Overslaan en naar de inhoud gaan

RBLIM 291025 ongeval bij demonteren vuurwapen; geen ES vanwege handelen eiseres zelf; oordeel over diverse schadeposten

RBLIM 291025 ongeval bij demonteren vuurwapen; geen ES vanwege handelen eiseres zelf; oordeel over diverse schadeposten
- aanvullende smartengeldvordering zonder actuele medische onderbouwing; volgt afwijzing

2De feiten

2.1.

[eiseres] en [gedaagde] hebben gedurende enige tijd een affectieve relatie gehad. In die periode is [eiseres] op 20 augustus 2013 met [gedaagde] meegegaan toen [gedaagde] naar het woonverblijf van ex-partner ging om een confrontatie aan te gaan. [eiseres] en [gedaagde] zijn per auto ter plaatse gegaan. Op de plaats van bestemming aangekomen, is [gedaagde] uitgestapt. Enige tijd later is hij teruggekomen en heeft plaatsgenomen op de achterbank van de auto, achter de bestuurdersstoel. [eiseres] zat (toen) achter het stuur en is weggereden. [gedaagde] had een vuurwapen bij zich dat hij heeft willen demonteren. Daarbij het vuurwapen afgegaan, waarbij [eiseres] met de afgevuurde kogel in haar rug en buik is geraakt.

2.2.

[eiseres] heeft [gedaagde] op 12 december 2017 gedagvaard voor deze rechtbank. Op haar vordering is bij vonnis van 14 november 2018 (geen publicatie bekend, red. LSA LM) voor recht verklaard dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden schade als gevolg van ‘de in de dagvaarding genoemde onrechtmatige daad op 20 augustus 2013’, waarmee gedoeld wordt op het onvoorzichtig handelen bij het demonteren van het vuurwapen. [gedaagde] is veroordeeld de door [eiseres] geleden immateriële en materiële schade te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2013. Ook is [gedaagde] veroordeeld een voorschot op de immateriële schadevergoeding te betalen van € 5.000,00 en is hij veroordeeld in de proceskosten. [gedaagde] heeft aan deze veroordeling voldaan.

2.3.

De eveneens bij dagvaarding van 12 december 2017 ingestelde vordering strekkende tot het toekennen van een voorschot op de materiële schadevergoeding, is afgewezen. De relevante overwegingen van de rechtbank luidden als volgt:

‘4.6. [eiseres] heeft echter nagelaten de diverse materiële schadeposten te onderbouwen. [eiseres] had op zijn minst (een) rapportage(s) van (een) medisch deskundige(n) moeten overleggen waaruit blijkt wat de aard en ernst van haar fysieke klachten en beperkingen zijn en dat deze oorzakelijk verband houden met het incident. Ook ontbreekt een rapportage van een verzekeringsgeneeskundige en arbeidsgeneeskundige over hoe die klachten en beperkingen van invloed zijn op de mogelijkheid om loonvormende arbeid te verrichten, om zelf het huishouden te doen, alsmede klussen in, aan en rond het huis te verrichten en haar hobby uit te oefenen.

4.7.

Evenmin heeft [eiseres] de kosten van medische hulp en hulpmiddelen en reiskosten onderbouwd, zodat ook deze kosten onbekend zijn.

4.8.

Van geen enkele schadepost heeft [eiseres] ook maar een (berekende) schatting van de uiteindelijke totale omvang van de respectieve kostenpost overgelegd, zodat de rechtbank ook niet bij benadering kan vaststellen of het gevorderde voorschot redelijk is.

4.9.

[eiseres] heeft weliswaar bij dagvaarding een groot aantal medische stukken in het geding gebracht, maar deze geven geen van alle een antwoord op voormelde (in 4.5.1 bedoelde) vragen. De door [eiseres] bij dagvaarding in het geding gebrachte medische documentatie is bovendien voor een belangrijk deel gedateerd. De meest recente medische informatie dateert van 2016.

4.10.

[eiseres] heeft ten behoeve van de comparitie na antwoord nog stukken in het geding gebracht. Deze stukken zijn weliswaar recenter, maar, voor zover ze medische informatie over [eiseres] bevatten, zijn deze in het kader van de beoordeling van de bepaling van een voorschot op de materiële schade nog steeds niet relevant. Productie 11, een verklaring van MediThemis van 15 mei 2018, omvat enkel een studie van het medische dossier. Productie 12 betreft een operatieverslag van een meniscusoperatie die [eiseres] op 8 juni 2010 heeft ondergaan. Productie 17 ten slotte betreft een verslag van een neurochirurg van het academisch ziekenhuis Klina van 25 juni 2018. Dat verslag bevat slechts bevindingen na een onderzoek van [eiseres] , maar geeft evenmin antwoorden op de in 4.5.2 vermelde vragen.

4.11.

Resumerend heeft [eiseres] de rechtbank geen enkel aanknopingspunt geboden aan de hand waarvan de rechtbank kan beoordelen dat de materiële schade die [gedaagde] aan [eiseres] zal moeten vergoeden hoogstwaarschijnlijk ten minste het provisioneel gevorderde bedrag van € 50.000,-- bedraagt. Er is door [eiseres] zelfs geen aanknopingspunt geboden voor de vaststelling van een ander, lager, bedrag.

4.12.

Het enkele feit dat schade waarschijnlijk is, is onvoldoende grond om die schade ook voldoende aannemelijk te achten, in die mate dat dat toewijzing van het gevorderde kan rechtvaardigen.

4.13.

Procestactische overwegingen van [eiseres] en/of het gebrek aan financiën bij [eiseres] om de nodige deskundigenberichten te laten opstellen kunnen niet rechtvaardigen dat minder strenge eisen worden gesteld aan de mate van aannemelijkheid vereist voor toewijzing van de gevorderde provisionele vordering.’

2.4.

Tegen het vonnis van 14 november 2018 is geen beroep ingesteld.

2.5.

Op 21 december 2017 heeft [eiseres] conservatoir beslag laten leggen op de woning van [eiseres] . In het beslagrekest heeft zij haar vordering begroot op € 444.800,00. Nadat [gedaagde] tevergeefs aan [eiseres] heeft verzocht het beslag op te heffen, heeft hij [eiseres] bij dagvaarding van 6 juni 2024 in kort geding gedagvaard, met als inzet het opheffen van het beslag. Daarna hebben partijen op dat punt een regeling getroffen, waarna het beslag is doorgehaald en de kortgedingprocedure is ingetrokken.

3Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 28.564,52 , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2013, en van

€ 5.621,66, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

Deze procedure betreft de schadestaatprocedure. Beoordeeld moet worden of [gedaagde] aanvullend schadevergoeding moet betalen aan [eiseres] en zo ja, tot welk bedrag. De aansprakelijkheid als zodanig staat niet (meer) ter discussie. Hierna zal eerst het toepasselijk recht worden besproken. Daarna zal worden ingegaan op het beroep van [gedaagde] op artikel 6:101 BW. Tot slot zullen de verschillende door [eiseres] opgevoerde schadeposten aan de orde komen.

Toepasselijk recht

4.2.

In rechtsoverweging 4.1. van het vonnis van 14 november 2018 is vastgesteld dat op de vordering van [eiseres] het Nederlands recht van toepassing is.

Artikel 6:101 BW

4.3.

[gedaagde] stelt dat het letsel van [eiseres] mede door haar eigen gedrag is veroorzaakt, zodat zij de daardoor geleden schade voor een deel zelf moet dragen. [gedaagde] voert daartoe aan dat [eiseres] op 20 augustus 2013 niet heeft gehandeld zoals van een redelijk zorgvuldig handelend persoon mag worden verwacht en stelt dat [eiseres] :

- niet met [gedaagde] had hoeven mee te gaan naar de woonplaats van de ex-partner van [gedaagde] ,

- op de hoogte was van de bedoelingen van [gedaagde] , te weten: het maken van een ‘statement’ naar zijn ex-partner,

- [gedaagde] had kunnen weerhouden van het meenemen/gebruiken van het vuurwapen,

- de auto had kunnen verlaten toen zij zag dat [gedaagde] het vuurwapen uit de auto pakte,

- niet op [gedaagde] had hoeven wachten in de auto,

- de auto had kunnen verlaten toen [gedaagde] terugkwam met het vuurwapen,

- niet had hoeven wegrijden en blijven rijden,

- de auto tot stilstand had kunnen brengen en/of de auto had kunnen verlaten.

4.4.

[eiseres] betwist dat zij ervan op de hoogte was dat [gedaagde] een vuurwapen bij zich had. Zij stelt geen rekening te hebben hoeven houden met de mogelijkheid dat zij een schotwond zou oplopen. Volgens [eiseres] gaat het beroep op artikel 6:101 BW dan ook niet op.

4.5.

De rechtbank is van oordeel dat de door [gedaagde] gestelde omstandigheden niet kunnen leiden tot de conclusie dat het door [eiseres] opgelopen letsel mede het gevolg is van omstandigheden die aan haar kunnen worden toegerekend, hier toegespitst tot het handelen van [eiseres] zelf. Op zich voert [gedaagde] terecht aan dat [eiseres] bepaald onverstandig heeft gehandeld door met hem mee te gaan naar de woonplaats van de ex-partner van [gedaagde] terwijl duidelijk was dat [gedaagde] daarbij weinig goeds van zin was. Een voldoende verband met het door [eiseres] (en niet het door de ex-partner van [gedaagde] ) opgelopen letsel, acht de rechtbank daarmee echter niet gegeven. [eiseres] heeft zich niet willens en wetens in de situatie gebracht dat zij het slachtoffer zou kunnen worden van (onbedoeld) vuurwapengeweld. Vast staat ook dat het letsel het gevolg is van (een fout of vergissing bij) het demonteren van het vuurwapen en dus niet van het voorzienbaar door [gedaagde] gebruiken van het vuurwapen in nabijheid van [eiseres] . Ook als [eiseres] wist dat [gedaagde] een vuurwapen mee had, is haar letsel daarom niet mede te zien als het gevolg van haar handelen. In het midden kan dus blijven op [eiseres] er van wist.

Het beroep van [gedaagde] op artikel 6:101 BW slaagt niet.

Daggeldvergoeding ziekenhuis en revalidatie

4.6.

[eiseres] vordert een vergoeding voor de dagen dat zij als gevolg van het schietincident verbleef in ziekenhuis (17 dagen) en revalidatiekliniek (42 dagen). Voor de bedragen per dag verwijst [eiseres] naar de richtlijnen van de Letselschaderaad zoals luidend in 2013. De totale vordering op dit punt bedraagt ([17 x € 28,00] + [42 x € 14,00]) = € 1.064,00.

4.7.

[gedaagde] heeft als verweer gevoerd dat hij geen kennis heeft van het aantal dagen dat [eiseres] in een (revalidatie)kliniek heeft verbleven. [eiseres] heeft vervolgens tijdens de mondelinge behandeling verwezen naar het bij dagvaarding als onderdeel van productie 5 overgelegd verslag van de revalidatiekliniek waarin is vermeld dat [eiseres] van 20 augustus tot en met 5 september 2013 (= 17 dagen) in het ziekenhuis verbleef en van 7 januari tot en met 18 februari 2014 (= 42 dagen) in de revalidatiekliniek. In reactie daarop is namens [gedaagde] aangegeven dat hij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank over de aan te houden periode.

4.8.

Al met al is niet langer, althans niet gemotiveerd, betwist dat [eiseres] 17 dagen in het ziekenhuis en 42 dagen in de revalidatiekliniek heeft verbleven als gevolg van het schietincident en dat [eiseres] daarvoor de door haar gestelde vergoeding toekomt. De vordering zal worden toegewezen.

Eigen bijdrage ziektekostenverzekering

4.9.

[eiseres] stelt dat zij een deel van de kosten voor de medische behandeling na het schietincident zelf heeft moeten dragen omdat deze deels niet zijn gedekt door haar ziektekostenverzekering. Het zou volgens de stellingen van [eiseres] in het lichaam van de dagvaarding een bedrag van € 1.914,98 betreffen.

4.10.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat uit de door [eiseres] overlegde facturen niet blijkt dat deze voor haar rekening zijn gekomen. Verder stelt hij dat het totaal van de facturen uitkomt op € 986,45 en wijst hij erop dat er geen bewijs van betaling is overgelegd.

4.11.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] het bedrag van € 986,45 als juist erkend. In de eerdere begroting zou abusievelijk een dubbeltelling zitten. Verder heeft zij gesteld dat op de facturen is vermeld welk bedrag door verzekering wordt gedekt en welk bedrag voor de patiënt is.

4.12.

De rechtbank constateert dat [eiseres] bij dagvaarding heeft volstaan met een verwijzing naar een (voorlopige) schadestaat3, bestaande uit een overzicht van de beweerdelijk geleden schade. Onder het kopje ‘medische kosten’ staat kennelijk de opgave van de hier besproken schade, zij het dat het daarbij vermelde totaalbedrag lager is dan de bij dagvaarding ingestelde vordering op dit punt. Een verdere toelichting is slechts gegeven naar aanleiding van het verweer van [gedaagde] en bestaat uit een niet uitgewerkte stelling dat er sprake zou zijn geweest van een dubbeltelling en de erkenning van een door [gedaagde] genoemd bedrag (dat weer lager is dan de beide andere door [eiseres] genoemde bedragen). [gedaagde] heeft echter niet concreet toegelicht hoe hij tot dat bedrag is gekomen, terwijl dat ook niet op zijn weg ligt. [eiseres] deed dat dus ook niet. Zij heeft slechts gesteld dat in facturen een onderscheid zou zijn gemaakt tussen kosten die voor haar rekening komen en die voor rekening komen van de verzekeraar. Een verband tussen een van de drie genoemde schadebedragen en stukken waaruit blijkt van het voor rekening van [eiseres] gebleven deel van kosten, is niet gelegd en blijkt er ook niet klip en klaar uit. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank enkel de bedragen toewijsbaar die staan in de twee facturen van Algemeen Ziekenhuis Klina en die daarin uitdrukkelijk getypeerd worden als zijnde voor rekening van de patiënt. Het gaat daarbij om bedragen van € 23,67 en € 46,77, dus € 70,44 in totaal. Weliswaar zijn er geen bewijzen van betaling van deze (en alle andere) bedragen overgelegd, maar als vaststaand wordt aangenomen dat [eiseres] een schuld heeft gehad aan het ziekenhuis tot dat bedrag, wat betekent dat zij in zoverre schade heeft geleden.

Reis- en parkeerkosten

4.13.

In de dagvaarding heeft [eiseres] gesteld dat zij na het schietincident aanzienlijke reis- en parkeerkosten heeft moeten maken, onder andere in verband met ziekenhuisopnames, medische behandelingen, fysiotherapie, rechtbank en advocaat. Deze kosten worden door [eiseres] geschat op € 1.175,00.

4.14.

[gedaagde] betwist de door [gedaagde] opgevoerde stelpost, aanvoerend dat het arbitrair is en, mede door het verstrijken van de tijd, niet te verifiëren.

4.15.

In reactie op het verweer van [gedaagde] heeft [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat ook reiskosten van derden ten behoeve van ziekenhuisbezoek voor vergoeding in aanmerking komen. Ook heeft zij – voor het eerst – verwezen naar een als bijlage 4 bij productie 7 overgelegd overzicht van haar hand. Dat overzicht sluit op 1.080 km wat tegen een vergoeding van € 0,29 per km uitkomt op een schadebedrag van € 597,98.

4.16.

Hoewel [eiseres] aldus rijkelijk laat is gekomen met een meer concrete onderbouwing van de gevorderde kosten, is die ten aanzien van haar eigen reiskosten wel gegeven. [gedaagde] heeft daarop niet meer gereageerd of aangegeven daar meer tijd voor nodig te hebben. Dat reiskosten van [eiseres] voor vergoeding in aanmerking komen staat niet ter discussie. De vordering zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 597,98. Voor het overige wordt het als onvoldoende onderbouwd afgewezen. Het betreft voor dat deel blijkens de nadere onderbouwing van [eiseres] reiskosten van familieleden. Nog afgezien van het feit dat het in de dagvaarding volgens [eiseres] nog kosten van [eiseres] zelf betrof, heeft [eiseres] geen enkele toelichting gegeven op de omvang en frequentie van deze kosten en de personen die het zou betreffen. De, blijkens de omschrijving van de vordering, ook gevorderde parkeerkosten zijn in het geheel niet toegelicht.

Verlies van arbeidsvermogen

4.17.

[eiseres] stelt dat zij als gevolg van het schietincident volledig arbeidsongeschikt is geraakt. Zij vordert het inkomensverlies vanaf het incident tot en met maart 20164. [eiseres] begroot dat verlies op € 15.129,98 middels een vergelijk tussen het daadwerkelijk genoten inkomen enerzijds en het inkomen dat zij zou hebben verdiend zonder schietincident, gebaseerd op het in 2012 genoten arbeidsinkomen, anderzijds. Haar daadwerkelijk genoten inkomen zou hebben bestaan uit een Duitse arbeidsongeschiktheidsuitkering die in eerste instantie als ‘Krankengeld’ zou zijn uitgekeerd en na achttien maanden als ‘Arbeitslosengeld’.

In de dagvaarding heeft [eiseres] – kennelijk mede in dit kader - gesteld welke gevolgen het schietincident heeft gehad. Zij noemt verlammingsverschijnselen van het rechterbovenbeen, chronisch pijnsyndroom in de lage rug en rechterbeen, neuropathische pijn met name rond de rechterknie, chronische lage rugklachten, reactieve depressie en posttraumatisch stresssyndroom. [eiseres] verwijst naar een medisch advies van Medithemis van 15 mei 20185. Verder heeft [eiseres] ‘volledigheidshalve en ter toetsing van het medisch advies’ het medisch dossier vanaf het schietincident tot en met 2016 overgelegd6. Een toelichting op deze stukken is niet gegeven. Ook verwijst zij naar de randnummer 21 tot en met 39 van de dagvaarding van 12 december 2017 (zie 2.2.). Daarin wordt een beschrijving gegeven van de medische behandelingen die [eiseres] heeft ondergaan vanaf het schietincident tot eind 2014.

4.18.

[gedaagde] heeft gesteld dat uit de door [eiseres] overgelegde stukken blijkt dat [eiseres] tot haar verhuizing van Duitsland naar België op 7 maart 2015 een arbeidsongeschiktheids- en werkeloosheidsuitkering heeft ontvangen. Over haar arbeids(on)geschiktheid na 7 maart 2015 ontbreekt iedere informatie of bewijs, aldus [gedaagde] . Hij stelt dan ook dat een vergoeding wegens verlies van arbeidsvermogen alleen aan de orde zou kunnen zijn over de periode tot 7 maart 2015, waarbij hij er ook op wijst dat [eiseres] in de dagvaarding heeft vermeld haar schade slechts te vorderen tot het moment van verhuizing naar België. [gedaagde] concludeert dat de bedragen die zien op 2015 en 2016 niet kunnen worden toegewezen omdat de schade maar tot 7 maart 2015 wordt gevorderd en eventuele schade na 7 maart 2015 niet is vast te stellen althans niet als ongevalsgevolg kan worden beschouwd.

4.19.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] herhaald dat de schade slechts wordt gevorderd tot aan het moment van verhuizing naar België. De daarvoor vermelde reden daarvoor is – kort gezegd – dat [eiseres] daarna niet meer zou zijn gezien door een verzekeringsarts of arbeidsdeskundige7, met bewijsproblemen tot gevolg. Ook geeft zij aan te hebben geprobeerd weer te gaan werken. Niettemin handhaaf [eiseres] kennelijk toch de vordering ter zake van verlies van arbeidsvermogen tot maart 2016 omdat zij haar vordering niet vermindert en ook aanvoert dat zij het lagere inkomen dan voorheen in de vorm van een uitkering, laatstelijk Arbeitslosengeld, heeft ontvangen tot maart 2016. Ook heeft zij verwezen naar een brieven van de Duitse uitkerende instanties (Krankenversicherung voor het Krankengeld en Bundesagentur für Arbeit voor het Arbeitslosengeld) 8. Uit een brief van de Bundesagentur für Arbeit van 15 augustus 2017 zou volgen dat de op de Krankengeld-uitkering volgende Arbeitslosengeld-uitkering ook is uitgekeerd in verband met het schietincident.

4.20.

[gedaagde] heeft herhaald dat niet is bewezen dat [eiseres] na achttien maanden – de duur van de Krankengeld-uitkering – nog arbeidsongeschikt was. Bovendien zou een eventuele schade niet te verifiëren zijn, (mede) omdat vaststaat dat [gedaagde] op enig moment weer heeft gewerkt maar daarover verder geen informatie beschikbaar is. Volgens [gedaagde] kan uit de brieven van de Krankenversicherung en Bundesagentur für Arbeit niet worden afgeleid dat de arbeidsongeschiktheid van [eiseres] het gevolg was van letsel opgelopen bij het schietincident en evenmin dat [eiseres] daadwerkelijk niet tot werken in staat was.

4.21.

De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] bij conclusie van antwoord niet heeft betwist dat de arbeidsongeschiktheid van [eiseres] door het schietincident in ieder geval heeft geduurd tot maart 2015, zijnde de periode tot wanneer [eiseres] Krankengeld ontving en voorafgaand aan haar verhuizing naar België. Voor zover [gedaagde] bedoeld heeft dat tijdens de mondelinge behandeling alsnog te betwisten, deed hij dat onvoldoende gemotiveerd. Daarbij is relevant dat vaststaat dat [eiseres] ernstig gewond is geraakt als gevolg van het schietincident en dat dit in ieder geval in aanvang de reden is geweest voor arbeidsongeschiktheid en (daarmee) het recht op Krankengeld. Dat de berekening van het verlies van arbeidsvermogen over die periode gevolgd kan worden is niet betwist, zodat de vordering van [eiseres] in zoverre voor toewijzing vatbaar is. De schadeberekening over 2013 (= € 836,00) en 2014 (= € 7.144,98) leidt dus tot toewijzing van een gelijk bedrag. Over 2015 is een schade aan verlies van arbeidsvermogen berekend van € 6.021,00. Over de periode tot 7 maart 2025 zal een evenredig deel worden toegekend wat uitkomt op (66/365 x € 6.021,00 =) € 1.088,73. In totaal zal dus € 9.069,71 worden toegewezen.

4.22.

[gedaagde] heeft evenwel terecht opgemerkt dat over de periode na maart 2015 geen informatie beschikbaar waaruit kan worden afgeleid dat [eiseres] ook daarna nog arbeidsongeschikt was als gevolg van het schietincident. De niet toegelichte verwijzing naar een medisch advies uit 2018 – waarin niets staat over arbeidsongeschiktheid - en naar ‘het medisch dossier’ schiet daartoe tekort. Dat was ook al zo in de vorige procedure, zoals alstoen in niet mis te verstane bewoordingen door de rechtbank is aangegeven9. Daar is sindsdien geen informatie of toelichting bijgekomen, behalve dat (desgevraagd) is verwezen naar de brief van Bundesagentur für Arbeit van 15 augustus 2017 (aan de Deutsche Rentenversicherung Rheinland) waarin staat dat [eiseres] de Arbeitslosen-uitkering heeft gekregen vanwege het einde van de Krankengeld-uitkering en dat de werkloosheid daarom kan worden teruggevoerd op het schadegeval (waarmee kennelijk wordt gedoeld op het schietincident). Een toelichting op die brief ontbreekt. Onduidelijk is daarmee in welke context deze is geschreven. Ook niet is bekend wie de opsteller ervan is en op welke informatie deze zich heeft gebaseerd. Het betreft in ieder geval geen rapport van een verzekeringsarts en/of arbeidsdeskundige en daar wordt ook niet kenbaar naar verwezen. Het stuk kan daarom niet bijdragen aan de stelling van [eiseres] dat zij ook na maart 2015 arbeidsongeschikt was als gevolg van het schietincident. Daar komt bij dat [eiseres] mogelijk na maart 2015 betaalde arbeid is gaan verrichten maar daar verder geen verifieerbare informatie over heeft gedeeld. De enkele stelling dat [eiseres] pas per 14 mei 2018 voor langere tijd deeltijds is gaan werken is niet alleen vaag, maar ook op geen enkele wijze van bewijs voorzien. Een vordering ter zake van verlies van arbeidsvermogen is dus niet toewijsbaar over de periode vanaf maart 2015. In het midden kan blijven of [eiseres] daadwerkelijk afstand heeft gedaan van een eventuele claim vanaf maart 2015.

Rentenversicherung

4.23.

[eiseres] stelt dat ten tijde van het schietincident een verzekeringsplichtige baan en dat er door haar inkomensval daarna minder bijdragen zijn betaald aan de Rentenversicherung (naar de rechtbank begrijpt: een pensioenverzekeraar of daarop gelijkende instelling). Zij vordert de daardoor geleden schade die zij blijkens het als productie 7 overgelegde overzicht begroot op € 1.054,37.

4.24.

[gedaagde] heeft gesteld dat voor zover deze post toewijsbaar is, deze slechts over de periode tot 7 maart 2015 kan worden toegewezen. Daarmee heeft hij de verschuldigdheid van een schadevergoeding ter zake als zodanig niet gemotiveerd betwist. Ook heeft hij het gevorderde bedrag niet betwist omdat uit het als bijlage 6 bij productie 7 door [eiseres] overlegd overzicht blijkt dat het dit bedrag is berekend over de periode tot en met 6 maart 2015. De vordering wordt daarom toegewezen.

Kosten huishoudelijke hulp

4.25.

[eiseres] stelt dat, toen zij in het ziekenhuis en de revalidatiekliniek verbleef (tot 30 september 2023), familie en vrienden haar echtgenoot (niet zijnde [gedaagde] ) hebben geholpen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken die [eiseres] in die periode niet kon uitvoeren, zijnde 50% van de taken binnen het gezin. Het ging daarbij volgens [eiseres] om gemiddeld vier uur per week. Zij stelt dat het voor de vergoeding van deze kosten redelijk is om voor de eerste drie maanden uit te gaan van de normbedragen van de Letselschaderaad op basis van het zwaar beperkt zijn in het uitvoeren van de taken. Daarna zou uit moeten worden gegaan van een concrete hulpbehoefte van twee uur per week tot aan de verhuizing naar België. Derhalve moet worden vastgesteld dat [eiseres] ook een vergoeding vordert over de periode nadat zij ontslagen was uit de klinieken.

4.26.

[gedaagde] stelt dat [eiseres] rekent over de periode tot 2 juni 201510 terwijl zij al op 7 maart 2015 verhuisde naar België. Ook wordt het oorzakelijk verband tussen de kosten en het schietincident betwist, omdat [eiseres] voorafgaand daaraan vanwege knieklachten al hulp in de huishouding zou hebben gehad. Dit laatste is door [eiseres] bewist.

4.27.

De rechtbank zoekt – net als [eiseres] terwijl [gedaagde] zich daartegen niet heeft verzet – aansluiting bij de Letselschade Richtlijn Huishoudelijke Hulp van de Letselschaderaad. Daarbij wordt gerekend met normbedragen per week die gelden gedurende een periode van drie maanden, bij continuering van de mantelzorg daarna gevolgd door een vastgesteld uurtarief en daarna door ‘een redelijke vergoeding’. In de periode van 20 augustus tot

30 september 2013 verbleef [eiseres] in een kliniek, zodat ervan uit moet worden gegaan dat zij toen geen huishoudelijk werk kon verrichten. Dat zij dat dit voorheen voor 50% voor haar rekening nam, is niet betwist. Weliswaar is gesteld dat dit deels met hulp van anderen gebeurde, maar niet is gesteld of gebleken dat dit gebeurde in een mate die noopt tot het hanteren van een ander percentage dan 50 (waarbij aan de hand van de richtlijn dan wordt teruggevallen naar 25%). Over deze periode van ongeveer zes weken zal de vergoeding worden toegekend conform de normbedragen die golden in 2013, wat leidt tot een aanspraak van (€ 168,00 x 50% x 6 weken =) € 504,00 . Dat en in hoeverre [eiseres] na thuiskomst gehinderd is in de uitvoering van haar aandeel in de huishoudelijke taken is niet verder toegelicht, zodat de vordering in zoverre onvoldoende is onderbouwd en dus niet toewijsbaar is.

Overige kosten

4.28.

Onder de noemer ‘overige kosten’ vordert [eiseres] vergoeding van een bedrag van

€ 1.037,43, met de stelling dat deze schadepost voor zich spreekt. Zonder enige toelichting, die ontbreekt, is dat natuurlijk niet zo. Kennelijk verwijst [eiseres] naar de in het overzicht van productie 7 van [eiseres] vermelde post ‘overige schade’ (die overigens sluit op

€ 1.711,06). In het overzicht wordt voor deze post verwezen naar bijlage 8 bestaande uit facturen van derden en van de advocaat van [eiseres] . Ook dat is niet verder toegelicht. Aangezien het niet aan de rechtbank is om zelf chocola te maken van deze stukken en – belangrijker nog – [gedaagde] er op mag rekenen dat de rechtbank dat ook niet doet, dient dit deel van de vordering als onvoldoende onderbouwd te worden afgewezen. De omstandigheid dat [gedaagde] in de conclusie van antwoord is ingegaan op deze post, maakt dat niet anders. Behoudens erkenning, waarvan geen sprake is, kan de reactie van [gedaagde] niet dienen als onderbouwing van de vordering van [eiseres] . De advocaat van [eiseres] heeft in haar spreekaantekeningen voor de mondelinge behandeling weliswaar een toelichting opgenomen, maar dat deel van de spreekaantekeningen is niet voorgedragen. Het maakt daarmee geen onderdeel van het procesdossier.

Buitengerechtelijke kosten

[eiseres] vordert een bedrag van € 5.621,66 aan buitengerechtelijke kosten. Zij stelt daartoe dat er na de procedure die is geëindigd met het vonnis van 14 november 2018 door partijen nog meermaals is onderhandeld.

4.29.

[gedaagde] betwist dat er na de vorige bodemprocedure nog is onderhandeld. Er is – aldus [gedaagde] – nog geen één gesprek gevoerd. Er zou enkel in 2024 een voorstel door [gedaagde] zijn gedaan dat door [eiseres] niet is aanvaard.

4.30.

[eiseres] is op het verweer van [gedaagde] niet meer ingegaan. De advocaat van [eiseres] heeft in haar spreekaantekeningen voor de mondelinge behandeling weliswaar een toelichting opgenomen, maar dat deel van de spreekaantekeningen is niet voorgedragen. Het maakt daarmee geen onderdeel van het procesdossier, wat er ook van zij. Dit betekent dat de stelling die [eiseres] ten grondslag legt aan haar vordering als onjuist moet worden aangenomen. Omdat de eventuele kosten gemoeid met het afwijzen van een schikkingsvoorstel, niet kunnen worden beschouwd als buitengerechtelijke kosten die op grond van artikel 6:96 lid 2 onder c BW voor vergoeding in aanmerking komen, moet de vordering worden afgewezen.

Smartengeld

4.31.

[eiseres] stelt dat zij gezien de aard en ernst van haar letsel en de blijvende beperkingen recht heeft op een smartengeldvergoeding. In de dagvaarding heeft zij zich onder verwijzing naar de letsellijst van het Schadefonds Geweldmisdrijven op het standpunt gesteld dat haar een bedrag van € 10.000,00 toekomt. Zij stelt in dat kader dat haar letsel qua klachten en beperking is te vergelijken met het cauda syndroom, welke aandoening in categorie 4 van de betreffende lijst is vermeld en bij welke categorie is vermeld dat daar een tegemoetkoming bij past van € 10.000,00. Uit haar productie 7 volgt dat [eiseres] bedoelt te vorderen dat haar – vanwege het reeds toegekende en uitbetaalde voorschot – aanvullend € 5.000,00 wordt betaald.

4.32.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat de vordering van [eiseres] niet er rijmen is met haar stelling dat zij geen vergoeding vordert voor de restklachten die zij stelt te ervaren. Dat is inderdaad een opmerkelijk ogenschijnlijke tegenstelling in de standpunten van [eiseres] , maar onvoldoende om om die reden de uiteindelijk in het petitum wel gevorderde vergoeding af te wijzen.

4.33.

[gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord verder gesteld dat het letsel van [gedaagde] niet thuishoort in categorie 4 van de letsellijst van het Schadefonds Geweldmisdrijven. Het letsel van [eiseres] past volgens [gedaagde] in categorie 2, meer in het bijzonder de rubriek ‘zenuwletsel in het been, leidend tot reconstructieve operatie(s) en resulterend in niet hinderlijke beperkingen’.

4.34.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] gesteld dat er juist wel sprake is van hinderlijke beperkingen en dat in de letsellijst geen rekening wordt gehouden met de cumulatie van beperkingen, wat bij [eiseres] wel het geval zou zijn vanwege de perforatie van de dunne darm, het chronisch pijnsyndroom en posttraumatisch stresssyndroom. Verder heeft zij verwezen naar de ‘Rotterdamse Schaal’ en gesteld dat het gevorderde bedrag wel degelijk passend is, nu aan de hand van de Rotterdamse Schaal kan worden betoogd dat ingeval van pijnsyndroom een vergoeding tussen € 18.000,00 en € 51.000,00 passend is. Naar aanleiding daarvan heeft [gedaagde] gesteld dat ook bij toepassing van de Rotterdamse Schaal de ernst van het letsel moet komen vast te staan, terwijl volgens hem nu niet duidelijk is of er sprake is van blijvend letsel en zo ja, in welke omvang.

4.35.

Vastgesteld moet worden dat [eiseres] haar aanvullende aanspraak op smartengeld met name baseert op de restklachten die zij als gevolg van het letsel zou hebben ervaren. Zij heeft die restklachten wel gesteld, maar het bestaan daarvan niet voldoende onderbouwd, terwijl [gedaagde] het betwist. [eiseres] deed niet meer dat verwijzen naar het medisch advies van MediThemis en naar ‘het medisch dossier tot en met 2016’. Het, overigens zeer summiere, medisch advies (uit 2018) vermeldt aan mogelijke restklachten: uitval van bovenbeenspieren aan de voorzijde recht, gevoelsuitval in het rechterbeen, het opvlammen van (van het schietincident ervaren) neuropathische pijn rond de rechter knieschijf, psychische klachten en rugklachten. Daar wordt echter aan toegevoegd: ‘Overigens stamt vrijwel alle informatie uit 2013 en 2014 zodat ik niet kan aangeven wat de huidige incidentgerelateerde klachten zijn’ Aan de hand van het medisch advies kan het standpunt van [eiseres] dus niet worden overgenomen. Dat kan ook niet aan de hand van ‘het medisch dossier’, waarop geen enkele toelichting is gegeven11 en dat kennelijk zeer gedateerd is. De vordering die strekt tot het toekennen van een aanvullende smartengeldvergoeding kan dus niet worden toegewezen.

Tot slot

4.36.

De conclusie is dat de vordering van [eiseres] wordt toegewezen tot een bedrag van (€ 1.064,00 + € 70,44 + € 597,98 + € 9.069,71 + 1.054,37 + € 504,00 =) € 12.360,50, te vermeerderen met de al in het vonnis van 14 november 2018 toegekende rente.

4.37.

[gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van een veroordelend vonnis. Hij stelt te voorzien dat een aan [eiseres] betaald bedrag niet of zeer moeilijk teruggevorderd (bedoeld zal zijn: teruggehaald) kan worden. Het is, aldus [gedaagde] , namelijk onbekend in welk land en in welke plaats [eiseres] woont en of zij enig verhaal biedt. [eiseres] is op de stellingen van [gedaagde] in het geheel niet ingegaan. Onder die omstandigheden zal de rechtbank tegemoetkomen aan de wens van [gedaagde] .

4.38.

Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

1Bedoeld zal zijn: 4.6.

2Idem

3Productie 7 bij dagvaarding

4Zij stelt weliswaar te vorderen over de periode tot en met 2015 maar verwijst naar een berekening die loopt tot en met maart 2016

5Zijnde kennelijk hetzelfde advies waarnaar de rechtbank verwees in r.o. 4.10. van het vonnis van 14 november 2018 (zie 2.3.)

6Productie 5 van [eiseres]

7Waarvan de rechtbank ook overigens niet is gebleken.

8Onderdeel van bijlage 5 bij productie 7 van [eiseres]

9Zie 2.3.

10Kennelijk omdat die datum in het overzicht van productie 7 van [eiseres] wordt genoemd.

11Zie ook 4.28. over wat de rechtbank kan met niet toegelichte stukken.

 

Rechtbank Limburg 29 oktober 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:12768