkingen het gevolg zijn van het ongeval. Pas als er een medisch specialistisch onderzoek is verricht en indien onderzoek heeft uitgewezen dat er sprake is van (aanrijdingsgerelateerde) klachten en/of beperkingen kan een verzekeringsgeneeskundige worden gevraagd om de beperkingen en belastbaarheid van [verzoekster] in kaart te brengen. Een verzekeringsgeneeskundige kan geen diagnose stellen of een medisch causaal verband vaststellen, aldus Allianz.

4. De beoordeling

4.1.  Het verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigenonderzoek is gedaan met inachtneming van de bepalingen van de artikelen 202-207 Rv.

4.2. Een voorlopig deskundigenonderzoek dient ertoe een partij de mogelijkheid te geven aan de hand van het uit te brengen deskundigenbericht zekerheid te verkrijgen over de voor de beslissing van het geschil relevante feiten en omstandigheden en zo beter te kunnen beoordelen of het raadzaam is een procedure te beginnen of voort te zetten.
Aan de rechter die heeft te oordelen over een verzoek tot het houden van een voorlopig deskundigenonderzoek komt geen discretionaire bevoegdheid toe. Dat wil zeggen dat als uitgangspunt het verzoek moet worden toegewezen als het voldoende concreet en ter zake dienend is en feiten betreft die met het deskundigenonderzoek bewezen kunnen worden. Een verzoek tot het houden van een voorlopig deskundigenbericht wordt (slechts) afgewezen als het verzoek in strijd is met de goede procesorde, de bevoegdheid misbruikt wordt of het verzoek afstuit op een ander door de rechtbank zwaarwichtig geoordeeld bezwaar. (1)

4.3. De rechtbank wijst het verzoek van [verzoekster] af. Het verzoek is prematuur en daarmee in strijd met de goede procesorde. Daarnaast heeft [verzoekster] bij haar verzoek op dit moment geen concreet belang. Vast staat dat bij  [verzoekster] in het kader van de  schadeafwikkeling nog geen specialistisch (neurologisch / neuropsychologisch) onderzoek is gedaan naar de medische gevolgen van het ongeval. Pas als er uitsluitsel is of sprake is van ongevalsgerelateerde klachten en beperkingen van [verzoekster] kan worden beoordeeld of onderzoek door een verzekeringsgeneeskundige noodzakelijk of gewenst is. Het is niet aan een verzekeringsgeneeskundige om een diagnose te stellen. Dit volgt ook uit de eigen richtlijnen van verzekeringsgeneeskundigen.

4.4. De vraag of een specialistisch onderzoek wel zinvol is, omdat er geen sprake zou zijn van objectiveerbaar letsel, is in dit kader niet relevant. Ook als een specialist op basis van de huidige richtlijnen geen medisch objectiveerbare klachten kan vaststellen, kan een onderzoek relevant zijn. De specialist kan immers uitsluitsel bieden of er inderdaad sprake is van niet- objectiveerbare klachten; een oordeel geven over de vraag of de klachten aanwezig, reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn indien geen sprake is van objectiveerbare klachten: en de eventuele klachten vóór en na het ongeval vergelijken: en een oordeel geven over de vraag in hoeverre sprake is (geweest) van beperkingen als gevolg van het ongeval. Het specialistisch onderzoek kan daarnaast duidelijkheid bieden over het bestaan van medische causaliteit. Mocht medische causaliteit niet aangenomen kunnen worden, dan kan het onderzoek meer aanknopingspunten bieden voor de beoordeling van de juridische causaliteit.

4.5. Dat een verzekeringsgeneeskundige aanvullend onderzoek door specialisten zou kunnen initiëren, betekent evenmin dat het verzoek niet prematuur is en [verzoekster] concreet belang heeft bij haar verzoek. Hier heeft in het geheel nog geen specialistisch onderzoek plaatsgevonden. Daarnaast zijn eventuele werkzaamheden van een verzekeringsgeneeskundige overbodig wanneer uit dat aanvullend onderzoek van specialisten volgt dat geen sprake is van ongevalsgerelateerde klachten en beperkingen. De tot dan door de verzekeringsgeneeskundige gemaakte kosten zijn dan onnodig gemaakt.

4.6.  Voor zover [verzoekster] betoogt dat specialistisch onderzoek niet nodig is, omdat de huisarts en revalidatiearts al de diagnose post-whiplash syndroom zouden hebben gesteld, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Of die diagnose inderdaad is gesteld en op basis waarvan staat tussen partijen ter discussie. Daarnaast is, gelet op de klachten en beperkingen van [verzoekster] neurologisch en/of neuropsychologisch onderzoek een logische en relevante stap in de schadeafwikkeling, ook wanneer hierbij mogelijk geen percentage blijvende invaliditeit vastgesteld kan worden. Dat een huisarts of revalidatiearts geen aanleiding zouden hebben gezien [verzoekster] naar deze specialisten door te verwijzen, maakt dat niet anders. Voor wat betreft de revalidatiearts geldt dat te meer, omdat hij slechts een intakegesprek met heeft gehad.

Proceskosten
 

4.7. [verzoekster] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het procedure worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Allianz worden begroot op € 2.094.00 (griffierecht € 688.00+ advocaatkosten € 1.228.00 (2 punten x tarief II) + nakosten € 178,00). vermeerderd met de kosten zoals opgenomen in de beslissing.

5.  De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst het verzoek tot het houden van een voorlopig deskundigenonderzoek af,

5..2. veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van € 2.094,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [verzoekster] niet tijdig betaalt en de beschikking daarna wordt betekend, dan moet [verzoekster] € 92.00 extra betalen, plus de kosten van betekening.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.E. Goedegebuur en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2024.
 

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2024/RBZWB-170624


(1) Vgl. Hoge Raad 19 december 2003. ECLI:NL:HR:2003:AL8610 en Hoge Raad 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:482.