Overslaan en naar de inhoud gaan

HR 100226  oma van slachtoffer vervulde moederrol; volgens hof in strafprocedure n.o t.z.v. vordering affectieschade; getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting

HR 100226  oma van slachtoffer vervulde moederrol; volgens hof in strafprocedure n.o t.z.v. vordering affectieschade; getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting

 

5. Beoordeling van het cassatiemiddel dat namens de benadeelde partij [benadeelde 2] is voorgesteld

5.1

Het cassatiemiddel klaagt over de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] tot vergoeding van affectieschade. Het klaagt in het bijzonder over het oordeel van het hof dat deze benadeelde partij niet kan worden aangemerkt als ‘naaste’ in de zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder g, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

5.2.1

Bij de stukken bevindt zich een ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ van de benadeelde partij. Dat verzoek houdt onder meer in:

“Affectieschade

(...)

Licht hier uw relatie tot het slachtoffer toe (...):

grootmoeder, voogd, opvoeder

(...)

Gevorderd bedrag: € 20.000.”

5.2.2

Het begeleidend schrijven van de advocaat van de benadeelde partij bij dat verzoek houdt onder meer in:

“Ondergetekende behartigt de belangen van:

- [benadeelde 3] , geboren: [geboortedatum] 1959, en

- [benadeelde 2] , geboren: [geboortedatum] 1940,

in hun hoedanigheid van nabestaanden van het slachtoffer, [slachtoffer] .

(...)

Achterliggende feiten

Verdachte heeft op 10 juli 2019 de destijds 42-jarige [slachtoffer] (geboren: [geboortedatum] 1976) van het leven beroofd.

(...)

Cliënten maken op grond van artikel 6:108 lid 3 BW aanspraak op een vergoeding van affectieschade.

(...)

[slachtoffer] is geboren op [geboortedatum] 1976 in [geboorteplaats] . Cliënt, haar biologische vader, was op dat moment 16 jaar. Onder deze omstandigheid heeft cliënt [slachtoffer] formeel niet als zijn dochter erkend, maar werd zijn moeder, [benadeelde 2] , benoemd tot voogd van [slachtoffer] .

(...)

[benadeelde 2]

Vanwege de hiervoor geschetste minderjarigheid van haar zoon, [...] , werd cliënte benoemd tot voogd van [slachtoffer] (productie 3). Zij heeft van jongs af aan voor [slachtoffer] gezorgd, haar in huis opgenomen en alles gedaan voor en met [slachtoffer] dat een moeder doet. [slachtoffer] is opgegroeid in het gezin van cliënte. Niet alleen in juridische zin, maar ook feitelijk was cliënte de plaatsvervangende ouder van [slachtoffer] . Ook nadat [slachtoffer] naar Nederland kwam was cliënte nog steeds haar plaatsvervangende moeder, en [slachtoffer] beschouwde haar ook als haar moeder. Aan cliënte komt derhalve een vergoeding toe ex artikel 6:108 lid 3 jo. lid 4 sub c BW. (...) Ook cliënte doet, onder de hiervoor weergegeven motivering, subsidiair een beroep op artikel 6:108 lid 4 sub g BW.”

5.2.3

De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van affectieschade afgewezen en daartoe overwogen:

“Zij is de oma van [slachtoffer] en was tevens benoemd als haar voogd. Daarmee behoort zij niet tot de kring van gerechtigden voor affectieschade. Dat zij [slachtoffer] (mede) heeft opgevoed, maakt dit niet anders. Volgens de wet is immers vereist dat er ten tijde van de gebeurtenis, dus ten tijde van het overlijden van [slachtoffer] , sprake was van een duurzaam gezinsverband, en dat is niet gebleken. Ook heeft zij onvoldoende aangevoerd om te kunnen oordelen dat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die zouden maken dat zij een beroep kan doen op de hardheidsclausule. Haar vordering tot vergoeding van affectieschade wordt daarom afgewezen.”

5.2.4

Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 juli 2024 heeft de advocaat van de benadeelde partij daar aangevoerd:

“De oma heeft [slachtoffer] opgevoed tot haar 18de en vervulde een moederrol. Op grond van de hardheidsclausule is er een gezinsverband nodig. Ik verwijs hierbij naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland ECLI:NL:RBNNE:2023:2478 waarbij er affectieschade is toegekend aan een stiefvader die vanaf het 4e levensjaar in beeld was. In dat geval had het slachtoffer van 2000 tot 2015 bij de stiefvader in huis gewoond en dat was niet meer het geval ten tijde van het bewezenverklaarde. Uit voormelde uitspraak volgt dat niet in het hetzelfde huis wonen, niet aan een (Hoge Raad: het vervolg van deze volzin ontbreekt in het proces-verbaal).”

5.2.5

Volgens dat proces-verbaal heeft de raadsman van de verdachte daar aangevoerd:

“Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen voor zover deze nog over zijn dient de rechtbank te worden gevolgd.”

5.2.6

Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van affectieschade niet-ontvankelijk verklaard en daartoe overwogen:

“Het hof stelt voorop dat het leed en het verdriet dat de nabestaanden is aangedaan niet ter discussie staat. Zij zijn en blijven hierdoor getekend. Los van de empathie en het medeleven dat het verdriet van de nabestaanden oproept, dienen de vorderingen van de nabestaanden echter op hun juridische merites beoordeeld te worden.

Affectieschade

Affectieschade betreft immateriële schade die bestaat uit het verdriet dat en de pijn die is veroorzaakt doordat een persoon waarmee men een affectieve band heeft, overlijdt. Aanspraak op vergoeding van immateriële schade bestaat evenwel slechts indien en voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft. Vergoeding van affectieschade viel tot 2019 buiten de wettelijke regelingen. Om vergoeding van affectieschade mogelijk te maken, moest er dan ook een wettelijke grondslag komen en daartoe is per 1 januari 2019 de wet gewijzigd. De wetgever heeft bepaald dat een beperkte kring van gerechtigden aanspraak mag maken op affectieschade. Het betreft partners, ouders en kinderen van de overledene alsmede gevallen waarin er sprake is van een duurzame zorgrelatie in gezinsverband, zoals bij pleegkinderen het geval zal zijn of bij het kleinkind dat door een grootouder wordt groot gebracht.

Voorts is in artikel 6:108 lid 4 sub g van het Burgerlijk Wetboek een zogenoemde hardheidsclausule opgenomen, die onder uitzonderlijke omstandigheden een recht op vergoeding toekent aan een persoon die niet tot de vaste kring van gerechtigden behoort. Als voorbeeld in de Memorie van Toelichting wordt gegeven broers en zussen die langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen. Broers en zussen zijn dus in principe door de wetgever van de regeling uitgesloten, tenzij er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden zoals in voornoemd voorbeeld beschreven.

(...)

[benadeelde 2] is de oma van [slachtoffer] en zij was tijdens haar jeugd benoemd tot voogd. (...) Voorts vordert [benadeelde 2] affectieschade. Zij behoort ingevolge artikel 6:108 leden 3 en 4 van het Burgerlijk Wetboek niet tot de kring van gerechtigden die een dergelijk verzoek kunnen indienen. De wetgever heeft wel voorzien in een restcategorie, maar hier valt [benadeelde 2] niet onder. Voor het hof is het volkomen helder dat zij een nauwe en affectieve relatie had met haar kleindochter en dat zij veel pijn en verdriet heeft ondervonden en ondervindt door de dood van [slachtoffer] , maar van uitzonderlijke omstandigheden, zoals de wetgever bij het maken van de restcategorie voor ogen heeft gestaan en op grond waarvan [benadeelde 2] dan zou verschillen van andere personen die hun naaste als gevolg van een misdrijf verliezen, is hier onvoldoende gebleken.”

5.3

In zijn arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:

“Beoordeling en beslissing rechter

2.8.1

Voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij gelden niet de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering maar de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. Overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv rust op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. In de context van het strafproces heeft die stelplicht in het bijzonder betrekking op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade.

2.8.2

In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan.

2.8.3

In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. art. 149 Rv) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het hiervoor onder 2.1 bedoelde geval voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. In laatstgenoemd geval ligt het in de rede dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en zij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Slechts in gevallen waarin de niet-toewijsbaarheid niet volgt uit de beperkingen van het strafproces, de benadeelde partij genoegzaam in de gelegenheid is geweest haar vordering te onderbouwen en de ongegrondheid van die vordering in voldoende mate is komen vast te staan, kan de rechter ervoor kiezen de vordering af te wijzen.

(...)

2.8.6

Art. 361, vierde lid, Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen.”

5.4.1

Sinds de inwerkingtreding op 1 januari 2019 van de Wet van 11 april 2018 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht teneinde de vergoeding van affectieschade mogelijk te maken en het verhaal daarvan alsmede het verhaal van verplaatste schade door derden in het strafproces te bevorderen (Stb. 2018, 132) luiden artikel 6:107 en 6:108 BW:

- artikel 6:107 BW:

“1. Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, lichamelijk of geestelijk letsel oploopt, is die ander behalve tot vergoeding van de schade van de gekwetste zelf, ook verplicht tot vergoeding van:

a. (...)

b. een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag of bedragen voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat geleden door de in lid 2 genoemde naasten van de gekwetste met ernstig en blijvend letsel.

2. De naasten, bedoeld in lid 1 onder b, zijn:

a. de ten tijde van de gebeurtenis niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of geregistreerde partner van de gekwetste;

b. de levensgezel van de gekwetste, die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam met deze een gemeenschappelijke huishouding voert;

c. degene die ten tijde van de gebeurtenis de ouder van de gekwetste is;

d. degene die ten tijde van de gebeurtenis het kind van de gekwetste is;

e. degene die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg voor de gekwetste heeft;

f. degene voor wie de gekwetste ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg heeft;

g. een andere persoon die in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de gekwetste staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 1 onder b als naaste wordt aangemerkt.”

- artikel 6:108 BW:

“1. Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is overlijdt, is die ander verplicht tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud:

(...)

3. Voorts is de aansprakelijke verplicht tot vergoeding van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag of bedragen voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, geleden door de in lid 4 genoemde naasten als gevolg van het overlijden.

4. De naasten, bedoeld in lid 3, zijn:

a. de ten tijde van de gebeurtenis niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of geregistreerde partner van de overledene;

b. de levensgezel van de overledene, die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam met deze een gemeenschappelijke huishouding voert;

c. degene die ten tijde van de gebeurtenis ouder van de overledene is;

d. degene die ten tijde van de gebeurtenis het kind van de overledene is;

e. degene die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg voor de overledene heeft;

f. degene voor wie de overledene ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg heeft;

g. een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt.”

5.4.2

De geschiedenis van de hiervoor genoemde wet van 11 april 2018 houdt onder meer in:

- de memorie van toelichting:

“Het tweede lid [van artikel 6:107 BW] bepaalt de kring van personen die recht op vergoeding van affectieschade hebben. Het uitgangspunt daarbij is dat die kring wordt beperkt tot personen die geacht mogen worden een zeer nauwe band met het slachtoffer te hebben. Alleen in die gevallen is het gerechtvaardigd ervan uit te gaan dat het letsel van het slachtoffer voor deze personen een zo ernstig verlies betekent dat vergoeding op zijn plaats is. Zou de kring van gerechtigden te ruim worden getrokken, dan zou de beheersbaarheid van de regeling sterk afnemen en zou voorts onvoldoende zekerheid bestaan dat een vergoeding alleen wordt betaald in gevallen waarin daadwerkelijk van een ernstig verlies sprake is. In dat geval zou, gelet op de primaire functie van het recht op vergoeding van affectieschade, de waarde van de daarin gelegen erkenning van het geleden verlies door het recht in de praktijk sterk kunnen devalueren.

(...)

In onderdeel g is een hardheidsclausule opgenomen die onder uitzonderlijke omstandigheden een recht op vergoeding van affectieschade toekent aan een persoon die niet tot de «vaste kring» van gerechtigden behoort. Voor affectieschade komt ingevolge dit onderdeel in aanmerking een persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke betrekking tot de overledene staat, dat hij als naaste in de zin van derde lid wordt aangemerkt. In de consultatie is door DLR en het Verbond gevraagd om verduidelijking van het begrip «nauwe persoonlijke betrekking». Voor het aannemen van een nauwe persoonlijke betrekking dient een hechte affectieve relatie te worden aangetoond. Niet de formele maar de feitelijke verhouding is beslissend. De omstandigheden van het geval zijn bepalend. Factoren van belang zijn onder meer de intensiteit, de aard en de duur van de relatie. (...) Een voorbeeld van een nauwe persoonlijke betrekking kan zijn een relatie van broers of zussen die langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen, of een langdurige, hechte LAT-relatie. Ook elders in de wet wordt het begrip nauwe, persoonlijke betrekking gehanteerd (vgl. artt. 1:204, derde lid, en artikel 1:377a BW). Voor de rechtspraktijk is dit een werkbaar begrip gebleken. Indien een beroep wordt gedaan op onderdeel g zijn anders dan bij de meeste andere onderdelen discussies over de invulling daarvan niet uit te sluiten. Onderdeel g dient echter te worden bezien in het kader van het spanningsveld tussen de wenselijkheid van een eenvoudig uitvoerbare regeling en een regeling die toch ook ruimte biedt om in sprekende gevallen naasten, die zich lastig laten vatten in specifiek te benoemen categorieën, voor vergoeding van affectieschade in aanmerking te laten komen.”

(Kamerstukken II 2014/15, 34257, nr. 3, p. 13-15.)

- de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer:

“De leden van de VVD-fractie vragen wat wordt verstaan onder een «nauwe persoonlijke relatie» (artikel 6:107 lid 2, onder g en artikel 6:108 lid 4, onder g, van het wetsvoorstel). Zij vragen of halfbroers en -zussen hiertoe bijvoorbeeld ook behoren.

In voornoemde voorgestelde artikelonderdelen is kort gezegd opgenomen dat de persoon die in een nauwe persoonlijke relatie staat tot de gekwetste of de overleden persoon, gerechtigd is tot de vergoeding van affectieschade. Dit betreft een hardheidsclausule, waarop in uitzonderlijke gevallen een beroep kan worden gedaan. Voor het aannemen van een nauwe persoonlijke betrekking dient een hechte affectieve relatie te worden aangetoond. Niet de formele maar de feitelijke verhouding is beslissend. De omstandigheden van het geval zijn bepalend. Factoren van belang zijn onder meer de intensiteit, de aard en de duur van de relatie. Aan (half)broers of -zussen komt als zodanig geen beroep op de hardheidsclausule toe. In een bijzonder geval kan worden bezien of hun feitelijke relatie een beroep op de hardheidsclausule rechtvaardigt. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn, indien twee (half)broers langdurig met elkaar samenleven en voor elkaar zorgen.

(...)

Het wetsvoorstel bevat een «gesloten regeling». Het gaat uit van een vaste groep van gerechtigden en van vaste bedragen. Dat voorkomt dat eenvoudig tot een oprekking van de regeling kan worden overgegaan. In een bijzonder geval kan evenwel beroep worden gedaan op een hardheidsclausule: een persoon die in een nauwe persoonlijke relatie staat tot de gekwetste of de overledene kan op grond van de redelijkheid en billijkheid als naaste in de zin van het wetsvoorstel worden aangemerkt, en daarmee als gerechtigde tot de vergoeding van affectieschade (zie artikel 6:107 lid 2, onder g, en artikel 6:108 lid 3, onder g van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), zoals deze komen te luiden ingevolge het wetsvoorstel). Hierdoor kan in een uitzonderlijk geval een andere naaste voor de vergoeding van affectieschade in aanmerking komen. De desbetreffende nauwe persoonlijke relatie moet worden aangetoond door de naaste. In voorkomende gevallen oordeelt de rechter uiteindelijk of aan die voorwaarde wordt voldaan. Ik verwacht daarom in dit geval geen eenvoudige oprekking van de regeling.”

(Kamerstukken I 2016/17, 34257, C, p. 6-7.)

- de nadere memorie van antwoord aan de Eerste Kamer:

“In uitzonderlijke gevallen kan een nauwe persoonlijke relatie met de gekwetste ook rechtvaardigen dat een naaste recht heeft op de vergoeding van affectieschade op grond van de hardheidsclausule (zie artikel 6:107 lid 2, onder g, en artikel 6:108 lid 3, onder g BW zoals voorgesteld). Het is aan de naaste om deze nauwe persoonlijke betrekking aannemelijk te maken. Voor het aannemen van een nauwe persoonlijke betrekking is biologische verwantschap niet vereist. Biologische verwantschap kan bij de vraag of hiervan sprake is wel van belang zijn. Het is uiteindelijk aan de rechter om de bijzondere omstandigheden te wegen en te beslissen op de aanspraak op vergoeding van affectieschade. Een voorbeeld van een beroep op de hardheidsclausule van voornoemde artikelonderdelen is de situatie van twee broers die hun leven lang samenwonen en voor elkaar zorgen. Wordt één van hen het slachtoffer van een ongeval, dan kan de ander aanspraak maken op de vergoeding van affectieschade, omdat hun nauwe persoonlijke relatie dat rechtvaardigt.”

(Kamerstukken I 2017/18, 34257, E, p. 5.)

5.5.1

Uit de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever tot uitgangspunt heeft genomen dat de kring van personen die recht hebben op vergoeding van affectieschade, beperkt is tot personen die geacht mogen worden een zeer nauwe band met het slachtoffer te hebben. Een ruimere kring van gerechtigden zou volgens de wetgever de beheersbaarheid van de regeling sterk doen afnemen en onvoldoende zekerheid bieden dat een vergoeding alleen wordt betaald in gevallen waarin daadwerkelijk sprake is van een ernstig verlies.

5.5.2

Tot de kring van personen die recht hebben op vergoeding van affectieschade behoort volgens artikel 6:107 lid 2, aanhef en onder g, en 6:108 lid 4, aanhef en onder g, BW ook de ‘andere persoon’ die in een zodanig nauwe persoonlijke relatie tot het slachtoffer staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat ook hij wordt aangemerkt als naaste die recht heeft op vergoeding van affectieschade. Bij die ‘andere persoon’ gaat het om een naaste, die niet al in die bepalingen onder a tot en met f is genoemd. Om op grond van deze – in de wetsgeschiedenis als ‘hardheidsclausule’ aangeduide – bepaling als rechthebbende te worden aangemerkt, moet door die naaste een hechte affectieve relatie worden aangetoond, waarbij als relevante factoren zijn genoemd de intensiteit, de aard en de duur van de relatie.
(Vgl. HR 31 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:33.)

5.5.3

De beantwoording van de vraag of de benadeelde partij kan worden aangemerkt als zo’n ‘andere persoon’, is afhankelijk van informatie die zich doorgaans geheel in het domein van de benadeelde partij bevindt. Voor de verdediging kan het moeilijk zijn om haar betwisting van de door de benadeelde partij aangevoerde feiten en omstandigheden en de bij de selectie daarvan gemaakte keuzes, te voorzien van een nadere inhoudelijke onderbouwing (vgl., over een vordering van een nabestaande tot vergoeding van gederfd levensonderhoud als bedoeld in artikel 6:108 lid 1 BW, HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:644, rechtsoverweging 3.3.3). In het geval waarin een benadeelde partij een vordering tot vergoeding van affectieschade indient op de grond dat zij kan worden aangemerkt als zo’n ‘andere persoon’, zal de benadeelde partij de stelling dat sprake is van een hechte affectieve relatie met concrete gegevens moeten onderbouwen. Als de rechter oordeelt dat de benadeelde partij daarin niet in voldoende mate is geslaagd of dat de verdediging niet in voldoende mate in de gelegenheid is geweest de vordering te betwisten ligt het – tegen de achtergrond van het onder 5.3 weergegeven arrest – in de rede dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

5.6.1

Het hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partij de grootmoeder is van het slachtoffer [slachtoffer] en dat de benadeelde partij tijdens de jeugd van [slachtoffer] was benoemd tot haar voogd. Daarnaast heeft het hof overwogen dat de benadeelde partij een nauwe en affectieve relatie had met [slachtoffer] en dat zij veel pijn en verdriet heeft ondervonden en ondervindt door de dood van [slachtoffer] . Bij zijn oordeel over de vordering van de benadeelde partij heeft het hof verder tot uitgangspunt genomen dat een beperkte kring van gerechtigden aanspraak kan maken op affectieschade en dat het daarbij gaat om partners, ouders en kinderen van de overledene en om gevallen waarin sprake is van een duurzame zorgrelatie in gezinsverband, zoals bij pleegkinderen of bij het kleinkind dat door een grootouder wordt grootgebracht. Voorts heeft het hof overwogen dat de benadeelde partij niet tot de kring van gerechtigden behoort die zo’n aanspraak hebben en dat onvoldoende is gebleken van uitzonderlijke omstandigheden op basis waarvan de benadeelde partij op grond van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder g, in samenhang met 6:108 lid 3 BW vergoeding van affectieschade kan vorderen.

5.6.2

Het op deze vaststellingen en overwegingen gebaseerde oordeel van het hof dat de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van affectieschade in verband met het overlijden van het ten tijde van het bewezenverklaarde feit 42-jarige slachtoffer niet-ontvankelijk moet worden verklaard, getuigt in het licht van de onder 5.4.2 weergegeven wetsgeschiedenis en de beperkingen van het strafproces die voortvloeien uit wat onder 5.5 is vooropgesteld, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, is voor verdere toetsing van dit oordeel in cassatie geen plaats.