Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb Noord-Nederland 280617 Aardbevingsschade; Staat niet aansprakelijk voor schade, NAM en EBN wel; benoeming deskundigen mbt vaststelling schade

Rb Noord-Nederland 280617 Aardbevingsschade; Staat niet aansprakelijk voor schade, NAM en EBN wel; benoeming deskundigen mbt vaststelling schade; vraagstelling

Zie ookrb-noord-nederland-051016-aardbevingsschade-bewijsvermoeden-dat-beschadigingen-het-gevolg-zijn-van-aardbevingen

2 De nadere beoordeling
Tussenvonnis en comparitie
2.1.
In het tussenvonnis van 5 oktober 2016 (red LSA-LM: ECLI:NL:RBNNE:2016:4402) heeft de rechtbank (kort samengevat) beslist dat [eiser] niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vorderingen tegen de (stille) Maatschap Groningen en dat - alleen - NAM en EBN op grond van artikel 6:177 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [eiser] als gevolg van de aardbevingen heeft geleden en lijdt. De vraag of ook de Staat daarvoor ex artikel 6:162 BW aansprakelijk is en het oordeel over de schade(omvang) heeft de rechtbank aangehouden. Er is een comparitie van partijen gelast teneinde deze punten met partijen te bespreken.
Die comparitie heeft op 2 februari 2017 plaatsgevonden. NAM heeft bij die gelegenheid onder meer meegedeeld dat er geen andere stukken zijn van HBS dan de reeds door haar overgelegde stukken; [eiser] dat de schadebedragen die HBS hem destijds noemde, in de orde lagen van wat NAM hem al heeft uitbetaald. Partijen hebben verder aangegeven dat het hun voorkeur heeft dat de rechtbank de schade van [eiser] in deze procedure begroot en bij akte nog een voorstel gedaan voor een als deskundige te benoemen calculator.
De rechtbank oordeelt thans als volgt.

Aansprakelijkheid Staat
2.2.
[eiser] meent dat de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld omdat hij zowel voor als na de aardbeving in Huizinge op 16 augustus 2012 onvoldoende heeft ingegrepen in de gaswinning. Er waren volgens [eiser] al voor Huizinge signalen om de gewonnen hoeveelheden onverantwoord te vinden, maar de Staat was met het oog op zijn portemonnee ziende blind. Minister Kamp is de eerste minister die zich in de problematiek heeft verdiept; daarvoor wilde de Staat er altijd omheen.
De Staat weerspreekt dat de Staat een verwijt treft. Hij heeft aangevoerd dat voor de vraag of sprake is van onrechtmatig handelen, beslissend is of de Staat het schaderisico kende of had behoren te kennen, wat naar de toenmalige stand van zaken moet worden beoordeeld. Voor Huizinge is de minister steeds afgegaan op de rapporten van de onafhankelijke instanties en deze bevatten geen, althans onvoldoende, signalen dat de gaswinning ernstige gevolgen zou kunnen hebben. Na Huizinge en het rapport van SodM heeft de minister direct diverse onderzoeken laten uitvoeren. Aangezien de minister met allerlei belangen rekening heeft te houden, is het dichtdraaien van de gaskraan geen optie. De Staat bestrijdt daarnaast dat een causaal verband bestaat tussen de schade waarvan [eiser] vergoeding vordert en het aan de Staat verweten (onvoldoende) handelen.

2.3.
Zoals de rechtbank in haar vonnis van 1 maart 2017 (ECLI:NL:RBNNE:2017:715) in een andere ‘aardbevingszaak’ heeft overwogen, liggen aan de gaswinning instemmingsbesluiten van de minister ten grondslag. De instemmingsbesluiten die golden voor en ten tijde van de aardbeving in Huizinge zijn niet (succesvol) aangevochten in een bestuursrechtelijke procedure, hoewel die rechtsgang openstond. Daarom moet de civiele rechter in beginsel (ambtshalve) uitgaan van de rechtmatigheid van die besluiten. Voor zover [eiser] aan zijn vorderingen ten grondslag legt dat de minister onrechtmatig heeft gehandeld omdat hij de gaswinning in de jaren vóór Huizinge en het SodM-rapport onvoldoende heeft gemaximeerd, stuit dat af op de formele rechtskracht van die besluiten. Dat de Staat bij de totstandkoming van die besluiten onrechtmatig heeft gehandeld door belanghebbenden onjuiste informatie te verstrekken of relevante informatie achter te houden, is gesteld noch gebleken.
Dat ligt - zo is in het vonnis van 1 maart 2017 geoordeeld - anders voor de periode daarna. Toen had van de minister een verdergaand ingrijpen in de gasproductie verwacht mogen worden. Dit is echter onvoldoende om te oordelen dat de Staat jegens [eiser] aansprakelijk is voor de schade waarvan hij thans vergoeding vordert. Daarvoor is namelijk nodig dat die schade door het gestelde ‘niet adequaat ingrijpen’ van de Staat na de beving in Huizinge en het rapport van SodM is ontstaan of toegenomen. [eiser] , die (met name) vergoeding vordert van schade die als gevolg van de aardbeving in Huizinge is ontstaan, heeft ook nadat de Staat een beroep had gedaan op het ontbreken van causaal verband tussen het aan hem gemaakte verwijt en de gestelde schade, niet voldoende onderbouwd dat en zo ja, in hoeverre dit het geval is.
Voor zover [eiser] meent dat de minister de gaswinning na de aardbeving in Huizinge helemaal door NAM had moeten laten staken wordt die stelling verworpen. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 18 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3578) volgt dat de gaswinning in het Groningenveld vooralsnog niet verder behoefde te worden beperkt dan tot 27 miljard m3 per gasjaar en [eiser] heeft niet onderbouwd dat de onderhavige schade niet zou zijn geleden indien de minister de gasproductie na de beving in Huizinge eerder tot dat niveau zou hebben teruggebracht.

2.4.
Gelet op het voorgaande zullen de vorderingen van [eiser] voor zover die zijn gericht tegen de Staat worden afgewezen.
[eiser] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, de proceskosten van de Staat moeten dragen.

2.5.
De hiervoor aangekondigde beslissing zal worden opgenomen in het eindvonnis.

Vaststelling (omvang) schade
2.6.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis aangegeven dat zij overweegt om een of meer deskundigen te benoemen die over de schade aan de boerderij van [eiser] kunnen rapporteren. NAM heeft in haar akte na tussenvonnis meegedeeld dat het onderzoek wat haar betreft zowel op de bovengrond als op de ondergrond betrekking dient te hebben en voorstellen gedaan ten aanzien van de te benoemen deskundigen en de aan deze te stellen vragen. [eiser] en EBN hebben aangegeven zich in de voorstellen van NAM te kunnen vinden, zij het dat [eiser] een paar kanttekeningen heeft geplaatst bij de te benoemen deskundigen en van mening is dat deze niet zonder meer via de door NAM voorgestelde TNO-methodiek te werk dienen te gaan. Partijen zijn het ook eens geworden over de benoeming van een calculator en hebben daartoe Notebomers Bouwgroep te Lutjegast en Surhuisterveen voorgesteld. De rechtbank merkt hierbij op dat NAM en EBN aan de benoeming de voorwaarde hebben gesteld dat Notebomers Bouwgroep niet zal worden ingeschakeld voor (herstel)werkzaamheden waarvoor [eiser] een of meer gedaagden aansprakelijk acht. De rechtbank verstaat dat [eiser] met deze voorwaarde heeft ingestemd.

2.7.
De rechtbank zal de door NAM voorgestelde onderzoeken laten uitvoeren en met het oog daarop de in het dictum genoemde personen als deskundigen benoemen. Zij hebben laten weten daartoe bereid te zijn en ten opzichte van partijen vrij te staan. De rechtbank zal aan deze deskundigen de vragen voorleggen die in de akte na tussenvonnis van NAM zijn geformuleerd, zij het vraag c in een enigszins aangepaste vorm.

Zoals ter comparitie besproken dient het aan de deskundigen te worden overgelaten hoe zij hun onderzoek willen verrichten. Wel zullen, zoals NAM heeft verzocht, in de vraagstelling de relevante factoren worden genoemd die zij in het onderzoek dienen te betrekken. Daarnaast is - voor de duidelijkheid - nog een vraag (I sub e) toegevoegd.
Het is aan de deskundigen of zij een gezamenlijk rapport dan wel afzonderlijke rapporten uitbrengen.

2.8.
NAM en EBN, op wier weg het ligt om tegenbewijs te leveren, hebben ter comparitie laten weten dat zij bereid zijn om de kosten van de deskundigen voor te schieten.

Verdere gang van zaken
2.9.
In afwachting van de deskundigenberichten over de oorzaak van de schade aan de boerderij en de daarmee gemoeide herstelkosten, houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.

BESLISSING
De rechtbank
Ten aanzien van het geschil tussen [eiser] en NAM en EBN
deskundigenonderzoek
1. beveelt onderzoeken door deskundigen ter beantwoording van de volgende vragen:
I. Boven- en ondergronds onderzoek
a. Wat is de algehele bouwkundige toestand van de boerderij van [eiser] , uitgesplitst per gebouwdeel?
b. Kunt u de door [eiser] genoemde schades (die niet reeds door Dekra in het Dekra-rapport van 14 mei 2014, productie 8 bij dagvaarding, als aardbevingsgerelateerd zijn beoordeeld) per gebouw en per gevel/bouwdeel in beeld brengen, mede op basis van een 3D-scan?
c. Wat is de oorzaak of wat zijn oorzaken van de diverse schade ? Wilt u in uw onderzoek in ieder geval de volgende punten betrekken:
d. alle omgevingsfactoren die trillingen kunnen veroorzaken, zoals verkeer, windbelasting/storm en aardbevingen;
e. de bodemgesteldheid, inclusief de grondwaterstand en eventuele grondverbetering; en
f. de wijze waarop de boerderij van [eiser] is gefundeerd.
g. Indien u concludeert dat sprake is van meerdere oorzaken van de schades, kunt u toelichten in welke mate (uitgedrukt in percentages) de verschillende oorzaken aan het ontstaan van de schades hebben bijgedragen?
h. Kunt u aangeven of en zo ja in welke mate (uitgedrukt in percentages) en op welke termijn de diverse schades ook zouden zijn ontstaan indien er geen sprake zou zijn van aardbevingen ten gevolge van de gaswinning in het Groningenveld?
i. Geeft uw onderzoek overigens nog aanleiding tot opmerkingen?
II. Onderzoek herstelkosten
a. Welk bedrag is per post volgens u gemoeid met herstel van de geconstateerde schade?
b. Wat zijn – indien nodig - de kosten van ontruiming van de opstallen, tijdelijke woon- en opslagruimte en nieuwe aanleg van tuin en afrastering van de weilanden ?
c. Geeft uw onderzoek overigens nog aanleiding tot opmerkingen?

deskundigen
2. benoemt tot deskundige:

Bovengronds onderzoek
 de heer Ing. P.B.J.M. Elferink,
De Horsterhof 15,
7542 NC Enschede,
Ondergronds onderzoek
 de heer Flip Hoefsloot, Principal Consultant, verbonden aan Fugro N.V.,
Veurse Achterweg 10,
2264 SG, Leidschendam,
Onderzoek herstelkosten
 de heer N. Zeldenrust, verbonden aan Notebomers Bouwgroep,
De Wieren 18,
9866 AK Lutjegast,

het voorschot
3. bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot op de kosten van de deskundigen het volgende:
- de deskundigen dienen ieder binnen twee weken na ontvangst van het procesdossier een begroting van de kosten op te geven aan de griffie van de rechtbank, gespecificeerd naar het verwachte aantal te besteden uren, het uurtarief en de eventuele overige kosten
- na ontvangst van de opgave zal de procedure binnen twee weken verwezen worden na de rol, om partijen de gelegenheid te geven zich bij akte uit te laten over de deskundigenkosten
- indien niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, wordt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundigen reeds nu voor alsdan vastgesteld op het door de deskundige begrote bedrag
- indien wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal het voorschot worden vastgesteld bij afzonderlijke rechterlijke beslissing,

4. bepaalt dat NAM en EBN het voorschot ter griffie zullen deponeren, welk bedrag na ontvangst van een nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak moet worden voldaan aan de griffier.

(...) ECLI:NL:RBNNE:2017:2257