Overslaan en naar de inhoud gaan

RBOBR 260225 schipper heeft schroef laten draaien terwijl eiseres achter boot hing; schipper en vervoerder hoofdelijk aansprakelijk

RBOBR 260225 schipper heeft schroef laten draaien terwijl eiseres achter boot hing; schipper en vervoerder hoofdelijk aansprakelijk

3 De verdere beoordeling

3.1.

In het tussenvonnis zijn [gedaagden] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs.

[gedaagden] hebben getuigen opgeroepen. Ook hebben zij Doldrums B.V. (hierna: Doldrums) onderzoek laten doen naar de oorzaak van de verwondingen van [eiseres] .

Bewijswaardering

Getuigenverklaringen

3.2.

[gedaagden] hebben tegen de inhoud van de schriftelijke verklaringen verschillende bezwaren naar voren gebracht, die er kort samengevat op neer komen dat deze verklaringen niet deugen. Volgens [gedaagden] zijn de verklaringen niet consistent, hebben de getuigen niet gezien wat de schipper vlak voor en tijdens het ongeval deed en ook is er een vermoeden dat er sprake is van afstemming, in die zin dat de getuigen op enig moment met elkaar hebben overlegd. [gedaagden] verwijzen in dit verband onder meer naar de verklaringen die tijdens het getuigenverhoor zijn afgelegd. [gedaagden] concluderen op grond hiervan dat de rechtbank zijn voorlopig oordeel heeft gebaseerd op onbetrouwbare en onjuiste schriftelijke verklaringen. De bezwaren van [gedaagden] tegen de schriftelijke getuigenverklaringen kunnen echter aan het bewijsvermoeden niet afdoen. In r.o. 5.2. van het tussenvonnis staan de gronden (a. tot en met e.) waarop de rechtbank het bewijs geleverd heeft geacht. De rechtbank heeft dat bewijs niet gebaseerd op de schriftelijke getuigenverklaringen.

3.3.

Naar het oordeel van de rechtbank doen ook de mondelinge getuigenverklaringen aan het bewijsvermoeden niet af. Voorop wordt gesteld dat ook [gedaagden] concluderen dat de getuigen het erover eens zijn dat [gedaagde 4] bij de stuurstand stond toen het ongeval gebeurde. [gedaagden] wijzen er onder meer op dat uit de verklaringen van [A] , [B] en [C] blijkt dat zij niet hebben gezien dat [gedaagde 4] de schroef in werking stelde. Ook [D] heeft in die zin verklaard: “Toen ik geschreeuw hoorde stond de kapitein achter het stuur. (…). Ik zag niet wat hij aan het doen was.” Uit de mondelinge getuigenverklaringen kan echter niet de conclusie worden getrokken dat [gedaagde 4] de schroef niet in werking heeft gesteld. Deze getuigenverklaringen doen evenmin af aan de conclusie dat hij wel de schroef in werking heeft gesteld.

Deskundigenonderzoek

3.4.

[gedaagden] hebben Doldrums opdracht gegeven “de oorzaak vast te stellen van een verwonding van een persoon aan het pleziervaartuig [E]”. Het rapport van expertise van 6 juni 2024 is door [gedaagden] overgelegd (productie 17 bij brief van 2 augustus 2024).

[eiseres] heeft hierop onder meer gereageerd met een rapport van de heer ing. [F] van Artium Experts (hierna: Artium) (aanvullende productie 26).

Ten slotte hebben [gedaagden] Doldrums het rapport van Artium laten beoordelen (productie 21).

3.5.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt het bewijs ook niet ontzenuwd met het rapport van Doldrums en de reactie van [gedaagden] op het rapport van Artium onder verwijzing naar de beoordeling van Doldrums.

Uit het briefhoofd van Doldrums blijkt dat zij Marine & Technical Surveyors zijn. Van hun specifieke deskundigheid op het gebied van letselschade in een situatie als waarin het ongeval is ontstaan blijkt echter niet. Ter zake haar deskundigheid heeft Doldrums enkel in haar reactie op het rapport van Atrium opgemerkt geen medische achtergrond te hebben.

3.6.

Doldrums heeft in haar rapport (pagina 5) het volgende gesteld:

“De afmetingen en positie van het roer en de schroef, maken het mogelijk dat een volwassen persoon, terwijl die zich vasthoudt aan de beugel van het zwemplateau, met de voeten bij de schroef kan komen. (…) De linkervoet van de betreffende persoon toont drie (3) evenwijdige verwondingen. Bij aandrijving van de schroef door de motor, dus met ingeschakelde keerkoppeling, is het toerental van de schroef zo hoog, dat er veel meer verwondingen (dichter bij elkaar) hadden moeten zijn wanneer de voet binnen de straal van de schroef zou komen”. Uit het rapport blijkt echter niet waarop Doldrums deze laatste conclusie baseert.

Doldrums heeft in haar rapport ook de vraag beantwoord of de schroef door andere oorzaken kan draaien dan aandrijving met de motor. Doldrums heeft daarop genoemd:

a. de stroom in de rivier en stromingen of turbulentie veroorzaakt door langsvarende schepen, kunnen invloed hebben op de rotatiesnelheid en draairichting van de schroef

b. het gebruik van de dwarsscheepse waterjets (boeg- en hekstralen) kunnen stromingen veroorzaken welke invloed hebben op de rotatiesnelheid en richting van de schroef

c. ook een mogelijk fysieke raking van de schroef kan invloed hebben.

In de conclusie van antwoord na enquête benoemen [gedaagden] onder verwijzing naar de rapporten van Doldrums daarnaast:

d. slippen van de koppeling (door inwendige wrijving)

e. ook de wind of afspringende zwemmers kunnen de boot doen deinzen.

Ten slotte stellen [gedaagden] dat ook het “onverhoeds en ongelukkig” raken (f.) van een van de metalen randen/hoeken volgens Doldrums snijwonden kan veroorzaken.

3.7.

Gesteld noch gebleken is echter dat een of meer van de omstandigheden genoemd onder a tot en met f zich direct voorafgaand of ten tijde van het ongeval daadwerkelijk hebben voorgedaan zodat die alleen al daarom niet als oorzaak van de verwondingen kunnen worden aangemerkt. Dat de omstandigheden a tot en met c tot de verwondingen van [eiseres] zouden hebben kunnen leiden volgt niet uit hetgeen Doldrums in haar rapport heeft gesteld. Op dit punt zijn door Doldrums geen overtuigende en onderbouwde oordelen gegeven. De omstandigheden d tot en met f heeft Doldrums bovendien niet als mogelijke oorzaken van de verwondingen van [eiseres] aangemerkt. Wat betreft de oorzaak genoemd onder d geldt voorts dat dit door Artium (aanvullende productie 26) gemotiveerd is weersproken. Zij geeft aan dat in geval van een lichte mate van verkleving van de koppelingsplaten de aandrijfkracht die op de schroef wordt uitgeoefend over het algemeen gering is. Artium geeft in haar reactie ook nog aan dat de verwachting is dat in het geval de schroef door een andere oorzaak dan motoraandrijving zou draaien de aandrijvende kracht dermate gering is dat de schroef bij aanraking snel tot stilstand zou komen en niet de getoonde verwondingen zou veroorzaken. Datzelfde geldt naar het oordeel van de rechtbank voor de oorzaak die onder f is genoemd. [gedaagden] hadden nader moeten onderbouwen hoe een “onverhoedse en ongelukkige” aanraking de wonden van [eiseres] had kunnen veroorzaken. Die onderbouwing ontbreekt.

Conclusie bewijs

3.8.

[gedaagden] zijn niet er niet in geslaagd het tegenbewijs te leveren. Dit betekent dat als vaststaand dient te worden aangenomen dat de verwondingen en daarmee de schade van [eiseres] zijn ontstaan omdat [gedaagde 4] de schroef heeft laten draaien terwijl [eiseres] achter de boot hing.

Aansprakelijkheid van [gedaagde 4] en [gedaagde 1]

3.9.

Aan haar vorderingen heeft [eiseres] primair ten grondslag gelegd dat [gedaagde 4] ernstige fouten heeft gemaakt. Uit de bewijswaardering volgt dat [gedaagde 4] de schroef heeft laten draaien terwijl [eiseres] achter de boot hing. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde 4] daarmee gevaarzettend gehandeld hetgeen meebrengt dat er sprake is van een onrechtmatige daad tegenover [eiseres] , zodat [gedaagde 4] op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk is voor haar schade.

3.10.

[eiseres] heeft de aansprakelijkheid van [gedaagde 1] primair gebaseerd op artikel 8:974 BW. Dit artikel bepaalt dat een vervoerder aansprakelijk is voor tijdens het vervoer ontstaan letsel van een reiziger: “Voor zover dat letsel is veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder heeft kunnen vermijden of door een omstandigheid waarvan zulk een vervoerder de gevolgen heeft kunnen verhinderen.”

3.11.

Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake was van een overeenkomst betreffende personenvervoer over binnenwater en dat het ongeval tijdens dat vervoer heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft bewezen geacht dat [gedaagde 4] de schroef heeft laten draaien terwijl [eiseres] achter de boot hing terwijl zij zich aan de boot vasthield. Deze omstandigheid had een zorgvuldig vervoerder kunnen vermijden. Het ongeval heeft zich voorgedaan terwijl [gedaagde 4] als schipper van de boot werkzaam was voor [gedaagde 1] . Dit betekent dat [gedaagde 1] op grond van artikel 8:974 BW aansprakelijk is tegenover [eiseres] .

3.12.

[gedaagde 4] en [gedaagde 1] zijn ieder voor het geheel aansprakelijk voor de schade van [eiseres] . In artikel 18 WvK is – zakelijk weergegeven – bepaald dat de vennoten van een vennootschap onder firma, zoals [gedaagde 1] , hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verplichtingen (schulden) van de vennootschap onder firma. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn als vennoten van [gedaagde 1] daarom (ook) hoofdelijk aansprakelijk. De gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen.

Schadestaatprocedure en voorschot

3.13.

[eiseres] vordert een verwijzing naar de schadestaatprocedure.

De rechtbank verwijst naar r.o. 3.6. van het tussenvonnis en overweegt dat op basis van de overgelegde stukken niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, welke, blijvende klachten er zijn voor [eiseres] . In februari 2024 was er nog geen sprake van een eindsituatie. [eiseres] was op dat moment nog onder behandeling van het ziekenhuis in verband met de tweede operatie aan haar rechtervoet. Toen is verklaard dat er nog altijd sprake was van pijn, gevoeligheid en irritatie. Er zal nader onderzoek moeten worden gedaan naar de (blijvende) beperkingen die [eiseres] als gevolg van het letsel ondervindt en daarom zal de zaak naar de schadestaatprocedure worden verwezen.

3.14.

Daarnaast vordert [eiseres] een voorschot van € 20.000,-. Zij stelt dat haar totale schade een jaar na het ongeval ruim € 32.000,- bedraagt. Zij verwijst daarvoor naar de schadestaat die als productie 17 bij de dagvaarding is overgelegd. [gedaagden] maken bezwaar tegen de hoogte van het voorschot.

3.15.

Deze posten van de schadestaat zijn door [gedaagden] niet betwist:

  • kosten medische verzorging € 2.905,61

  • reiskosten € 1.418,70
  • vrije dagen moeder € 506,66 (zoals vermeld in dagvaarding)

  • vrije dagen vader € 1.664,63 (idem)

  • verlies zelfredzaamheid € 5.000,-

  • verlies verdiencapaciteit € 450,- (periode sept 2021 – juni 2022)

Totaal € 11.945,60

3.16.

Wel betwist zijn de posten “verlies aan verdienvermogen in de periode juli 2022 tot en met mei 2023” (€ 3.000,-), “studievertraging” (€ 18.500,-) en smartengeld (€ 7.500,-) . Deze drie posten worden hieronder beoordeeld.

3.17.

[eiseres] had een bijbaan in de keuken van een restaurant waarmee zij gemiddeld

€ 258,- per maand verdiende. Vanwege de ernstige beperkingen wat betreft langdurig lopen en staan dient [eiseres] een andere baan te zoeken. Dit is lastig, ook omdat zij niet met rijlessen kan beginnen, aldus [eiseres] .

[gedaagden] stellen dat dit niet rijmt met de stelling van [eiseres] dat zij fysiek wel in staat was om aan haar stage te beginnen. Wellicht kon [eiseres] niet werken omdat zij voltijd stage liep. Bovendien had [eiseres] een bijbaan in de horeca. Zij heeft onvoldoende duidelijk gemaakt wat de invloed was van de maatregelen die destijds werden toegepast om het coronavirus te bestrijden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] het gestelde verlies aan verdienvermogen onvoldoende onderbouwd. Tijdens de zitting is gebleken dat [eiseres] in juni 2022 vervangend zittend werk heeft gevonden. Zonder nadere onderbouwing valt niet in te zien waarom [eiseres] in de maanden daarna niet op dezelfde manier bijverdiensten had kunnen ontvangen. Voor toekenning van een voorschot bestaat gelet op het voorgaande onvoldoende grond.

3.18.

Wat betreft de studievertraging is gesteld dat [eiseres] haar volledige examenjaar heeft moeten herkansen. Zij kon haar stage (MBO fashion designer/junior stylist) na de zomervakantie niet afronden. Daarom diende zij opnieuw stage te lopen. De fysieke en mentale gevolgen van het ongeval waren zo groot dat in overleg met de mentor is besloten het examenjaar op latere termijn te doen. Door de studievertraging kwam zij pas een jaar later op de arbeidsmarkt terecht, aldus [eiseres] . Het gevorderde bedrag is gebaseerd op de richtlijn van de Letselschade Raad.

Volgens [gedaagden] mag het niet voor hun rekening komen dat het hele examenjaar over is gedaan. De kosten daarvan zijn te hoog. Ook is er geen rekening gehouden met de invloed van het coronavirus. [eiseres] heeft daarom onvoldoende gesteld wat betreft deze post.

Het is niet in geschil dat [eiseres] haar stage niet heeft kunnen afronden vanwege de gevolgen van het ongeval. De rechtbank begrijpt dat dit een voorwaarde was om toegelaten te kunnen worden tot het examen. Hoewel het zeer begrijpelijk is dat het ongeval naast fysieke ook mentale gevolgen zal hebben gehad, had het echter wel op de weg van [eiseres] gelegen om meer inzicht te geven in (on)mogelijkheden wat betreft de studievoortgang na het ongeval. Datzelfde geldt voor de coronamaatregelen die in het najaar van 2021 van kracht zijn geweest en de invloed daarvan op het onderwijs. Weliswaar stelt [eiseres] dat in “samenspraak met de mentor” is besloten om het hele jaar te herkansen, maar ook dit is niet onderbouwd. Het is daarom mogelijk dat de gestelde kosten van de studievertraging uiteindelijk niet of niet volledig voor rekening van [gedaagden] komen. De rechtbank kan niet inschatten met welk bedrag in deze fase van de procedure wel rekening kan worden gehouden. De kosten vanwege studievertraging kunnen daarom niet als voorschot worden vergoed.

3.19.

Voor [gedaagden] is niet duidelijk waarom het smartengeld zonder toelichting is verhoogd van € 5.000,- naar € 7.500,-. Volgens [gedaagden] is met het laatste bedrag de maximale toewijsbare hoogte bereikt.

Het definitieve bedrag aan smartengeld zal nog moeten worden vastgesteld, nadat eventueel een nader medisch (en/of arbeidskundig) onderzoek zal hebben plaatsgevonden. Vast staat echter dat er sprake is van ernstig letsel op jonge leeftijd, waarbij een jaar na het ongeval nog steeds sprake was van pijnklachten en beperkingen. Bovendien was er begin 2024 nog geen sprake van een eindsituatie. Een onderbouwing van het gevorderde bedrag ontbreekt echter. Hoewel het in deze procedure om een voorschot gaat, had het in ieder geval op de weg van [eiseres] gelegen om aan te geven waarom het bedrag is verhoogd. Dat is niet gebeurd. Daarom zal de rechtbank een bedrag van € 5.000,- toewijzen als voorschot op het smartengeld, ook omdat dit door [gedaagden] niet is betwist.

3.20.

Alle voorgaande overwegingen leiden samen tot de conclusie dat in plaats van het gevorderde bedrag een voorschot van € 16.945,60 kan worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente daarover wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding (8 februari 2023) in plaats van de datum van het ongeval (5 augustus 2021) zoals door [eiseres] is gevorderd. De gevorderde ingangsdatum is onvoldoende onderbouwd, omdat dit niet per afzonderlijke schadepost is geconcretiseerd en niet is toegelicht waarom over alle schadeposten de wettelijke rente met ingang van 5 augustus 2021 verschuldigd zou zijn.

Beslagkosten

3.21.

[eiseres] vordert dat [gedaagden] worden veroordeeld tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 2.324,98 voor kosten deurwaardersexploten, € 314,00 voor griffierecht en € 614,00 voor salaris advocaat (1,0 punt(en) × € 614,00), totaal € 3.252,98.

3.22.

De gevorderde wettelijke rente over de beslagkosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

Proceskosten

3.23.

[gedaagden] worden in dit vonnis voor het grootste deel in het ongelijk gesteld. Daarom moeten zij de proceskosten van [eiseres] (inclusief nakosten) betalen.

Tot aan dit vonnis worden de proceskosten van [eiseres] begroot op:

- kosten van de dagvaarding

125,86

 

- griffierecht

987,00

 

- salaris advocaat

2.149,00

(3,5 punten × € 614,00)

- nakosten

178,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

3.439,86

 
       

3.24.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.25.

De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen. Rechtbank Oost-Brabant 26 februari 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:1261