Zoeken

Inloggen

Artikelen

Hof Arnhem 020310 toertocht mountainbikers; val over ijsplek; organisatie aansprakelijk

Hof Arnhem 020310 toertocht mountainbikers; val over ijsplek; organisatie aansprakelijk
2.1  Bij het tussenarrest van 18 maart 2008 heeft het hof [appellant] toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de deelnemers aan de op 12 januari 2002 door Tourclub Rijssen georganiseerde toertocht bij voldoende oplettendheid niet konden anticiperen op de ijsplek waar [appellant] ten val gekomen is door tijdig te remmen en af te stappen, uit te wijken naar de berm, dan wel door in rustig tempo over het ijs uit te rollen of eventueel op andere wijze.

2.2  Naar aanleiding van deze bewijsopdracht heeft [appellant] de volgende personen als getuigen doen horen, die voor zover van belang en zakelijk weergegeven als volgt hebben verklaard:
partij [appellant]:
Na inschrijving met mijn maat [A] zijn wij omstreeks 9.00 uur, het eerstmogelijke startmoment, samen vertrokken. Eerst reden wij een goed te berijden stuk door het bos, op welk stuk alleen achter elkaar kon worden gereden. Daarna kwamen wij op een enigszins aflopend zandpad tussen maisvelden, met aan weerszijden prikkeldraad op de wat hoger gelegen grasbermen. Op die ongeveer een halve meter brede grasbermen kon je eigenlijk niet lopen. Het pad zelf bestond uit twee sporen met een hoger gelegen, ongeveer 1 of 1,5 meter brede middenberm. Toen ik uit het bos kwam, had ik geen goed zicht op dat pad, enerzijds omdat dat pad een kromming naar rechts maakt en anderzijds omdat er een aantal mensen voor mij reed. Ik reed, vlak voor mijn val, op dat pad zo’n 2 tot 2,5 meter rechts schuin achter [A], die in het karrenspoor reed. Wij reden, met een achteraf geschatte snelheid van ongeveer 20 km per uur als laatste twee achter een groep van ongeveer tien rijders. Toen brak vooraan de groep rijders waarin wij ons bevonden, paniek uit. Er werd geroepen: “Pas op, het is glad”. Ik zag op dat moment dat ik mij daar op een vlakke ijsplaat bevond. Ik viel direct op mijn achterwerk; de klap kwam in mijn rug terecht. Ik zag dat [A], wiens fiets onder hem was weggegleden, zich nog net in een soort spagaat staande wist te houden, met een voet in de berm. Er waren nog meer mensen van de groep daar gevallen. Ik was niet door de manoeuvre van [A] komen te vallen. Eenmaal gevallen zag ik dat zich over beide sporen ijs had gevormd en het water ook buiten de beide sporen was getreden, ook over de middenberm. Het was een ijsplaat, in het begin 4 meter breed en verderop breder, die doorliep tot ongeveer aan de bosrand verderop. De ijsplaat was voor de fietsers niet via de berm te omzeilen, omdat de berm te smal was, schuin opliep en het gevaar bestond dat je met het brede stuur of met je kleren in het prikkeldraad zou komen. Als je op een ijsplaat komt, kun je alleen nog maar uitrollen. Je kunt ook niet je voeten uit de pedalen klikken. Bij de minste oneffenheid ben je de controle kwijt.
Voorafgaand aan de tocht had ik op het weer gelet. Een week eerder was nog een tocht afgezegd wegens gladheid. Op de ochtend van de toertocht in Rijssen wees, voordat ik startte, niets erop dat het glad zou kunnen zijn. Ik weet mij niet te herinneren of het die ochtend vroor. Er lag geen sneeuw.
[B]:
Ik was niet ter plaatse toen [appellant] kwam te vallen. Ik was later gestart. Ik kwam, vooraan rijdend in een “groepje”, ter plaatse toen [appellant] net was gevallen. Uit het bos komend had ik geen goed uitzicht op de plek van de ijsplaat. [A] waarschuwde mij dat het glad was. Ik heb toen afgeremd en ben naar de rechter kant van het pad gegaan en ben via de linkerberm verder gereden. Door de waarschuwing kon ik de berm tijdig bereiken en ik ben doorgereden. Op het pad bevond zich een ijsplaat die erg onregelmatig was. Ik kon die ontwijken maar er was heel weinig ruimte; zonder waarschuwing was ik naar alle waarschijnlijkheid op de ijsplaat terecht gekomen, omdat het pad schuin afliep en de ijsplaat onvoldoende was te zien. Ik kan mij niet precies herinneren hoe groot die ijsplaat was. In ieder geval waren de beide karrensporen bevroren en, in mijn beleving, ook de middenberm. Bijna het hele pad was bevroren.
[C]:
Ik blijf bij mijn hier voorgelezen verklaring die ik heb afgelegd tijdens de comparitie van partijen op 22 april 2005. (Hof: toen bevestigde hij de daar afgelegde verklaring van [appellant] dat de ijsplas, behoudens een smalle strook gras ter linkerzijde, de hele breedte van het pad vulde (“van prikkeldraad tot prikkeldraad”) en verklaarde voorts dat de ijsplas breder was dan het zandpad en zo’n 20 á 30 meter lang.) Ik was er niet bij toen [appellant] kwam te vallen. In mijn beleving ben ik rond 9.15 uur gestart. Het had hard gevroren. Uit het bos reed ik linksaf een smal, dalend pad op, met aan de linkerkant prikkeldraad en gras. Op een gegeven moment zag ik dat zo’n vijf of zes mensen onderuit gegaan waren en ook ik kwam op die ijsplaat terecht. Ik bleef, ik weet niet hoe, overeind. Ik ben niet links over het gras gaan rijden, omdat daar prikkeldraad was, waarin je terecht kunt komen. De ijsplaat was in mijn beleving zo’n 10 tot 15 meter groot in lengte en in breedte en hij was spekglad. De ijsplaat, die de volle breedte van het pad innam, kwam voor mij onverwacht. Er was daar geen waarschuwing.
J. [A]:
Samen met [appellant] heb ik deelgenomen aan de toertocht. Het had gevroren die nacht. Uit het bos komend moesten wij linksaf over een landweg met wielsporen. [appellant] reed vlak achter mij, op 2 á 3 meter. Ik heb de ijsplaat niet zien aankomen, in ieder geval niet voordat ik de bocht doorging. Er langs rijden was niet mogelijk, want de (gras)berm was smal en er was prikkeldraad langs. Ik ging onderuit, maar kon mij nog net, met mijn voet in de linkerberm, staande houden. [appellant] kwam lelijk ten val. Op de plek zijn nog veel meer mensen gevallen. Het grootste deel van het pad was daar met een gladde ijsplaat overdekt. Net voordat [appellant] viel, werd er geroepen: ”let op glad”, maar toen bevonden we ons al op de ijsplaat. Je kon alleen maar proberen je staande te houden. De fietsers voor ons vielen of vervolgden met acrobatische toeren het pad.

2.3  Tourclub Rijssen heeft de volgende getuigen doen horen, die zakelijk weergegeven verklaarden:
[D]:
Samen[E] heb ik de vrijdagmiddag vóór de toertocht de route uitgezet, ieder een eigen gedeelte, [E] het eerste stuk. Op de zaterdagmorgen van de toertocht is vanaf 7.15 of 7.30 uur de route nogmaals gefietst, waarbij [E] het eerste stuk, waar [appellant] ten val is gekomen, voor zijn rekening heeft genomen. In onze ogen was de route veilig. Hier en daar waren wel stukken bevroren, maar niet dusdanig dat je er niet omheen kon fietsen. Het moet die nacht wel gevroren hebben. De plek waar [appellant] is gevallen, heb ik noch die vrijdagmiddag noch die zaterdagochtend gezien.
Ik kan mij ook niet herinneren dat ik later die dag op die plek ben geweest. Toen ik met [E] sprak over de valpartij, zei hij dat je daar links en rechts langs de ijsplaat kon fietsen.
[F] (tevens gehoord als partijdeskundige in de zin van aart. 200 Rv.):
Naar aanleiding van mijn verklaring die ik heb afgelegd bij de plaatsopneming op 22 april 2005, zeg ik dat ik dacht dat er in deze situatie maatregelen moesten worden getroffen en dat de situatie niet te taxeren was als je zonder waarschuwing 50 meter verwijderd bent. In zijn algemeenheid is de situatie wel te taxeren, maar ik meen dat [appellant] de ijsplaat niet heeft kunnen waarnemen, omdat er andere fietsers voor hem reden. Bij fietsers is wel van algemene bekendheid dat onderaan een aflopend pad een natte plaat kan ontstaan, die bijvoorbeeld door spoorvorming in modder voor fietsers gevaarlijk kan zijn. Mountainbikers zijn daarop bedacht. Mijns inziens waren er echter maatregelen nodig omdat [appellant] de plaat niet kon zien door de fietsers vóór hem. Door de bocht in en het aflopen van het pad, samen met de wat hogere bermen, wordt het zicht naar voren bemoeilijkt, zodat de situatie op het pad moeilijk is in te schatten. IJs is heel gevaarlijk en in beginsel moet je daarvoor waarschuwen. Van dit geval is geleerd en het reglement (hof: het Toerfiets Reglement van de NTFU) is aangepast. In dit concrete geval had een waarschuwingsbord geplaatst moeten worden, althans had die aanbeveling moeten gelden.
Het was naar mijn mening, gezien de foto’s bij het proces-verbaal van de plaatsopneming van 22 april 2005, wel mogelijk om de plek links te ontwijken, maar daar komt een mountainbiker niet graag omdat het stuur breed is en er prikkeldraad loopt. Bovendien is de berm een opstaande rand, waar je kunt wegglijden. Ook over de rechterberm had de plek ontweken kunnen worden. Ik kan geen uitspraak doen hoe groot de ijsplaat is geweest.
Mogelijk had [appellant], kort nadat hij naar links afbuigend uit het bos kwam, nog actief kunnen ingrijpen. Toen de eerste van het peloton viel, kon hij niets meer doen. Het had mijns inziens voor de hand gelegen meer afstand, ongeveer 10 meter, tot zijn voorganger te bewaren, zeker als de fietsers in het peloton zowel links als rechts rijden.

2.4  Deze verklaringen stroken met de verklaringen die in september en oktober 2002 van [appellant], [A] en [B] door CED Forensic zijn afgenomen en die bij het rapport van CED Forensic (productie 2 bij inleidende dagvaarding) zijn gevoegd. Met die verklaringen is de verklaring van [appellant] ter comparitie van partijen van 10 september 2004 evenmin in strijd. De in de voormelde getuigenverklaringen beschreven plaatselijke situatie vindt ook bevestiging in de schriftelijke verklaring van [D] van 9 mei 2005, al is deze gebleken niet op eigen waarneming op 12 januari 2002 te berusten. Ook de inhoud van het rapport Meuwissen Verkeersongevallenanalyse dat [appellant] bij akte van 19 mei 2009 in het geding heeft gebracht, wijst ten aanzien van de plaatselijke situatie niet in andere richting.

2.5  Uit deze verklaringen, bezien in samenhang met de bedoelde foto’s, maakt het hof , onder inachtneming van art. 164 lid 2 Rv., het volgende op:
a.  Op de zaterdagmorgen van de toertocht bevond zich op het aflopende, uit een dubbel rijspoor tussen wat hogere (gras)bermen bestaande pad kort na een bocht naar rechts een gladde ijsplaat, die de gehele breedte van het pad over een lengte van méér dan enkele meters bedekte.
b.  Voor de uit het bos komende fietsers was het zicht op die ijsplaat bemoeilijkt door die bocht en de wat hogere bermen.
c.  Ook bij tijdige waarneming door een voorzichtige fietser werd het zijdelings passeren van die ijsplaat bemoeilijkt doordat de bermen smal waren, niet vlak waren maar zijdelings opliepen en op korte afstand van de ijsplaat aan beide zijden begrensd waren door de uit paaltjes met prikkeldraad bestaande afzetting van het maisveld.
d.  Fietsers die op de ijsplaat terecht kwamen, liepen een aanzienlijk gevaar daar ongecontroleerd ten val te komen en daarbij letsel op te lopen. In feite zijn ook meer fietsers dan alleen [appellant] door de ijsplaat komen te vallen.
e.  Er is geen aanwijzing dat de situatie van en bij de ijsplaat ten tijde van de controlerit vroeg die ochtend anders was dan ten tijde van de val van [appellant].

2.6  [appellant] is op die ijsplaat ten val gekomen op het parcours van de door de Toerclub Rijssen georganiseerde toertocht, waarvoor hij had die ochtend had ingeschreven.

2.7  De deelnemers aan zo’n toertocht mogen, behoudens andersluidende mededeling, van de organisator verwachten dat deze kort voor de openstelling van de route voor de deelnemers deze nog controleert op eventuele, voor de deelnemers moeilijk te onderkennen gevaren. De bij de inschrijving gedane mededeling, dat op eigen risico wordt gereden, doet daar niet aan af.
Omdat de ervaring is dat, behoudens waar dat fysiek niet mogelijk is, de fietsers, hoewel individueel deelnemend, vaak in groepen rijden, dient de organisator er bij die controle niet alleen op bedacht te zijn of een laat waarneembare gevaarlijke plek door een individuele fietser zijdelings gepasseerd kan worden, doch ook of zo’n plek valgevaar oplevert voor fietsers in een groep die minder uitzicht of minder uitwijkmogelijkheden hebben. Is in dat licht zo’n plek valgevaarlijk in die zin dat letsel kan ontstaan, dan zal onder omstandigheden tijdig een waarschuwingsbord geplaatst moeten worden. Het hof deelt de opvatting van de deskundige [F] dat dat in het onderhavige geval had moeten gebeuren. Grond voor dat oordeel is dat van de deelnemers aan een veldtoertocht zoals deze weliswaar in het algemeen een aanzienlijke mate van oplettendheid en voorzichtigheid mag worden verlangd, doch dat op déze plek het voor de deelnemers, ook de alleen rijdende deelnemer, bemoeilijkte uitzicht op de gladde ijsplaat en de beperkte, riskante uitwijkmogelijkheden ernstig gevaar voor een valpartij op harde ondergrond met zich brachten, mogelijk met ernstig letsel zoals botbreuken, en dat te meer voor rijders in een groep die nog minder uitzicht hebben, terwijl dat gevaar door het op enige afstand vóór de ijsplaat plaatsen van een waarschuwingsbord en dus tegen geringe kosten beteugeld had kunnen worden. De conclusie is derhalve dat Tourclub Rijssen door het achterwege laten van enige waarschuwing ter plaatse tegen de gladheid onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld. De enige grief in het incidenteel appel faalt daarom.

Eigen schuld [appellant]

2.8  Met zijn eerste grief in het principaal appel komt [appellant] op tegen de beslissing van de rechtbank de schadevergoedingsverplichting van Tourclub Rijssen te verminderen door de schade over [appellant] en Tourclub Rijssen te verdelen in evenredigheid met de, door de rechtbank op 50% gestelde, mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Volgens [appellant] dient Tourclub Rijssen zijn schade volledig te vergoeden.

2.9  De rechtbank heeft bij die verdeling in aanmerking genomen:
a. dat aan de deelname aan veldtoertochten als de onderhavige het aan de deelnemers bekende risico van valpartijen is verbonden,
b. dat daartoe de mogelijkheid behoort dat men ten gevolge van een opgevroren plas komt te vallen en letsel bekomt,
c. dat het ervoor gehouden moet worden dat [appellant] die risico’s bewust heeft aanvaard,
d. dat [appellant] bij de aanvang van de toertocht door een bordje daarop is gewezen..

2.10  Dat oordeel kan geen standhouden, aangezien die omstandigheden niet in voldoende causaal verband staan met het feit dat [appellant] als fietser en deelnemer ten val is gekomen op de hiervoor omschreven ijsplaat op de route van de toertocht.

2.11  Tourclub Rijssen heeft zich, ter onderbouwing van haar standpunt dat de schade geheel of gedeeltelijk voor rekening van [appellant] moet blijven, ook beroepen op de omstandigheden
a. dat [appellant] wist dat het die nacht gevroren had en het parcours dus bevroren gedeelten kon bevatten;
b. dat er geen noodzaak was in een groep te rijden en dat het juist nodig was afstand te bewaren in verband met op het laatste moment waarneembare obstakels;
c. dat [appellant] bij voldoende afstand mogelijk de bevroren plas wel had kunnen waarnemen;
d. dat [appellant] echter op dat aflopende pad in behoorlijk tempo heeft gefietst en te weinig afstand tot zijn voorgangers heeft gehouden.

2.12  Blijkens zijn op 27 augustus 2002 voor CED Forensic afgelegde verklaring (pag. 2, midden) wist [appellant] dat het de nacht van 11 op 12 januari 2002 had gevroren. [appellant] bestrijdt echter dat hij kon voorzien dat er ter plaatse een opgevroren gedeelte op het parcours zou zijn. Hij stelt verder dat hem niet kan worden verweten in een groep te hebben gereden, omdat deze toevallig op het single-track-gedeelte was ontstaan. Hij heeft voldoende afstand tot zijn voorganger gehouden, nu zijn directe voorganger op 3,5 tot 4 meter voor hem reed. Hij betwist ter plaatse met een, gegeven de omstandigheden, te hoge snelheid te hebben gereden, ook al omdat hij door de rijders voor hem niet snel kon rijden.

2.13  Het hof oordeelt als volgt.
Zoals hiervoor beslist, was het uitzicht op de ijsplaat voor de deelnemers die over het aflopende zandpad kwamen aanrijden bemoeilijkt door een bocht naar rechts en oplopende bermen. Wel moet op grond van de verklaring van [B] aangenomen worden dat de ijsplaat met de nodige voorzichtigheid ondanks het oplopen van de berm en het daarlangs staande prikkeldraad ter linkerzijde door deelnemers zelfs fietsend ontweken kon worden, mits de deelnemer tijdig de ijsplaat opmerkte en zag dat deze ook de middenstrook bedekte. Aangenomen dat [appellant] ter plaatse met een snelheid van ongeveer 20 km per uur heeft gereden - van een hogere snelheid is niet gebleken – had hij met vrij zicht de ijsplaat wel tijdig moeten kunnen opmerken en ontwijken. De zelfgekozen positie in een groep rijders op een afstand van 3,5 tot 4 meter achter de directe voorganger en op 2 meter schuin achter [A] belemmerde hem echter de blik naar voren. Die positie kan [appellant] worden aangerekend, omdat geen sprake was van een wedstrijdelement en juist van een individuele toertocht. Volgens de deskundige [F] had [appellant] een afstand van ongeveer 10 meter in acht moeten nemen. Het hof ziet geen grond om dat deskundig oordeel onjuist te achten.
Dat betekent dat de val van [appellant] op de ijsplaat mede door eigen onvoorzichtigheid is veroorzaakt.
Derhalve dient de schade over Tourclub Rijssen en [appellant] te worden verdeeld naar evenredigheid van de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden hebben bijgedragen aan de schade.
Het hof oordeelt dat het aandeel van de voor het uitzetten van het parcours verantwoordelijke Tourclub Rijssen, die verzuimd heeft enige waarschuwing voor de deelnemers te plaatsen bij deze moeilijk op te merken en bezwaarlijk te ontwijken ijsplaat, zwaarder weegt dan de onvoorzichtigheid van [appellant] door in een groep te rijden en zijn uitzicht te beperken. Het hof verdeelt derhalve de schade in de verhouding 2 : 1.

2.14  [appellant] heeft bepleit in geval van verdeling van de schade de zogenaamde billijkheidscorrectie toe te passen. Hij voert daartoe het volgende aan:
a. er is sprake van schending van een verkeers- en veiligheidsnorm;
b. hem valt geen persoonlijk verwijt te maken;
c. hij heeft door de val (potentieel) zeer ernstig letsel opgelopen;
d. Tourclub Rijssen is voor aansprakelijkheid verzekerd, terwijl [appellant] niet is verzekerd voor de (potentiële) schade (arbeidsvermogensschade; huishoudelijke hulp en immateriële schade).

2.15  Het hof overweegt als volgt.
In rov. 11 van het tussenvonnis van 21 september 2005 heeft de rechtbank met juistheid vastgesteld dat [appellant] ten gevolge van de val een geconsolideerde Th12 compressiefractuur met restdeformiteit heeft opgelopen. Er is sprake van blijvende invaliditeit die aan de hand van het DRE-model van de AMA-Guides vanwege de aard van de fractuur, waarbij ook de discus is beschadigd, is vastgesteld op 17%.
Die gegevens zijn ontleend aan het rapport van de orthopaedisch chirurg R.M. Kuipers van 11 september 2003 (productie 3 bij inleidende dagvaarding). Dat rapport houdt tevens in dat [appellant] als gevolg van zijn val één week in het ziekenhuis is opgenomen en aansluitend gedurende twee maanden, waarin hij een gipscorset droeg, veel heeft moeten rusten, waarna nog fysiotherapie volgde die snel is beëindigd. Bij onderzoek in de zomer van 2003 meldt hij, behoudens enige prikkeling bij extreme fietsbelasting, geen rugklachten. Hij doet dan eigenlijk alles, ook tillen.
Nu niet gesteld is dat de situatie sindsdien in ook maar enig opzicht is verslechterd, moet het hof ervan uitgaan dat [appellant] ook thans geen beperkingen van zijn val ondervindt. Dat maakt dat het letsel niet van dusdanig ernstige aard is dat de billijkheid een andere verdeling van de schade vergt.
Dat [appellant] geen persoonlijk verwijt valt te maken, is onjuist, zoals in rechtsoverweging 2.11 hiervoor is beslist. De overige door [appellant] gestelde omstandigheden, ook in samenhang bezien, ook met het letsel, zijn naar het oordeel van het hof - mede omdat na enige tijd niet of nauwelijks meer sprake was van beperkingen - niet van dien aard dat een voor [appellant] gunstiger verdeling van de schade is geboden.

2.16  Grief 1 in het principaal appel slaagt dus gedeeltelijk.

2.17  Met de tweede grief in het principaal appel komt [appellant] op tegen de afwijzing door de rechtbank (rov. 6 van het eindvonnis van 14 december 2005) van de gevorderde vergoeding ad € 486,- wegens de 15 door zijn echtgenote, die huisarts is, gemiste controlebezoeken in de periode van 13 januari tot 3 mei 2002, welke zij niet kon afleggen omdat zij, vanwege het vertrek van de gezinshulp om 17.30 uur, vanaf die tijd thuis moest zijn, terwijl zij dergelijke bezoeken tussen 17.30 uur en 18.30 uur placht af te leggen. Nu [appellant] daartoe wegens zijn letsel niet in staat was om de zorg voor de vier kinderen van het gezin, toen in de leeftijd van een half tot vijf jaar, op zich te nemen, moest zijn echtgenote daartoe om 17.30 uur thuis zijn (zie de inleidende dagvaarding onder 5.2 en de verklaring van [appellant] aan CED Forensic van 25 juli 2002).

2.18  De rechtbank heeft dat deel van de vordering van [appellant] afgewezen op grond dat [appellant] niet nader heeft onderbouwd dat die schade als door hem geleden dient te worden aangemerkt.

2.19  Artikel 6:107 BW maakt mogelijk dat de gekwetste vergoeding van de kosten vordert die derden anders dan krachtens verzekering voor de gekwetste hebben gemaakt en die hij, zou hij ze zelf hebben gemaakt, van de aansprakelijke zou hebben kunnen vorderen. Omzetschade althans winstderving van de echtgenote als huisarts valt daar niet onder, zodat de rechtbank in zoverre dit deel van de vordering van [appellant] terecht heeft afgewezen.
In de zich hier voordoende feitelijke situatie, zoals door [appellant] gesteld en door Tourclub Rijssen niet bestreden, gaat het er echter om dat die echtgenote haar tijd vrij heeft gemaakt voor de verzorging van de kinderen en aldus onbetaald huishoudelijke hulp heeft verleend. De noodzaak bestond daartoe in het bijzonder omdat [appellant] buiten staat was zijn jongste dochter van een half jaar oud te tillen, reden waarom hij voor 20 uur per week in die periode gezinshulp heeft gekregen. In HR 5 december 2008, LJN: BE9998, NJ 2009, 387, is aanvaard dat in geval van letselschade de kosten van huishoudelijke hulp door de aansprakelijke persoon aan de benadeelde moeten worden vergoed indien deze ingevolge het letsel niet in staat is de betreffende werkzaamheden zelf te verrichten, voor zover het gaat om werkzaamheden waarvan het in de situatie waarin het slachtoffer verkeert normaal en gebruikelijk is dat zij worden verricht door professionele, voor hun diensten gehonoreerde dienstverleners. Het hof oordeelt dat dit laatste zich hier voordoet, aangezien het in een huisartsengezin met kinderen als het onderhavige normaal en gebruikelijk moet worden geacht dat betaalde professionele hulp wordt ingeschakeld voor de huishoudelijke en verzorgende taken die anders door de benadeelde werden verricht. Dat is in feite voor de periode tot 17.30 uur ook geschied. Was die gezinshulp tot 18.30 uur aangeboden, dan zou het normaal en gebruikelijk zijn geweest dat [appellant] en zijn echtgenote die betaalde gezinshulp hadden ingeschakeld op de dagen dat de huisartswerkzaamheden tot 18.30 uur moesten worden voortgezet. Nu op het gewenste uur geen gezinshulp kon worden geboden, zal de schade begroot worden op de kosten van een oppas voor dat jongste kind. Het hof begroot deze op € 7,- per uur, conform de door de rechtbank over een eerdere periode toegewezen kosten voor kinderoppas. Onvoldoende betwist, althans gestaafd door productie 5 bij akte van 5 oktober 2005, is dat het om 15 dagen gaat, zodat een bedrag van € 105,- alsnog toewijsbaar moet worden geoordeeld.
LJN BL7129

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies