Overslaan en naar de inhoud gaan

RBMNE 150426 gedaagde heeft eiser een kopstoot gegeven; oordeel over medische kosten, sportschoolabonnement, VAV en BGK

RBMNE 150426 gedaagde heeft eiser een kopstoot gegeven; oordeel over medische kosten, sportschoolabonnement, VAV en BGK

3De beoordeling

Inleiding

3.1

Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde] [eiser] op 27 juli 2024 een kopstoot heeft gegeven, dat [eiser] daardoor zijn neus heeft gebroken en dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [eiser] daardoor heeft geleden.

3.2

In deze procedure vordert [eiser] betaling van € 5.267,21 aan materiële schade. [gedaagde] voert verweer tegen een aantal schadeposten. De kantonrechter zal de schadeposten hierna achtereenvolgens bespreken. Eerst bespreekt de kantonrechter het verweer van [gedaagde] over eventuele dubbeltellingen.

Geen dubbeltellingen

3.3

[gedaagde] heeft in algemene zin aangevoerd dat er gewaakt moet worden voor dubbeltellingen. Hij wijst ten eerste op de in de strafzaak toegewezen vordering van € 527,21 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade.

3.4

De kantonrechter gaat hieraan voorbij. In de dagvaarding stelt [eiser] dat het bedrag van € 527,21 ziet op het eigen risico uit 2024. [gedaagde] heeft dit niet betwist. De vorderingen van [eiser] in deze procedure zien niet op het eigen risico uit 2024. Ook vordert hij geen vergoeding van immateriële schade. Van dubbeltellingen is in zoverre daarom geen sprake.

3.5

[gedaagde] wijst er ten tweede op dat hij € 314,42 aan de zorgverzekeraar van [eiser] heeft betaald. Ook dit betreft geen dubbeltelling. Dit zijn kosten die niet voor rekening van [eiser] zelf zijn gekomen, maar die zijn zorgverzekeraar heeft betaald (zie productie 18 bij repliek). [eiser] vordert geen betaling van dit bedrag.

Eigen risico 2025

3.6

[eiser] vordert € 837,37 aan eigen risico dat hij in 2025 heeft betaald.

3.7

[gedaagde] stelt dat niet duidelijk is of deze kosten verband houden met de kopstoot of met andere medische behandelingen waarvoor het eigen risico is aangesproken.

3.8

De kantonrechter overweegt als volgt. Uit de factuur van de zorgverzekeraar van [eiser] in productie 4 bij de dagvaarding volgt er op 2 juni 2025 € 837,37 ten laste van het eigen risico van [eiser] is gebracht.

3.9

Uit de specificatie bij deze factuur volgt dat dit bedrag voor € 829,09 bestaat uit kosten die zijn gemaakt bij het Tergooi Ziekenhuis met de zorgsoort ‘Medisch specialisten, keel-, neus- en oorheelkunde’ in de periode 22 januari 2025 tot en met 29 april 2025. Uit de specificatie in productie 18 bij repliek volgt dat deze zorg samenhangt met een operatie aan de neus en dat de behandeling heeft plaatsgevonden vanaf 22 januari 2025. Daarmee staat voldoende vast dat het betaalde eigen risico van € 829,09 samenhangt met de kopstoot, zodat deze kosten worden toegewezen.

3.10

Uit de specificatie in productie 4 bij de dagvaarding volgt verder dat het bedrag voor € 8,28 bestaat uit kosten die zijn gemaakt bij Apotheek Drielanden met de zorgsoort ‘Farmacie’ op 7 april 2025. Bij repliek heeft [eiser] gesteld dat dit ziet op pijnstilling na de neusoperatie. [gedaagde] heeft dit bij dupliek niet betwist, zodat dit vaststaat. Deze kosten hangen daarmee samen met de kopstoot en worden daarom toegewezen.

Kosten neusoperatie

3.11

[eiser] vordert € 1.253,40 aan medische kosten in verband met de operatie aan zijn neus op 18 maart 2025 (septumcorrectie). Deze kosten werden niet door zijn zorgverzekering gedekt.

3.12

[gedaagde] betwist dat er een causaal verband bestaat tussen de kopstoot en de neusoperatie (septumcorrectie).

3.13

De kantonrechter gaat hierin niet mee. Vast staat dat [gedaagde] [eiser] een kopstoot heeft gegeven en dat de neus van [eiser] hierdoor is gebroken. Uit de brief van het St. Jansdal Ziekenhuis van 14 augustus 2024 (productie 1 bij dagvaarding) volgt dat deze neusfractuur gepaard ging met een scheefstand van de neus, terwijl de neus voorheen recht stond. Daarmee staat vast dat er een causaal verband bestaat tussen de kopstoot en de scheefstand van de neus, en daarmee ook tussen de kopstoot en de noodzakelijk geworden septumcorrectie. Een verdergaande medische verklaring is daarvoor niet nodig. Dat de septumcorrectie niet alleen functioneel (ademhalingsklachten) maar ook esthetisch (het uiterlijk) van aard was, doet aan het causaal verband niets af. [gedaagde] werpt de vraag op of een eerdere neusbreuk niet de aanleiding is geweest voor de septumcorrectie en of de neus niet al (gedeeltelijk) scheef stond, maar dit strookt niet met de brief van het St. Jansdal Ziekenhuis.

3.14

[gedaagde] heeft deze post verder niet betwist, zodat deze wordt toegewezen.

Reis- en parkeerkosten

3.15

[eiser] vordert € 31,44 aan reis- en parkeerkosten. [gedaagde] heeft deze post niet betwist, zodat dit bedrag wordt toegewezen.

Gemist voordeel

3.16

[eiser] vordert € 110,00 aan schade in verband met gemist voordeel. Hij heeft een sportschoolabonnement inclusief boks- en zelfverdedigingslessen, waarvan de contributie € 27,50 per maand bedraagt. [eiser] stelt dat hij als gevolg van zijn gebroken neus in de maanden augustus en september 2024 en april en mei 2025 niet in staat was om te boksen in de sportschool en vordert daarom de contributie van deze maanden als schadevergoeding.

3.17

De Hoge Raad heeft bepaald dat wanneer iemand uitgaven heeft gedaan ter verkrijging van een op zichzelf niet op geld waardeerbaar onstoffelijk voordeel en hij dit voordeel heeft moeten missen, met het oog op het begroten van de door hem geleden schade – die als vermogensschade moet worden aangemerkt – als uitgangspunt heeft te gelden dat de waarde van het gemiste voordeel moet worden gesteld op de voor het verkrijgen daarvan gedane uitgaven die hun doel hebben gemist. Als deze schade aan een ander kan worden toegerekend als gevolg van een gebeurtenis waarvoor deze aansprakelijk is, zal die ander deze schade in haar geheel moeten vergoeden, tenzij dit, gelet op alle omstandigheden van het geval, onredelijk is.1

3.18

Deze situatie doet zich in deze zaak voor. [eiser] heeft uitgaven gedaan voor zijn sportschoolabonnement. Het spreekt voor zich dat hij als gevolg van zijn gebroken neus die hij op 27 juli 2024 heeft opgelopen in de maanden augustus en september 2024 geen gebruik heeft kunnen maken van zijn sportschoolabonnement inclusief boks- en zelfverdedigingslessen. Dit volgt ook wel uit de brief van het St. Jansdal Ziekenhuis van 14 augustus 2024, waarin staat dat [eiser] zes weken voorzichtig aan moet doen met zijn neus. Hetzelfde geldt voor de maanden april en mei 2025 na de neusoperatie van 18 maart 2025. De betaalde contributie heeft dus haar doel gemist en [gedaagde] moet in beginsel de contributie voor deze vier maanden aan [eiser] vergoeden.

3.19

[gedaagde] stelt dat [eiser] zijn schadebeperkingsplicht heeft geschonden door het sportschoolabonnement niet te pauzeren. Een benadeelde is binnen redelijke grenzen gehouden tot het nemen van maatregelen ter beperking van de schade. Doet hij dit niet dan verliest hij in zoverre zijn recht op schadevergoeding. [eiser] heeft niet betwist dat het pauzeren van het abonnement een mogelijkheid was. Hij stelt echter dat hij daar niet aan heeft gedacht en dat dit gelet op zijn medische toestand ook niet van hem verwacht mocht worden. De kantonrechter gaat hierin mee wat betreft de maand augustus 2024. Deze maand volgde zo kort op het kopstootincident dat van [eiser] in redelijkheid niet verwacht kon worden dat hij zijn sportschoolabonnement tijdig pauzeerde. Voor de maand september 2024 geldt dit echter niet. [eiser] had naar het oordeel van de kantonrechter na het incident voldoende tijd om dit te regelen. Hetzelfde geldt voor de maanden april en mei 2025. [eiser] wist immers dat hij op 18 maart 2025 geopereerd zou worden.

3.20

De conclusie is dat er een bedrag van € 27,50 zal worden toegewezen.

Ziekenhuisdaggeldvergoeding

3.21

[eiser] vordert € 35,00 aan ziekenhuisdaggeldvergoeding. [gedaagde] heeft deze vordering niet betwist, zodat deze wordt toegewezen.

Gederfde inkomsten

3.22

[eiser] vordert € 3.000,00 aan gederfde inkomsten. Hij stelt door de kopstoot een aantal maanden niet in staat te zijn geweest om arbeid te verrichten, namelijk twee maanden na de kopstoot en twee maanden na de operatie. [eiser] was werkzaam als oproepkracht in de beveiliging.

3.23

[eiser] moet stellen en bij betwisting bewijzen dat hij door de kopstoot arbeidsongeschikt is geraakt. [gedaagde] heeft dit gemotiveerd betwist en voert aan dat medische arbeidsongeschiktheid gedurende meerdere maanden nergens uit blijkt en er ook geen stukken zijn ingebracht die dat onderbouwen. In zijn conclusie van repliek heeft [eiser] volstaan met een herhaling van zijn stelling dat hij door toedoen van [gedaagde] arbeidsongeschikt is geraakt. De kantonrechter is echter van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [eiser] na de kopstoot, als gevolg waarvan hij een gebroken neus heeft opgelopen en gelet op zijn functie als beveiliger, tijdelijk arbeidsongeschikt is geraakt. Dat [eiser] niet heeft gewerkt volgt uit de verklaring van zijn werkgever. Van [eiser] mag echter wel worden verwacht dat hij, in reactie op de betwisting van [gedaagde] , nader onderbouwt, hoelang hij daadwerkelijk niet in staat was te werken. Bijvoorbeeld door te stellen en te onderbouwen dat hij door pijn, fysieke beperkingen of psychische klachten niet meer in staat was om (specifieke onderdelen van) zijn werk uit te voeren en door overlegging van een verklaring van een arts waaruit dit blijkt. Dat heeft hij niet gedaan. Ten aanzien van de periode na zijn operatie ontbreekt enige onderbouwing. De kantonrechter zal de vordering van [eiser] dan ook slechts gedeeltelijk toewijzen en beperken tot de maanden juli (5 uur) en augustus (35 uur) 2024, derhalve € 1.000,00 (netto). De kantonrechter zal de overige gederfde inkomsten afwijzen.

Conclusie schadevergoeding

3.24

De conclusie is dat de kantonrechter [gedaagde] zal veroordelen om € 3.184,71 aan [eiser] te betalen (€ 1.000,00 + € 837,37 + € 1.253,40 + € 31,44 + € 27,50 + € 35,00).

Wettelijke rente

3.25

[eiser] vordert wettelijke rente over de schadevergoeding vanaf 2 december 2025. [gedaagde] heeft geen hier geen verweer tegen gevoerd. Deze vordering voldoet aan de vereisten van artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en zal daarom worden toegewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten

3.26

[eiser] vordert € 772,42 inclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten. De vorderingen van [eiser] hebben geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. De kantonrechter zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn daarom toetsen aan de norm van artikel 6:96 lid 2 sub c BW. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten is alleen toewijsbaar, als deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt en de omvang daarvan ook redelijk is. Dat er door [eiser] in redelijkheid buitengerechtelijke incassokosten zijn gemaakt, heeft hij voldoende onderbouwd. Omdat slechts een gedeelte van de vordering wordt toegewezen, zal de kantonrechter de buitengerechtelijke kosten toewijzen voor het toegewezen bedrag en met inachtneming van de in het Besluit genoemde tarieven, welke worden geacht redelijk te zijn. Dit betekent dat een bedrag van € 536,60 inclusief btw wordt toegewezen.
 

1HR 28 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6460, r.o. 3.3.1.

 

Rechtbank Midden-Nederland 15 april 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1903