Overslaan en naar de inhoud gaan

RBLIM 120325 hoofdelijke aansprakelijkheid t.z.v. zwaar vuurwerk bij auto en voordeur; smartengeld vanwege gehoorschade en psychische klachten, € 5000

RBLIM 120325 hoofdelijke aansprakelijkheid t.z.v. zwaar vuurwerk bij auto en voordeur; smartengeld vanwege gehoorschade en psychische klachten, € 5000

3Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, na vermindering van eis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht te verklaren dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] jegens hem een onrechtmatige daad hebben begaan en aansprakelijk zijn voor alle door hem daaruit geleden en mogelijk nog te lijden schade;

II. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen om aan hem € 9.746,75 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2023 tot de dag van betaling;

III. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[eiser] stelt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] door zijn auto te vernielen en door te pogen vuurwerk naar binnen te gooien om hem (zwaar) te mishandelen, strafbare gedragingen en daarmee onrechtmatige gedragingen hebben begaan als bedoeld in art. 6:162 BW, als gevolg waarvan [eiser] schade heeft geleden. De materiële schade bestaat uit € 746,75 voor een gehoorapparaat, oplader en verzekeringskosten. De immateriële schade bestaat uit blijvende gehoorschade en tinnitus die [eiser] als gevolg van de explosies heeft opgelopen. Daarom vordert [eiser] € 7.500,- aan schadevergoeding. Verder ondervindt [eiser] als gevolg van de onrechtmatige gedragingen angst- en stressgevoelens. Vanwege deze psychische klachten vordert [eiser] € 1.500,-.

3.3.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren verweer. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

3.4.

[gedaagde sub 1] voert (onder meer) aan dat hetgeen [eiser] stelt met een korrel zout moet worden genomen. [gedaagde sub 1] betwist onder andere de vernieling van de auto, dat sprake zou zijn van het afsteken van vuurwerk en hij betwist dat sprake is geweest van explosies. Verder heeft de KNO-arts het over perceptief gehoorverlies naar alle waarschijnlijkheid gerelateerd aan een recent lawaaitrauma. Volgens [gedaagde sub 1] is het causaal verband daarmee niet aangetoond en hij wijst op andere medische oorzaken van gehoorschade. Ook wijst [gedaagde sub 1] op andere medische oorzaken van de gestelde psychische klachten.

3.5.

[gedaagde sub 2] voert (onder meer) aan dat geen sprake is van een strafrechtelijke veroordeling. De gestelde onrechtmatige daad kan dus niet bestaan uit het begaan van een strafbaar feit. Verder stelt [gedaagde sub 2] dat [eiser] zijn vriendin, [naam vriendin 2] ( [naam vriendin 2] ) zou hebben verkracht. Dit kwam tijdens een verjaardagsfeest op 10 december 2022 ter sprake en [gedaagde sub 2] en zijn broer [gedaagde sub 1] zijn toen naar de [adres] gegaan waar [eiser] bij zijn toenmalige vriendin was. Bij wijze van wraak wilden zij vuurwerk afsteken op de auto. Er is geen sprake van een poging vuurwerk naar binnen te gooien om [eiser] zwaar te mishandelen. Dat [gedaagde sub 2] tijdens het verhoor bij de politie heeft verklaard dat gepoogd is vuurwerk door de brievenbus te duwen, is het gevolg van informatie die de politie hem heeft voorgehouden. [gedaagde sub 2] erkent aanwezig te zijn geweest bij het afsteken van het vuurwerk op de auto. Hij heeft dit vuurwerk echter niet afgestoken en hij wist niet van en was niet betrokken bij het afsteken van vuurwerk bij de woning van [naam vriendin 1] . [gedaagde sub 2] was ook niet het ‘brein’ daarachter. Daarom kan de (im)materiële schade [gedaagde sub 2] niet worden toegerekend en ontbreekt het causaal verband. [gedaagde sub 2] heeft onder verwijzing naar de rechtspraak daarover gesteld dat een schadebedrag van € 5.000,- passend is. Verder zijn de door [eiser] gestelde psychische klachten onvoldoende onderbouwd.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling

Goede procesorde; toezending conclusie van repliek

4.1. (

De gemachtigde van) [gedaagde sub 2] heeft opgemerkt dat hij van de rechtbank geen exemplaar van de conclusie van repliek, tevens vermindering van eis heeft ontvangen, dat hij deze heeft opgevraagd bij (de gemachtigde van) [eiser] en deze vervolgens zonder producties heeft ontvangen. De producties heeft (de gemachtigde van) [gedaagde sub 2] opgevraagd bij (de gemachtigde van) [eiser] en gekregen. Omdat (de gemachtigde van) [gedaagde sub 2] geen exemplaar van de conclusie van repliek, tevens vermindering van eis heeft ontvangen van de rechtbank stelt hij dat [gedaagde sub 2] is benadeeld in de mogelijkheid de zaak te kunnen bespreken en voor te bereiden.

4.2.

Uit het griffiedossier blijkt inderdaad niet dat de rechtbank een exemplaar van de conclusie van repliek, tevens vermindering van eis aan (de gemachtigde van) [gedaagde sub 2] heeft verzonden. Dat berust op een vergissing ter griffie en dat had niet mogen gebeuren. (De gemachtigde van) [gedaagde sub 2] heeft, zo begrijpt de kantonrechter, een exemplaar van dit processtuk ontvangen van (de gemachtigde van) [eiser] . De kantonrechter gaat ervan uit dat (de gemachtigde van) [eiser] (uiteindelijk) het volledige processtuk heeft toegezonden en dat (de gemachtigde van) [gedaagde sub 2] daar dus ook kennis van heeft genomen. Bovendien had (de gemachtigde van) [eiser] de conclusie van repliek, tevens vermindering van eis destijds alsnog bij de rechtbank kunnen opvragen. Dat heeft hij niet gedaan. Wel is een verzoek om uitstel voor het nemen van de conclusie van dupliek ingediend en toegewezen. De kantonrechter neemt dan ook aan dat [gedaagde sub 2] voldoende voorbereidingstijd heeft gehad. [gedaagde sub 2] heeft ook niet gemotiveerd waaruit het nadeel bestond (behalve dat de gang van zaken niet de schoonheidsprijs verdient) of bestaat, noch heeft hij verzocht om toezending van een kopie van het bij de rechtbank ingediende exemplaar om daar thans nog op te kunnen reageren of om na te gaan of dit overeenstemt met het exemplaar dat hij heeft gekregen. De kantonrechter neemt dan ook aan dat [gedaagde sub 2] met zijn mededelingen enkel beoogt de kantonrechter daarvan in kennis te stellen.

4.3.

[gedaagde sub 2] merkt ook nog op dat hij geen reactie zal geven op de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 1] . Dit stuk heeft [gedaagde sub 2] niet, maar hij hoeft daarop ook geen reactie te geven.

Overwegingen vooraf

4.4.

De kantonrechter overweegt dat zij ten tijde van het uitspreken van dit vonnis niet bekend is met een strafrechtelijke veroordeling die ziet op de door [eiser] gestelde onrechtmatige gedragingen. Ook als geen strafrechtelijke veroordeling is gevolgd, kan echter toch sprake zijn van civielrechtelijk onrechtmatig gedrag.

4.5.

[eiser] deelt mee dat de centrale stelling is dat er vuurwerk is afgestoken bij de voordeur van de woning van [naam vriendin 1] (waar [eiser] toen was) en hij daardoor schade heeft geleden. De gevorderde schadevergoeding ziet ook op de schade die volgens [eiser] door het afsteken van vuurwerk bij de voordeur van de woning is ontstaan. De focus zal in dit vonnis dan ook met name worden gelegd op deze stelling en in mindere mate op de stelling dat eerder vuurwerk is afgestoken op de auto van [eiser] .

4.6.

Gezien de omstandigheid dat gedaagden niet bij dezelfde gemachtigde procederen, dient de kantonrechter per gedaagde aan de hand van de in diens procedure ingebrachte stukken te beoordelen of sprake is van onrechtmatig handelen.

Onrechtmatige daad [gedaagde sub 1]

4.7.

Artikel 6:162 BW bepaalt dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.

4.8.

Op de camerabeelden is (onder meer) te zien dat twee personen, een persoon met een rode capuchon en een kleinere persoon met een zwarte capuchon, rond 22:42 op 10 december 2022 naar een auto lopen, waarbij de kleinere persoon naar het nummerbord aan de achterzijde wijst (waarbij diens capuchon naar beneden valt). Daarna lopen beiden weg; aan een lichtbundel is te zien dat een ander voertuig in aantocht is. Rond 22:45 komt de persoon met de rode capuchon terug, legt vuurwerk onder de vooruit van de auto en rent weg, waarna het vuurwerk ontploft.

4.9.

Op camerabeelden van de vroege ochtend van 11 december 2022 rond 1:48 uur is te zien dat een persoon vuurwerk afsteekt bij een voordeur van een woning, het aangestoken vuurwerk neerlegt voor de deur en dat deze persoon daarna wegrent. Op hetzelfde moment wordt de voordeur even geopend en meteen weer gesloten, waarna er vlak na elkaar twee explosies volgen. Na de explosies komen twee personen de woning uit en een derde persoon komt van de andere kant van de straat richting de woning gelopen.

4.10.

[eiser] heeft zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] herkend op de camerabeelden, nadat deze hem door de politie waren getoond.

4.11.

[eiser] heeft Appverkeer overgelegd van 16 december 2022 afkomstig van [naam vriendin 2] . [naam vriendin 2] vraagt aan de moeder van [eiser] hoe het met [eiser] en zijn auto gaat en zij wil sorry zeggen voor hetgeen ‘de heren’ hebben gedaan, want wat zij hebben gedaan gaat te ver. [eiser] heeft ook een ander Appbericht van [naam vriendin 2] overgelegd waarin [naam vriendin 2] het volgende meedeelt: ‘Na twee maanden heb ik het mijn vriend kunnen vertellen en heeft hij samen met zijn broer zijn auto naar de Filistijnen geholpen met vuurwerk (…).’

4.12.

De kantonrechter stelt vast dat [eiser] gedetailleerd heeft verklaard over het afsteken van vuurwerk op zijn auto en daarna, in de nacht, voor de woning van [naam vriendin 1] . Wat [eiser] daarover verklaart, komt op belangrijke punten overeen met de verklaring die [naam vriendin 1] heeft afgelegd tegenover de politie. [eiser] heeft zijn verklaringen onderbouwd met de processen-verbaal van aangifte van [naam vriendin 1] en hemzelf, de camerabeelden en het WhatsAppverkeer van [naam vriendin 2] . De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [gedaagde sub 1] niet heeft kunnen volstaan met het eenvoudigweg ontkennen van de door [eiser] gestelde en onderbouwde onrechtmatige gedragingen. Verder heeft [gedaagde sub 1] de mededeling van [eiser] - inhoudende dat [gedaagde sub 1] tijdens het politieverhoor heeft erkend dat hij vuurwerk tot ontploffing heeft gebracht bij de auto en de voordeur van het huis waar [eiser] verbleef (randnummer 10 conclusie van repliek) - niet gemotiveerd weersproken, terwijl hij wel erkent dat er een strafrechtelijke procedure tegen hem loopt. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat het niet nodig is om aan [eiser] bewijs op te dragen van zijn stellingen, zoals [gedaagde sub 1] heeft geopperd. Gelet op de stellingen van [eiser] , het gebrek aan een voldoende gemotiveerde betwisting daarvan ( [gedaagde sub 1] lijkt zich ten doel te hebben gesteld rookgordijnen op te werpen in plaats van een reëel verweer te voeren), de camerabeelden, het Appverkeer van [naam vriendin 2] , is de kantonrechter van oordeel dat er met een voldoende mate van zekerheid kan worden aangenomen dat [gedaagde sub 1] vuurwerk heeft afgestoken op de auto van [eiser] en bij de voordeur van de woning van [naam vriendin 1] .

4.13.

De kantonrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat [gedaagde sub 1] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door vuurwerk te laten ontploffen bij diens auto en de woning van [naam vriendin 1] . Op grond van artikel 6:162 BW is [gedaagde sub 1] aansprakelijk voor de door [eiser] geleden schade.

Aansprakelijkheid [gedaagde sub 2]

4.14.

[gedaagde sub 2] heeft het proces-verbaal van bevindingen overgelegd van 12 december 2022, de processen – verbaal van verhoor van [gedaagde sub 1] van 12 en 13 december 2022 en het proces – verbaal van verhoor van [gedaagde sub 2] van 13 december 2022.

4.15.

[gedaagde sub 1] is op 12 december 2022 verhoord door de politie in verband met een verdenking van vernieling in vereniging en brandstichting. [gedaagde sub 1] heeft verklaard dat hij uit wraak, omdat [eiser] een vriendin, [naam vriendin 3] , zou hebben verkracht, een zogenaamde shell (een mortierbom) heeft afgestoken op de auto van [eiser] . Verder heeft hij verklaard dat hij later is teruggegaan naar de woning van [naam vriendin 1] en daar vuurwerk voor de deur heeft afgestoken, nadat hij door de brievenbus had gecontroleerd of er iemand was.

4.16.

[gedaagde sub 2] is op 13 december 2022 door de politie verhoord in verband met de dezelfde verdenkingen. Tijdens dit verhoor heeft hij onder andere verklaard dat hij met zijn broer [gedaagde sub 1] naar de [adres] is gegaan, dat hij de auto van [eiser] heeft aangewezen en [gedaagde sub 1] op de auto vuurwerk heeft aangestoken. Later zijn beiden weer teruggegaan naar de [adres] en daar heeft [gedaagde sub 1] volgens [gedaagde sub 2] gepoogd vuurwerk in de brievenbus van de woning van [naam vriendin 1] te gooien. [gedaagde sub 2] heeft verklaard dat hij niet wist dat [gedaagde sub 1] het vuurwerk in de brievenbus zou gooien. Beiden waren op het idee gekomen om de auto met vuurwerk te vernielen uit wraak omdat [eiser] de vriendin van [gedaagde sub 2] , [naam vriendin 2] , zou hebben verkracht.

4.17.

Gelet op hetgeen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben verklaard, de camerabeelden, de foto van [gedaagde sub 2] die [eiser] in het geding heeft gebracht, staat naar het oordeel van de kantonrechter met een voldoende mate van zekerheid vast dat [gedaagde sub 1] het vuurwerk op de auto en bij de voordeur heeft afgestoken en dat [gedaagde sub 2] daarbij aanwezig en betrokken was.

4.18.

De vraag of [gedaagde sub 2] aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade als gevolg van het aansteken van vuurwerk door [gedaagde sub 1] , zal de kantonrechter - de rechtsgronden ambtshalve aanvullend - beoordelen op grond van artikel 6:166 BW.

4.19.

Art. 6:166 lid 1 BW bepaalt dat indien één van tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, zij hoofdelijk aansprakelijk zijn indien deze gedragingen hun kunnen worden toegerekend.

Willen degenen die niet zelf rechtstreeks de schade hebben toegebracht, aansprakelijk zijn, dan moet aan de volgende vereisten zijn voldaan:

1. degene die de schade rechtstreeks toebracht moet een onrechtmatige daad hebben begaan. Niet is noodzakelijk dat hem schuld treft – bij voorbeeld wegens een geestelijke tekortkoming ontbreekt bij hem de schuld – omdat als aan de beide volgende vereisten is voldaan ook dan een aansprakelijkheid van de andere tot de groep behorende personen op zijn plaats is.

2. de kans op het aldus toebrengen van schade moet zodanig zijn geweest, dat zij de tot de groep behorende personen hadden behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband. Dit impliceert dat alleen hij aansprakelijk kan zijn, die wist of behoorde te begrijpen dat het groepsoptreden het gevaar schiep voor schade als die in concreto is toegebracht. Zo zal een deelnemer aan een relletje niet aansprakelijk zijn voor de gevolgen van een dodelijk schot, als hij redelijkerwijs niet kon begrijpen dat één der aanwezigen een schietwapen bij zich had of zodanig wapen zou gebruiken. Zo zal ook in geval van zaaksbeschadiging bij een volksoploop het enkele deelnemen aan die oploop niet voldoende zijn voor aansprakelijkheid.

3. een tot de groep behorende persoon is alleen aansprakelijk indien hem schuld treft.

4.20.

De regeling van art. 6:166 BW voorziet in een individuele aansprakelijkheid van tot een groep behorende personen (deelnemers) voor onrechtmatig vanuit de groep toegebrachte schade. De mate van betrokkenheid van de afzonderlijke deelnemers bij het onrechtmatig handelen is niet van belang. Deze individuele aansprakelijkheid vindt haar rechtvaardiging in een ieders bijdrage aan het in het leven roepen van de kans dat zodanige schade zou ontstaan. Zij vindt haar begrenzing in de eis dat de kans op het aldus toebrengen van schade hen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband.

4.21.

In dit verband is van belang dat [gedaagde sub 2] samen met [gedaagde sub 1] naar de [adres] is gegaan met het oogmerk wraak te nemen op [eiser] door hem, door middel van het afsteken van vuurwerk, schade te berokkenen. [gedaagde sub 2] heeft de auto aangewezen (wat ook op de camerabeelden te zien is), hij is vervolgens weggelopen en zijn broer heeft het vuurwerk laten ontploffen. Daarna zijn ze samen weggerend en naar het huis van [gedaagde sub 2] gegaan. Vervolgens zijn zij wederom naar de [adres] gegaan. [gedaagde sub 2] heeft verklaard dat hij in de veronderstelling was dat zijn broer vuurwerk zou laten ontploffen op of onder de auto en dat hij niet wist dat zijn broer het vuurwerk in de brievenbus zou doen. [gedaagde sub 2] heeft verklaard dat hij toen niet in de buurt van de auto is geweest, maar in een nabijgelegen straat is blijven staan. Op de verklaring dat hij niet in de buurt is geweest van de auto is [gedaagde sub 2] later in het verhoor terugkomen door te verklaren dat hij de auto heeft zien staan toen zij de tweede keer in de [adres] waren. Door aldus te handelen heeft [gedaagde sub 2] bijgedragen aan de kans op het onrechtmatig toebrengen van schade. Op geen enkel moment heeft [gedaagde sub 2] zich daadwerkelijk gedistantieerd van de gedragingen van [gedaagde sub 1] . Zijn verklaring dat hij niet in de [adres] is geweest toen zij zich daar in de nacht van 11 december 2022 naartoe begaven, is inconsistent en, voor zover [gedaagde sub 2] een andere straat is ingelopen op het moment dat [gedaagde sub 1] het vuurwerk afstak, geeft dit geen blijk van een poging om [gedaagde sub 1] ervan te weerhouden vuurwerk af te steken. Zijn veronderstelling dat [gedaagde sub 1] , in afwijking van het oorspronkelijk plan, vuurwerk heeft afgestoken bij de voordeur in plaats van op de auto, pleit [gedaagde sub 2] niet vrij van aansprakelijkheid op grond van artikel 6:166 BW, omdat hij had moeten beseffen dat hun gezamenlijk optreden het gevaar schiep voor de schade zoals deze aan [eiser] is toegebracht. Zij hebben het vuurwerk samen meegebracht. Het ging om zwaar, illegaal vuurwerk en het doel van beiden was [eiser] schade te berokkenen en schrik aan te jagen. Het leggen van vuurwerk bij de voordeur is ernstiger dan het leggen van vuurwerk bij de auto van [eiser] , maar deze tweede onrechtmatige daad is niet dusdanig anders van aard, dat deze [gedaagde sub 2] daarom niet kan worden toegerekend.

4.22.

De kantonrechter laat in het midden of [gedaagde sub 1] gepoogd heeft vuurwerk door de brievenbus naar binnen te gooien, omdat dit uiteindelijk niet is gebeurd en het voor de civielrechtelijke aansprakelijkheid niet relevant is. Vast staat dat het vuurwerk voor de voordeur is ontploft en niet in de woning.

Schade

4.23.

De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] in voldoende mate heeft aangetoond dat hij gehoorschade (gehoorverlies en tinnitus) heeft opgelopen als gevolg van het afsteken van vuurwerk bij de voordeur van de woning van [naam vriendin 1] . Dat dit het geval is, volgt uit de informatie van de huisarts van 11 december 2022, de brief van KNO-arts [naam KNO-arts 1] van 24 januari 2023 en de brief van KNO-arts [naam KNO-arts 2] van 18 juli 2023. In laatstgenoemde brief heeft de KNO-arts geconcludeerd dat sprake is van een perceptief gehoorverlies links naar alle waarschijnlijkheid gerelateerd aan een recent lawaaitrauma.

De kantonrechter heeft kennis genomen van de beschouwingen van de gemachtigde van [gedaagde sub 1] , waarmee deze het causaal verband tussen de explosies door vuurwerk en de gehoorschade probeert te ontkrachten. De mening van deze gemachtigde is echter onvoldoende ter weerlegging van de medisch onderbouwde stelling van [eiser] dat dit causaal verband wel degelijk aanwezig is. Dat de KNO-arts niet heeft gerapporteerd dat de gehoorschade met zekerheid het gevolg is van het lawaaitrauma, doet daar niet aan af en dit is ook niet vereist voor het aannemen van causaal verband tussen de onrechtmatige daad en de schade. Verder heeft te gelden dat tinnitus naar algemene ervaringsregels een beperkende en storende invloed op het gehoor heeft, wat zijn weerslag heeft op het (beroepsmatige) functioneren en op het algehele welbevinden.

4.24.

De kantonrechter volgt [eiser] niet in zijn stelling dat sprake is van PTSS. De huisarts heeft deze diagnose wel genoemd in zijn brief van 5 april 2024, maar er is geen rapport van een psycholoog of psychiater die deze diagnose heeft gesteld en onderbouwd. De kantonrechter acht echter wel aannemelijk dat [eiser] psychische klachten heeft ondervonden en ondervindt als gevolg van de onrechtmatige daad en de daardoor opgelopen gehoorschade en tinnitus.

4.25.

De kantonrechter is van oordeel dat, mede gelet op de jeugdige leeftijd van [eiser] ten tijde van de onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan voor hem, een schadevergoeding, voor gehoorschade en de psychische klachten van € 5.000,00 billijk is.

4.26.

De materiële schade heeft [eiser] in voldoende mate onderbouwd met de factuur van Infomedics van 2 oktober 2023. Een bedrag van € 746,75 zal dan ook worden toegewezen.

Conclusie

4.27.

De kantonrechter komt tot de conclusie dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de geleden schade van € 5.746,75. Rechtbank Limburg 12 maart 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:2455