Overslaan en naar de inhoud gaan

Hof Amsterdam 190416 zorgplicht jeugdhulpverleningsorganisatie tav jongen die tien jaar in instellingen voor verstandelijk gehandicapten verbleef; voornemen deskundigenberichten psychiater, psycholoog en orthopedagoog

Hof Amsterdam 190416 zorgplicht jeugdhulpverleningsorganisatie tav jongen die tien jaar in instellingen voor verstandelijk gehandicapten verbleef; voornemen deskundigenberichten psychiater, psycholoog en orthopedagoog

vervolg op: rb-amsterdam-031214-geen-schending-zorgplicht-jeugdhulpverleningsorganisatie-tav-jongen-die-tien-jaar-in-diverse-instellingen-voor-verstandelijk-gehandicapten-verbleef

3.5
Het hof kiest bij de beoordeling van de kwestie die partijen verdeeld houdt, mét partijen tot uitgangspunt dat [X] gedurende de eerste vier jaren van zijn leven in kommervolle omstandigheden is opgegroeid, waardoor zijn ontwikkeling ernstig achterop is geraakt. Er waren medio 1997 zeer forse gedragsproblemen en er was sprake van een zeer aanzienlijke achterstand in zijn taalvaardigheid.

3.6
Op grond van de onderzoeksbevindingen van opeenvolgende deskundigen kiest het hof bovendien tot uitgangspunt dat het niet zo gemakkelijk is geweest om vast te stellen, of het probleemgedrag van [X] voortkwam uit zijn ontwikkelingsachterstand dan wel uit andere, met name aangeboren beperkingen. Die vaststelling werd nog bemoeilijkt door de omstandigheid dat de taalontwikkeling van [X] in een heel vroeg stadium was gestagneerd alsmede door de omstandigheid, dat hij, als hij zich al taal had eigen gemaakt, dit waarschijnlijk de Turkse taal is geweest.
Het hof heeft in dit verband met name het oog op de volgende onderzoeksbevindingen:

Somers op 28 augustus 1997: 
een diagnose met enige zekerheid valt niet te trekken uit een observatie van een zo slecht functionerende jongen. (…)
Het beeld dat deze jongen toont zou verklaard kunnen worden uit een langdurige situatie met een combinatie van onderstimulatie (bijvoorbeeld als moeder in eigen hallucinaties verzonken geweest kan zijn), isolatie (ze kwamen amper buiten volgens de nu ter beschikking staande gegevens) en mogelijk door moeders lijden (eigen angst? Impulsdoorbraken?) voortvloeiende onveilige cq verwarrende situatie. (…)
De plotselinge uitbarstingen op de groep zouden in dat geval verklaard kunnen worden als door (verlatings?-)angst opgeroepen woede èn als een aangeleerde methode om toch aandacht te krijgen. Echter al dan niet verworven biologische stoornissen (in de zin van hersenletsel òf pervasieve stoornis òf zwakbegaafdheid) kunnen nog niet worden uitgesloten.
Breuk op 19 januari 1998:
(…) de waarschijnlijkheidsdiagnose was, dat het een getraumatiseerd, zeer angstig kind betrof. Zwakzinnigheid en een aan autisme verwante stoornis leken minder waarschijnlijk bij opname, maar konden in verband met het niet spreken niet uitgesloten worden. (…)
“(…) [X] is een verzorgd uitziend tenger vierjarig jongetje dat in aanwezigheid van groepsleiding op een non-verbale intelligentietest op zwakzinnig niveau presteert. (…) Mogelijk is er bij [X] sprake van een onderpresteren door emotionele factoren. (…) Uit observaties en vergelijking met eerdere onderzoeken van enkele maanden geleden lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat [X] in staat is zijn prestaties te verbeteren wanneer hij in optimale omstandigheden funktioneert. (…) Heronderzoek over een half jaar (eind april/begin mei 1988 (hof lees: 1998) naar zijn cognitieve mogelijkheden is geïndiceerd.”
(…) Juist de laatste 1 tot 2 maanden van de observatieperiode heeft [X] zich relatief voorspoedig ontwikkeld (…).
Diagnostische conclusie
(…) Tevens is echter gebleken dat [X] op zwakzinnig niveau funktioneert. (PO begin november 1997)
(…)
Aandachtspunten verdere hulpverlening
Belangrijk is om zo spoedig mogelijk, nu de taalontwikkeling start, logopedie weer in te schakelen.
Een vervolgpsychologisch onderzoek in april a.s., om te beoordelen of er sprake is van cognitieve ontwikkeling (…).
Van Assema op 26 februari 1998:
Gebleken is dat [X] in zijn gedrag duidelijke pedagogische sturing en aandacht nodig heeft en dat zijn ontwikkeling het afgelopen jaar met sprongen vooruit is gegaan. Hieruit kan geen andere conclusie getrokken worden dan dat hij voor zijn uithuisplaatsing in pedagogische zin veel tekort is gekomen. Dat desalniettemin volgens ons sprake is van een kind met een verstandelijke handicap concluderen wij uit het gegeven dat niet verstandelijk gehandicapte kinderen die pedagogisch verwaarloosd worden wel bijna altijd emotioneel beschadigd zijn maar vaak juist, bij wijze van een poging te overleven, hun (cognitieve) vaardigheden gaan “overcompenseren”. Bij [X] is hiertoe geen enkel initiatief waargenomen, waaruit blijkt dat hij zich alleen onder passende pedagogische begeleiding optimaal zal kunnen ontwikkelen.

Van Assema op 3 juni 1998:
Wij hebben een matig verstandelijk gehandicapt jongetje gezien dat echter nog wel over leermogelijkheden beschikt. (…) Verder heeft hij wel degelijk een eigen taalproductie en deze is de afgelopen periode sterk toegenomen tot die van een tweejarig kind. Verder laat hij een zeer gevarieerd gedragspatroon zien.

Erkelens en Meijer op 6 november 2003:
Diagnose na onze observatieperiode
(…) Voorop staan oppositionele gedragsproblemen die waarschijnlijk het best verklaard kunnen worden vanuit een ontwikkelingsachterstand door pedagogische verwaarlozing in combinatie met voortdurende overvraging, voornamelijk op verbaal niveau, bij een jongen van ruim 10 jaar met een disharmonisch intelligentie profiel op moeilijk lerend niveau, waarbij de totale performale schaal significant hoog afwijkt (…) Mogelijk speelt er naast de ontwikkelingsachterstand ook een taalstoornis een rol bij het achterblijven van de verbale capaciteiten.
In haar probleemanalyse van 1998 verwoordt WSSjbjr dit aldus:
Gezien de snelheid waarmee hij lerend is, is niet met zekerheid vast te stellen of hier sprake is van een vorm van zwakbegaafdheid.

3.7
Tot slot kiest het hof tot uitgangspunt dat [X] vanaf het moment van aanvang van de ondertoezichtstelling jarenlang heeft gekampt met forse gedragsproblematiek. Dat heeft hij in wezen ook niet bestreden.
Dat betekent naar het oordeel van het hof dat WSSjbjr goede grond had om zich bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling ook te laten leiden door het antwoord op de vraag wat [X] nodig had met het oog op die gedragsproblematiek.

3.8.1
Het hof is, gegeven deze uitgangspunten, nog niet in staat om in de kwestie die partijen verdeeld houdt, tot een eindoordeel te komen. Het hof overweegt daarover meer in het bijzonder als volgt.

3.8.2
Anders dan de rechtbank wil het hof niet volstaan met het nalopen van de reeks afzonderlijke hulpverleningskeuzes die door WSSjbjr in de loop der jaren zijn gemaakt. Tot de taak van WSSjbjr moet immers ook worden gerekend dat zij doelen op lange termijn stelt en haar hulpverleningsbeleid daarop afstemt. De vele wisselingen van woon- en schoolomgeving die [X] heeft doorgemaakt, doen twijfel rijzen aan de koersvastheid van WSS. Dat geldt met name vanaf de periode dat het einde van het verblijf van [X] in de Hondsberg in zicht komt (dus voorafgaande aan zijn terugkeer naar het ouderlijk huis op 13 november 2000) en waarin moest worden gezocht naar een voor hem passend alternatief. Het hof betrekt hierbij het onder 3.4.4.vermelde rapport van J. Soudijn waar concluderend is aangegeven:
(….) [X] heeft voor een gezonde doorgroei een helder toekomstperspectief nodig. De kans dat hij door kan schieten in depressie is serieus aanwezig. Hij zal moeten opgroeien in een hem duidelijkheid, veiligheid biedende en structuur gevende omgeving. M.a.w. hij blijft voor de toekomst een goede orthopedagogische benadering nodig houden. Terugplaatsing naar huis wordt als zeer zorgelijk gezien. Daar er, door de wachtlijstproblematiek, geen plek voor [X] elders is op het moment wordt er toch voor gekozen om hem naar zijn vader en moeder te laten gaan. Dit zal nauwlettend gevolgd moeten blijven worden.

3.8.3
De aanvankelijke onzekerheid over de verstandelijke vermogens van [X] , onder meer ingegeven door zijn gebrek aan taalvaardigheid die het moeilijk maakte om het niveau van die vermogens te toetsen, en naderhand de relatief snelle ontwikkeling van [X] hebben bij het hof de vraag doen rijzen of WSSjbjr bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling voldoende nauwlettend heeft gevolgd hoe het verstandelijk functioneren van [X] zich ontwikkelde teneinde haar hulpverlening daarop af te stemmen. De rapportages geven de indruk dat in de diagnostiek het aanvankelijk op dit punt diffuse beeld snel heeft plaatsgemaakt voor de vaststelling dat de verstandelijke vermogens van [X] beperkt waren. Ook als mét WSS wordt aangenomen dat de onderzoeksbevindingen van voldoende gehalte waren en dat zij daarop mocht afgaan, blijft over de vraag of zij tot haar taak had moeten rekenen nauwlettender dan zij heeft gedaan te volgen hoe [X] zich verstandelijk ontwikkelde.

3.8.4
[X] verwijt WSSjbjr dat zij hem heeft laten opgroeien in een omgeving waar hij niet paste. In het bijzonder verwijt hij WSSjbjr dat zij hem heeft laten opgroeien te midden van kinderen met een verstandelijke beperking. Hij doelt daarbij, zo begrijpt het hof uit de toelichting op zijn grieven, op het deel van zijn leven dat hij doorbracht in De kleine Johannes, locatie Gooioord, De kleine Johannes, locatie Akerwateringstraat, en De Pijler. 
WSSjbjr heeft aangevoerd dat [X] heeft nagelaten door middel van zijn grieven zijn verblijf in de Akerwateringstraat in hoger beroep aan de orde te stellen, zodat hetgeen hij bij gelegenheid van de comparitie van partijen heeft aangevoerd als tardief moet worden beschouwd. Het hof passeert dit verweer. Uit het samenstel van grieven en de daarop gegeven toelichting is voldoende duidelijk dat ook deze kwestie deel uitmaakt van hetgeen [X] in hoger beroep aan de orde heeft willen stellen. WSSjbjr heeft dat kunnen en moeten begrijpen.
Het enkele feit dat [X] is geplaatst tussen kinderen met een verstandelijke beperking levert ontoereikende grond op voor het oordeel dat WSSjbjr jegens [X] onrechtmatig heeft gehandeld. Denkbaar is dat WSSjbjr met het oog op de gedragsproblematiek van [X] goede grond had om daarvoor te kiezen. Het hof kan evenwel op basis van alle onderzoeksbevindingen niet zonder meer vaststellen dat de door de WSSjbjr gemaakte afweging bij de vaststelling van het te voeren korte en lange termijn behandelbeleid ten aanzien [X] de toets der kritiek kan doorstaan. WSSjbjr had weliswaar rekening te houden met de sociaal-emotionele ontwikkeling van [X] en zijn gedragsproblematiek. Opgroeien tussen kinderen met beperkte verstandelijke vermogens kon echter voor [X] evidente nadelen hebben waarmee WSSjbjr eveneens rekening had te houden. Daarbij komt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat plaatsing van [X] in een omgeving waar hij niet paste, in de weg zou kunnen staan aan een voorspoedige ontwikkeling van [X] .

3.9.1
De twijfel die bij het hof leeft, is van dien aard dat het zich eerst door deskundigen wil laten voorlichten alvorens verder te beslissen. Het hof wil daartoe de volgende vragen voorleggen aan deskundigen:

a. Hoe kon bij [X] het verschil tussen ‘op zwakzinnig niveau functioneren’ en een aangeboren verstandelijke beperking worden vastgesteld? Zijn de toentertijd daarvoor beschikbare mogelijkheden benut? Zo neen, welk alternatief/welke alternatieven zijn onbenut gebleven?
b. Had het verschil voor de te kiezen aanpak gemaakt als WSSjbjr de onder a. verwoorde vraag vanaf aanvang van haar uitvoering van de ondertoezichtstelling en vervolgens bij iedere (op zijn minst jaarlijkse) evaluatie was blijven stellen?
c. Is naar uw deskundig oordeel het door WSSjbjr in de loop der jaren gekozen hulpverleningsbeleid bestendig? Zo ja, kunt u uiteenzetten, waarin die bestendigheid schuilt? Zo neen, kunt u uiteenzetten, waarin het gebrek aan bestendigheid schuilt en kunt u aangeven welk(e) redelijk(e) alternatief (alternatieven) WSSjbjr toentertijd ten dienste stond(en) en wat, naar redelijkerwijs valt aan te nemen, de gevolgen zijn geweest voor [X] van het niet-toepassen van dat alternatief of die alternatieven?
d. Passen de plaatsen waar WSSjbjr [X] heeft doen opgroeien bij zijn beperkingen en mogelijkheden?
e. Valt de afweging die WSSjbjr ertoe heeft gebracht om [X] te laten opgroeien tussen kinderen met beperkter verstandelijke vermogens naar uw deskundig inzicht te billijken met het oog op zijn (gedrags-)problematiek? Zo ja, waarom? Zo neen, waarom niet? 
f. Ingeval van een ontkennende beantwoording van de onder d. en e. geformuleerde vragen: was of waren er toentertijd redelijke alternatieven waarvoor WSSjbjr had kunnen kiezen? Kunt u aangeven wat de gevolgen zijn geweest voor [X] van het niet-toepassen van dat alternatief of die alternatieven?
Het hof verwacht van de te benoemen deskundigen dat zij zich bij de beantwoording van de vragen richten op het niveau van kennis en kunde dat vanaf 1998 redelijkerwijs voor WSSjbjr beschikbaar was. Een andere benadering zou WSSjbjr tekort doen.

3.9.2
Het komt het hof voor dat het beter is om niet te volstaan met benoeming van één deskundige. Het hof heeft het voornemen om gebruik te maken van de expertise van een psychiater, een psycholoog en een orthopedagoog. Partijen mogen voorstellen doen over de te benoemen personen. Het hof dringt bij partijen erop aan te proberen om tot één gezamenlijk voorstel te komen.
Ook mogen partijen zich uitlaten over de te stellen vragen.
Ten aanzien van de schadeloosstelling en het loon van de deskundigen geldt het bepaalde in de artikelen 195 en 199 Rv. [X] is de eisende partij en heeft in het beginsel het voorschot te dragen. [X] procedeert evenwel met een toevoeging, zodat de deskundigenkosten voorlopig door de griffier worden betaald ten laste van ’s Rijks kas.

3.9.3
Dé kenbron voor hetgeen waardoor WSSjbjr zich bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling van [X] heeft laten leiden, zijn de hulpverleningsplannen en evaluaties die zij van jaar tot jaar heeft moeten maken en die, naar namens haar desgevraagd ter gelegenheid van de comparitie van partijen van 4 februari 2016 is verklaard, ook van jaar tot jaar zijn gemaakt.
Het hof staat voor ogen dat dit materiaal ter beschikking komt van de te benoemen deskundigen en zal WSSjbjr verzoeken dit materiaal in het geding te brengen.

3.10
Het hof zal de zaak verwijzen naar de rol voor een akte aan de zijde van [X] . Het hof verzoekt [X] in die akte de hierboven in rechtsoverweging 3.9.2 door het hof onder woorden gebrachte vragen te beantwoorden. WSSjbjr krijgt daarna de gelegenheid om in een antwoordakte die vragen te beantwoorden. Bij die akte kan zij ook de nog ontbrekende hulpverleningsplannen/evaluaties in het geding brengen.

3.11
De overige kwesties laat het hof in deze fase van het geding rusten. Pas na ontvangst van het deskundigenbericht zal het hof de grieven meer concreet bespreken. Hetzelfde geldt voor de vraag of, en zo ja, in hoeverre een eventueel bestaand hebbend gebrek aan geschikte plaatsingsmogelijkheden voor rekening van WSS moet worden gebracht.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. ECLI:NL:GHAMS:2016:1465