Zoeken

Inloggen

Artikelen

RBNNE 060319 vordering tzv schadevergoeding bij nierschade na gebruik Pentasa (mesalizine) verjaard; overigens ook onvoldoende onderbouwd

RBNNE 060319 vordering tzv schadevergoeding bij nierschade na gebruik Pentasa (mesalizine) verjaard; overigens ook onvoldoende onderbouwd


Standpunten van partijen in hoofdlijnen 

[ eiseres ] 

4.1. 
[ eiseres ] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd, verkort weergegeven, dat het UMCG toerekenbaar tekort is gescholen in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst dan wel onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Het UMCG is om die reden aansprakelijk voor de schade die zij hierdoor lijdt en heeft geleden. [ eiseres ] heeft gesteld dat dr. X als behandelend arts (hierna: de behandelend arts) de nierfunctie van [ eiseres ] regelmatig had moeten controleren. De behandelend arts heeft evenwel verzuimd om gedurende een lange periode de nierfunctie te controleren. Indien hij de nierfunctie regelmatig had gecontroleerd, had het nierfunctieverlies bij [ eiseres ] - dat is ontstaan door het langdurige gebruik van Pentasa - voorkomen kunnen worden. Het verzuim om regelmatig controles van de nierfunctie te verrichten kwalificeert als tekortschietend medisch handelen waardoor sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst dan wel van een onrechtmatige daad. 

4.2. 
Ter onderbouwing van haar stelling dat de behandelend arts de nierfunctie regelmatig had moeten controleren, heeft [ eiseres ] gesteld dat in zowel de medische literatuur (verwezen wordt naar de brief van haar voormalig gemachtigde van 3 maart 2009, zie rechtsoverweging 2.20) als in de bijsluiter van Pentasa wordt vermeld dat nierfunctiestoornissen een ernstige bijwerking van Pentasa kunnen zijn en dat de nierfunctie (daarom) regelmatig gecontroleerd moet worden. Ter comparitie heeft de advocaat van [ eiseres ] meer in het bijzonder gesteld, onder verwijzing naar het Farmacotherapeutisch Kompas uit 2018 dat door het UMCG in het geding is gebracht, dat de nierfunctie elke drie maanden moet worden gecontroleerd, dat hen ook niet anders bekend is dan dat één maal per drie maanden de nierfunctie gecontroleerd moet worden bij gebruik van Pentasa, maar dat het UMCG klaarblijkelijk een beleid voert dat afwijkt van hetgeen in de literatuur staat vermeld en wordt aanbevolen. Voorts heeft [ eiseres ] gesteld dat een mis de zorgplicht heeft om bijwerkingen van medicijnen te monitoren. Die zorgplicht wordt een bijzondere zorgplicht indien, zoals in het onderhavige geval, de bijwerking kenbaar was bij leken. [ eiseres ] heeft gesteld dat haar ouders aan de artsen aandacht hebben gevraagd voor controle van de nierfunctie na het lezen van de bijsluiter van Pentasa. 

4.3. 
Naar aanleiding van het verweer van het UMCG heef [ eiseres ] betwist dat de vorderingen zijn verjaard. 

Het UMCG 

4.4. 
Tot haar verweer heeft het UMCG primair aangevoerd onder verwijzing naar artikel 3:310 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) dat de vordering van [ eiseres ] is verjaard. De bekendheid met nierinsufficiëntie, nierschade oftewel een nierfunctiestoornis als gevolg van het gebruik van Pentasa bestond volgens het UMCG bij [ eiseres ] vanaf november 2000 zoals blijkt uit de brief van de ouders van 5 november 2000, althans vanaf begin 2001, althans vanaf medio 2002. Voldoende bekendheid met de aansprakelijke persoon bestond ook. Ter onderbouwing heeft het UMCG verwezen naar voornoemde brief, naar aantekeningen die de behandelend arts( en) van de gesprekken en poliklinische bezoeken in het medisch dossier van [ eiseres ] in die jaren heeft respectievelijk hebben gemaakt en naar de brieven die aan de huisarts zijn gestuurd en waarin onder meer verslag wordt gedaan van gesprekken die de behandelend arts(en) met [ eiseres ] en haar ouders heeft respectievelijk hebben gevoerd. Aangezien [ eiseres ] niet binnen vijf jaar na - in ieder geval 2002 - een vordering heeft ingesteld of de verjaring heeft gestuit, is de vordering verjaard. 

4.5. 
Het UMCG heeft subsidiair betwist dat het toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst dan wel onrechtmatig heeft gehandeld. Het UMCG heeft aangevoerd, in het geval moet worden uitgegaan van een causaal verband tussen de bij [ eiseres ] ontstane nierfunctiestoornis en het gebruik van Pentasa, dat in de medische Iiteratuur noch in de hijsluiter van Pentasa in de periode 1998 tot en met 2000 stond vermeld dat de nierfunctie driemaandelijks, althans regelmatig, moest worden gecontroleerd. Het UMCG heeft onder meer verwezen naar het werkboek Kindergastro-enterologie uit 2002 waarin de werkzame stof van Pentasa, Mesalazine wordt beschreven. De bijwerking nierfunctiestoornissen wordt niet vermeld. Ten tijde van de behandeling van [ eiseres ] waren nog weinig literatuurgegevens bekend over potentiële schadelijkheid van Pentasa voor de nierfunctie, zeker bij kinderen in de leeftijd van [ eiseres ] . Nog steeds is weinig studie gedaan naar de effectiviteit, veiligheid en werking van Pentasa bij kinderen. De laatste meer omvangrijke studie dateert uit 2004, dus nadat de behandeling bij [ eiseres ] met Pentasa was aangevangen. De behandelend artsen hebben in overeenstemming gehandeld met de destijds geldende normen voor kinderen als [ eiseres ] met een inflammatoire darmziekte. Aan het begin van de behandeling is de nierfunctie meerdere malen gecontroleerd en goed bevonden. Dat er desondanks problemen aan de nieren zijn ontstaan, is uitermate verdrietig en ongelukkig, maar niet verwijtbaar omdat er geen standaard, norm of kennis beschikbaar was die redelijkerwijs tot ander handelen had kunnen dan wel moeten leiden. Ook in andere academische ziekenhuizen werd in de periode van 1998 tot en met 2000 de nierfunctie bij gebruik van Pentasa niet routinematig gecontroleerd. 

4.6. 
Het UMCG heeft voorts aangevoerd dat niet vast staat dat de nierfunctiestoornis bij [ eiseres ] door het geneesmiddel Pentasa is veroorzaakt. Pentasa kan nierfunctiestoornissen veroorzaken, maar dat wil nog niet zeggen dat de nierfunctiestoornissen van [ eiseres ] in causaal verband staan met het gebruik van Pentasa. Er zijn meer oorzaken die kunnen leiden tot dit ziektebeeld, terwijl de bijwerking uiterst zeldzaam is, bet treft één op de 10.000 patiënten. 

4.7. 
Het UMCG betwist op voornoemde gronden gehouden te zijn tot vergoeding van schade. 

5. 
De beoordeling door de rechtbank 

Algemeen 

5.1. 
Het UMCG heeft primair en als meest verstrekkende verweer tegen de vordering aangevoerd dat zij is verjaard. De rechtbank zal in de eerste plaats over gaan tot beoordeling van dit verweer, waarvoor het UMCG de stelplicht en bewijslast draagt. 

Verjaring? 

5.2. 
De rechtbank stelt bij de beoordeling van het beroep op verjaring door het UMCG het volgende voorop. Op grond van artikel 3:310 lid 1 BW verjaart een vordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon aldus worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid. Het enkele vermoeden van het bestaan van de schade is niet voldoende om aan te nemen dat sprake is van daadwerkelijke bekendheid met de schade. De verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding Van de door hem geleden schade in te stellen (HR 24 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0694, HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR.:2003:AL8168). Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid - Die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn - heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Dit houdt niet in dat voor het gaan lopen van de verjaringstermijn is vereist dat de benadeelde- behalve met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon - daadwerkelijk bekend is met de juridische beoordeling van die feiten en omstandigheden (HR 26 november 2004, ECLl:NL:HR:2004:AR1739). Dit betekent evenmin dat is vereist dat de benadeelde steeds ook met de (exacte) oorzaak van de schade bekend is (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8903). Het antwoord op de vraag op welk tijdstip de verjaringstermijn is gaan lopen, is uiteindelijk afhankelijk van alle ter zake dienende omstandigheden (HR 14 november 2014, ECLI:NL:HR.:2014:3240; vergelijk verder onder meer ook HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8168, HR 4 april 2008ECLI:NL:HR:2008:BC3569, HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ4850 en HR 31 maart 2017 ECLI:NL:HR:2017:552). Verder is in dit geval relevant dat artikel 3 :310 lid 5 BW toepassing mist nu de onderhavige schadeveroorzakende gebeurtenis zich voor 1 februari 2004 heeft voorgedaan. 

5.3. 
Het UMCG heeft in het kader van het beroep op verjaring in de eerste plaats aangevoerd dat [ eiseres ] in november/december 2000 voldoende kennis en daarmee voldoende zekerheid had gekregen dat nierschade bij haar kon zijn ontstaan (mede) als gevolg van het gebruik van Pentasa en het niet regelmatig controleren van de nierfunctie door de behandelend arts van het UMCG. Daarmee was de schade en de aansprakelijke persoon bekend. Dat blijkt volgens het UMCG allereerst uit de brief die de ouders op 5 november 2000 hebben gestuurd aan het UMCG (zie rechtsoverweging 2.7.), omdat zij daarin hebben geschreven dat hen bekend is geworden dat bij het gebruik van Pentasa regelmatig de nierfuncties gecontroleerd hadden moeten worden en dat sinds augustus 1998 de nierfunctie niet meer is gecontroleerd 'met zeer pijnlijke gevolgen'. Verder blijkt die zekerheid volgens het UMCG uit het feit dat de ouders in die brief ook hebben geschreven dat volgens de nefroloog de schade aan de nieren bij tijdige ontdekking in de acute fase veel geringer zou zijn geweest. Voorts blijkt de zekerheid uit het feit dat de ouders hebben geschreven dat bij de artsen gelet op de klachten van [ eiseres ] , een belletje had moeten rinkelen zodat eerder kreatinine en ureum waren geprikt. De nierfunctiestoornis zou dan vijf weken eerder zijn geconstateerd en de situatie zou in dat geval waarschijnlijk minder erg zijn geweest. Uit de aantekeningen die zijn gemaakt van de gesprekken die daarna tussen (de ouders van) [ eiseres ] en de artsen hebben plaatsgevonden (van 21 november 2000. 29 november 2000 en 11 december 2000) blijkt voormelde zekerheid naar de mening van het UMCG ook (zie rechtsoverweging 2.8. tot en met 2.10.). 

5.4. 
[ eiseres ] heeft hiertegen ingebracht dat de brief van 5 november 2000 aan het UMCG is gestuurd als leidraad voor het gesprek dat op 21 november 2000 zou plaatsvinden. 
Tijdens dat gesprek op 21 november 2000 heeft de behandelend arts gezegd, aldus [ eiseres ] , dat geen sprake is geweest van een fout en dat de nierfunctie weer zou herstellen omdat de oorzaak van de schade was weggenomen door het gebruik van Pentasa te staken. De artsen hebben 'geruststellende mededelingen' gedaan, aldus [ eiseres ] . Dat geldt, zo begrijpt de rechtbank, ook voor de gesprekken die op 29 november 2000 en 11 december 2000 hebben plaatsgevonden. In zoverre zijn de aantekeningen die door de artsen zijn gemaakt volgens [ eiseres ] dus onjuist dan wel onvolledig. Volgens [ eiseres ] , althans zo begrijpt de rechtbank haar stellingen, mochten zij en haar ouders uit de geruststellende mededelingen van de behandelend arts( en) afleiden dat de medicatie weliswaar de nierfunctie had verminderd, maar dat de nierfunctie weer zou herstellen, althans dat de nierinsufficiëntie dermate beperkt zou zijn en binnen aanvaardbare grenzen zou blijven, dat zij met de bereikte nierfunctie van ( 30 tot 40% ) een normaal leven zou kunnen leiden zonder transplantatie of dialyse. [ eiseres ] en haar ouders hebben deze mededelingen aldus mogen opvatten dat van schade geen sprake was. Hierdoor is de verjaringstermijn niet aangevangen. Ter onderhouwing van haar stellingen verwijst [ eiseres ] naar de verklaring van haar ouders en naar de verklaring van dr. Z., haar oom die tevens huisarts is (zie rechtsoverweging 2.23 en 2.24). 

5.5. 
De rechtbank overweegt tegen de achtergrond van hetgeen in rechtsoverweging 5.2. is overwogen, dat de brief van 5 november 2000 in principe aanleiding geeft om te veronderstellen dat op het moment waarop deze brief werd geschreven [ eiseres ] en haar ouders voldoende zekerheid hadden dat schade aan de nieren was ontstaan en dat deze schade (mede) het gevolg kon zijn van het gebruik van Pentasa en het niet regelmatig controleren van de nierfunctie door de behandelend arts van het UMCG tijdens het gebruik ervan. In het geval [ eiseres ] en haar ouders op basis van door de artsen gegeven 'geruststellende' informatie tijdens de op de brief volgende gesprekken in november en december 2000 evenwel redelijkerwijze mochten aannemen dat geen schade aan de nieren was ontstaan omdat de nierfunctie weer zou herstellen, is de rechtbank van oordeel dat de verjaringstermijn in november 2000 niet kan zijn aangevangen. In dat geval zou de inhoud van de brief van 5 november 2000 zijn weersproken althans dermate zijn gerelativeerd dat de voormelde zekerheid bij [ eiseres ] in de gegeven omstandigheden geacht moet worden te hebben ontbroken. 

5.6. 
De verklaring van de ouders en de verklaring van dr. Z. onderbouwen hetgeen [ eiseres ] ter zake in de dagvaarding en ter comparitie heeft aangevoerd. Het UMCG heeft onder verwijzing naar de aantekeningen die de artsen van de gesprekken hebben gemaakt betwist dat is medegedeeld dat de nierfunctie zich weer zou herstellen of dat is medegedeeld dat de gevolgen van de ontstane nierinsufficiëntie beperkt zouden blijven. Wat tijdens de gesprekken in november en december 2000 exact is besproken en in hoeverre op basis van die gesprekken moet worden aangenomen of voormelde zekerheid bestond bij [ eiseres ] , kan de rechtbank op dit moment zonder nadere bewijslevering derhalve niet vaststellen. Die vraag kan ook in het midden blijven, omdat de rechtbank van oordeel is dat de verjaringstermijn in 2001 - zoals het UMCG in het kader van hetverjaringsverweer in de tweede plaats heeft aangevoerd - in ieder geval is aangevangen. Daartoe wordt als volgt overwogen. 

5.7.
Het UMCG heeft gesteld dat op 15 januari 2001 en 24 januari 2001 gesprekken tussen de behandeld arts(en), [ eiseres ] en haar ouders hebben plaatsgevonden, waar de nierfunctiestoornis in verband met het gebruik van Pentasa en eventuele gevolgen van deze schade, namelijk nierdialyse en niertransplantatie, ter sprake zijn gekomen. In dat kader verwijst het UMCG naar de aantekeningen in het medisch dossier die van het gesprek op 15 januari 2001 zijn gemaakt (vergelijk rechtsoverweging 2.11.). Daarnaast verwijst het UMCG naar de brief van 19 maart 200 I van de behandelend kindernefroloog aan de huisarts van [ eiseres ] waarin verslag wordt gedaan van het gesprek met [ eiseres ] en haar ouders op 24 januari 200 I (zie rechtsoverweging 2.12.). 

5.8. 
De rechtbank constateert dat [ eiseres ] geen specifiek verweer heeft gevoerd tegen de stelling van het UMCG dat de verjaringstermijn begin 2001 is aangevangen. Zij heeft slechts in het algemeen aangevoerd dat de artsen steeds 'geruststellende mededelingen' aan haar hebben gedaan, in de zin dat de nierfunctie zou herstellen althans zodanig zou herstellen dat ze daarmee een leven zou kunnen leiden zonder niertransplantatie of nierdialyse. 
[ eiseres ] betwist niet dat op 15 januari 2001 en op 24 januari 2001 gesprekken hebben plaatsgevonden tussen haar, haar ouders en de behandelend artsen. Zij betwist evenmin de juistheid van de aantekeningen in het medisch dossier en de inhoud van de brief van de kindernefroloog aan de huisarts van 19 maart 2001 waarin verslag wordt gedaan van hetgeen besproken is met [ eiseres ] en haar ouders op 24 januari 2001. 

5.9. 
Het voorgaande betekent dat de rechtbank uitgaat van de juistheid van de aantekeningen in het medisch dossier over het gesprek dat op 15 januari 2001 plaatsvond en van de juistheid van de inhoud van de brief aan de huisarts van 19 rnaart 2001 over het gesprek dat op 24 januari 2001 is gevoerd. De rechtbank kan op basis van die aantekeningen en die brief niet anders concluderen dan dat tijdens de gesprekken aan de orde is geweest dat, ondanks de ogenschijnlijk stabiele situatie van de nierfunctie op dat moment de toekomst moest leren of [ eiseres ] voorlopig met de bereikte nierfunctie vooruit zou kunnen of dat te zijner tijd toch dialyse noodzakelijk zou zijn. In dat verband is, zo blijkt uit de aantekeningen en de brief, in beide gesprekken nadrukkelijk door de behandelend artsen de verschillende vormen van dialyse en transplantatie besproken. Dat deze informatie de moeder van [ eiseres ] 'onzeker' maakte, zoals ook uit de aantekeningen kan worden afgeleid, is in de gegeven omstandigheden alleen maar begrijpelijk. Dat neemt evenwel niet weg dat uit de aantekeningen en de brief aldus blijkt dat op het moment waarop de gesprekken werden gevoerd, bekend was dat (substantiële) schade aan de nieren was ontstaan en dat van een definitief herstel geen sprake was noch dat dialyse en transplantatie in de toekomst werden uitgesloten. Voorts duiden de aantekeningen en de brief erop dat deze kennis in voornoemde gesprekken door de artsen met [ eiseres ] is gedeeld. Voor zover [ eiseres ] zou hebben bedoeld te stellen dat de artsen tijdens de gesprekken op 15 januari 200 1 en 24 januari 2001 ook 'geruststellende mededelingen' aan haar hebben gedaan, namelijk dat de nierfunctie zou herstellen, althans dat de nierfunctiestoornis zodanig beperkt zou zijn dat ze daarmee een leven zou kunnen leiden zonder niertransplantatie ofnierdialyse, beeft zij dat - in het licht van de door het UMCG overgelegde stukken, waarvan zij de juistheid dus niet betwist - onvoldoende gemotiveerd. 

5.10. 
De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot het oordeel dat [ eiseres ] ten tijde van het voeren van de gesprekken op 15 januari 2001 en 24 januari 2001 daadwerkelijk bekend moet zijn geraakt met het feit dat zij ernstige (substantiële) schade aan haar nieren heeft opgelopen waardoor in de toekomst dialyse en transplantatie niet uitgesloten konden worden. Deze bekendheid reikt verder dan een enkel vermoeden van het bestaan van schade. Met het verkrijgen van deze daadwerkelijke bekendheid met (substantiële) schade aan de nieren, had zij vervolgens ook voldoende zekerheid dat deze schade aan haar.nieren (mede) het gevolg kon zijn van het gebruik van Pentasa en het niet regelmatig controleren van de nierfunctie tijdens het gebruik ervan door de behandelend arts. Na de nierbiopsie werd door de behandelend artsen in het UMCG immers uitgegaan van een aan het gebruik van Pentasa geassocieerde nierfunctiestoornis. hetgeen ook steeds met [ eiseres ] is gecommuniceerd. Dat het oorzakelijk verband tussen het gebruik van Pentasa en de schade aan de nieren bij [ eiseres ] wellicht niet (wetenschappelijk) vaststaat - zoals het UMCG heeft aangevoerd als verweer tegen aansprakelijkheid - , is niet doorslaggevend omdat de vereiste zekerheid in dit verband geen absolute zekerheid hoeft te zijn (vergelijk rechtsoverweging 5.2). [ eiseres ] was verder door het verkrijgen van daadwerkelijke bekendheid met de (substantiële) nierschade begin 2001, ook voldoende bekend met de daarvoor aansprakelijke persoon of personen. [ eiseres ] heeft ook niet, althans onvoldoende gesteld dat hieromtrent bij haar onduidelijkheid bestond. [ eiseres ] was in 2001 reeds bekend met het feit dat de behandelend arts van hel UMCG de nierfunctie tijdens het langdurig gebruik van Pentasa na de begin fase niet meer regelmatig had gecontroleerd. Tijdens de gesprekken in januari 2001 verkreeg zij voldoende zekerheid dat dit langdurig gebruik van Pentasa tot nierschade had geleid. Dat is in de gegeven omstandigheden voldoende. Dat de behandelend arts niet heeft erkend dat hij een fout heeft gemaakt, leidt in de onderhavige kwestie, waarin het feitelijk handelen van deze arts in verband met het gebruik van Pentasa wel erkend werd en bekend was, niet tot een andere conclusie. Voldoende is, zoals in bet onderhavige geval, dat [ eiseres ] ten tijde van voornoemde gesprekken bekend is geworden met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Niet is vereist dat [ eiseres ] daadwerkelijk bekend is met de juridische beoordeling van die feiten en omstandigheden. 

5.11.
Voor zover [ eiseres ] met haar verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 25 juni 1999 (Hoge Raad, 25 juni 1999, ECLI:NL:HR: 1999, ZC2934) heeft bedoeld dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om in het onderhavige geval aan te nemen dat de verjaringstermijn in 2001 is aangevangen, wordt dat beroep door de rechtbank gepasseerd. De rechtszekerheid, die de verjaring mede beoogt te dienen, eist een vaste termijn. Daarom kan in het algemeen niet worden afgeweken van het in het artikeI 3:310 lid I BW bepaalde aanvangstijdstip van die termijn. Voor zover het hanteren van een bepaalde aanvangstermijn ertoe leidt dat een vordering verjaart die de schuldeiser niet geldend heeft kunnen maken vanwege omstandigheden die aan de schadeveroorzaker moeten worden toegerekend, is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat deze zich erop zou mogen beroepen dat de vijfjarige verjaring een aanvang heeft genomen op het in art. 3:310 lid I omschreven aanvangstijdstip. In zodanig geval moet dan ook worden aangenomen dat de verjaringstermijn eerst een aanvang neemt wanneer de omstandigheden het kunnen geldend maken van de vordering niet langer verhinderen (BR 3 november 1995, ECLI:NL:HR: 1995:ZC1867 en Hoge Raad 25 juni 1999,ECLI:NL:HR:1999:ZC2934). [ eiseres ] heeft echter geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan moet worden aangenomen dat zij in 2001 haar vordering niet geldend beeft kunnen maken en dat dit voortvloeide uit omstandigheden die aan het UMCG kunnen worden toegerekend. Zij heeft haar beroep op het voorgaande niet gemotiveerd. 

5.12. 
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat aanvang 2001 [ eiseres ] voldoende kennis en daarmee voldoende zekerheid had dat substantiële nierschade bij haar was ontstaan. Tevens had zij voldoende kennis en zekerheid dat deze schade (mede) kon zijn veroorzaakt door het gebruik van Pentasa en het niet regelmatig controleren van de nierfunctie tijdens het gebruik ervan door de behandelend arts van het UMCG. Daarmee had zij ook voldoende kennis en zekerheid van de aansprakelijke persoon dan wel personen. Als gevolg hiervan is de verjaringstermijn als bedoeld in artikel 3:3I0 lid I BW in ieder geval begin 2001 (na de gesprekken in januari 2001) aangevangen. De vorderingen van [ eiseres ] zoals die bij dagvaarding onder I en II zijn ingesteld, zijn daarom begin 2006 verjaard, aangezien [ eiseres ] in de tussenliggende periode de verjaring niet heeft gestuit (artikel 3:317 lid I BW). 
Om deze reden zal het door [ eiseres ] gevorderde worden afgewezen. 

Overigens 

5.13. 
Alhoewel het gevorderde op grond van verjaring wordt afgewezen, acht de rechtbank het wenselijk gezien de aard van het geschil, met betrekking tot de door [ eiseres ] gestelde toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de behandelingsovereenkornst en het gestelde onrechtmatig handelen, nog het volgende te overwegen. 

5.14. 
Tussen [ eiseres ] en het UMCG bestond een behandelingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:446 lid 1 BW. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:453 BW dient een medisch hulpverlener bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht te nemen en daarbij te handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard. Dit betekent volgens vaste jurisprudentie dat de hulpverlener, in dit geval de kindergastro-enteroloog (minimaal) die zorg moet betrachten die de redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht (vergelijk HR 9 november 1990, ECLI:NL:HR:1990,AC1103, HR 23 december 2016,ECLI:NL:HR:2016: 2987)

5.15. 
Bij de invulling van bovenstaande norm dient in dit geval te worden uitgegaan van de professionele standaard zoals die aanvaard was in de periode waarin [ eiseres ] Pentasa gebruikte, te weten de periode van januari 1998 tot en met oktober 2000. De professionele standaard wordt onder meer gevormd door bijvoorbeeld gedragsregels, beroepscodes, standaarden, protocollen en richtlijnen. Een protocol voor een medische behandeling vormt een richtlijn die in beginsel in acht genomen moet worden, maar waarvan soms ook kan en in bepaalde gevallen soms moet worden afgeweken, waarbij als maatstaf heeft te gelden dat aan de patiënt de zorg behoort te worden verleend die in de omstandigheden van het geval van een redelijk bekwaam arts mag worden verlangd. 

5.16. 
In beginsel draagt [ eiseres ] krachtens de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de stelplicht en bewijslast van de gestelde tekortkoming dan wel het onrechtmatig handelen. Zij, althans haar advocaat, zal de gestelde feiten en omstandigheden voldoende gemotiveerd en deugdelijk onderbouwd moeten stellen. De rechtbank is van oordeel dat hieraan niet is voldaan en wijst, zonder uitputtend te willen zijn, op het volgende. 

5.l7.
[ eiseres ] heeft ter onderbouwing van haar stelling dat de behandelend arts de nierfunctie gedurende het gebruik van Pentasa regelmatig had moeten controleren, verwezen naar de bijsluiter van dit middel waarin zou staan dat de nierfunctie driemaandelijks, althans regelmatig moet worden gecontroleerd. Het UMCG heeft betwist dat het voorgaande in de bijsluiter uit de periode van januari 1998 tot en met oktober 2000 staat. [ eiseres ] heeft nagelaten de bijsluiter van Pentasa waaruit het door haar gestelde kan worden afgeleid, uit voornoemde periode in het geding te brengen. Een verwijzing naar de door het UMCG in het geding gebrachte kopie uit het Farmacotherapeutisch Kompas uit juni 2018, is onvoldoende omdat deze informatie, zonder nadere redengeving die ontbreekt, niet geacht kan worden de informatie uit de bijsluiter van Pentasa weer te geven of de professionele standaard van (bijna) twintig jaar geleden. 

5.18. 
[ eiseres ] heeft verder ter onderbouwing van haar stellingen gesteld dat de 'medische literatuur' van destijds vermeldde dat bij het gebruik van Pentasa de noodzaak bestond om de nierfunctie driemaandelijks, althans regelmatig te controleren. Het UMCG heeft ook dit betwist. Tijdens de comparitie na antwoord heeft (de advocaat van) [ eiseres ] in dit kader verwezen naar de brief van 3 maart 2009 van de voormalig gematigde van [ eiseres ] aan het UMCG waarin wordt verwezen naar medische literatuur (zie rechtsoverweging 2.20). Uit die brief valt evenwel niet op te maken uit welke medische literatuur het voorgaande blijkt. Ook heeft de advocaat van [ eiseres ] gesteld dat een artikel is geschreven over het gebruik van Pentasa en nierfunctiestoornissen in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Wat exact in dat artikel staat en waarom dat artikel ter onderbouwing van de eigen stellingen dient, heeft de advocaat van [ eiseres ] evenwel niet toegelicht. Medische literatuur of het voormelde artikel zijn ook niet door de advocaat van [ eiseres ] in het geding gebracht bij dagvaarding dan wel ter gelegenheid van de comparitie van antwoord, nadat het verweer van het UMCG bekend was geworden. [ eiseres ] heeft ook anderszins haar stelling dat reeds in de periode van januari 1998 tot en met oktober 2000 vanwege het gebruik van Pentasa haar nierfunctie driemaandelijks, althans regelmatig had behoren te worden gecontroleerd, niet nader althans onvoldoende met bescheiden onderbouwd. 

5.19. 
De rechtbank is voorts - anders dan [ eiseres ] - van oordeel dat het enkele feit dat een arts niet (regelmatig) elke bijwerking (dus ook die uiterst zeldzaam zijn) van een medicijn monitort, nog niet betekent dat hij of zij niet als een redelijk bekwaam en redelijk handelend mis handelt. Daarbij neemt de rechtbank ook in overweging dat het UMCG uitgebreid heeft gemotiveerd waarom niet elke bijwerking kan en wordt gemonitord en welke inschatting bij kinderen elke keer moet worden gemaakt. De rechtbank overweegt verder dat wellicht bij het gebruik van Pcntasa redenen bestaan op grond waarvan van een redelijk handelend en bekwaam arts wél rnocht worden verwacht dat hij de bijwerking nierfunctiestoornissen in de periode van januari 1998 tot en met oktober 2000 had gemonitord, maar die redenen zijn door [ eiseres ] niet gesteld. Dat de ouders van [ eiseres ] de behandelend arts hebben gewezen op de bijwerking van Pentasa, maakt ook niet dat van een redelijkheid handelend en reelelijk bekwaam arts mocht worden verwacht dat hij vervolgens de nierfunctie van [ eiseres ] regelmatig had moeten controleren. Het UMCG voert immers niet aan dat zij destijds niet bekend was met de bijwerking van Pentasa, maar dat er (vanwege de zeldzaamheid) voor werd gekozen om - overeenkomstig de geldende norm - de nierfunctie niet regelmatig te controleren. Het voorgaande kan anders zijn indien de ouders van [ eiseres ] de behandelend arts op de bijwerking hebben gewezen en er op dat moment aanwijzingen waren dat de nierfunctie van [ eiseres ] niet goed functioneerde dan wel dat er andere aanwijzingen waren die tot regelmatige controle van de nierfunctie noopten, maar dat is door [ eiseres ] niet, althans onvoldoende onderbouwd gesteld. 

5.20. 
De rechtbank resumeert op basis van het voorgaande dat, indien de vorderingen van [ eiseres ] niet reeds waren verjaard, het gevorderde in deze procedure op basis van bovenstaande overwegingen ook zou zijn afgewezen. De (advocaat van De) [ eiseres ] heeft, mede gelet op het verweer van het UMCG, onvoldoende onderbouwd gesteld dat de behandelend mis van het UMCG de nierfunctie van [ eiseres ] iedere drie maanden, althans regelmatig had moeten controleren tijdens het gebruik van Pentasa door [ eiseres ] met als gevolg dat de behandelend arts door dat na te laten, tekort is geschoten in de nakoming van de geneeskundige behandelingaovereenkomst dan wel onrechtmatig heeft gehandeld. 
Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2019/RBNNE-060319

Deze website maakt gebruik van cookies