RBAMS 261125 letsel door spelende hond; ES 40% omdat ook eiseres aanlijnplicht niet in acht had genomen; geen billijkheidscorrectie - geen verwijzing naar schadestaatprocedure
- Meer over dit onderwerp:
RBAMS 261125 letsel door spelende hond; ES 40% omdat ook eiseres aanlijnplicht niet in acht had genomen; geen billijkheidscorrectie
- geen verwijzing naar schadestaatprocedure
2De feiten in conventie en in reconventie
2.1.
[eiseres] is op 3 februari 2023 tijdens het uitlaten van haar hond op de grasstrook aan de [locatie] ( [woonplaats 1] ) omver gelopen door een hond en gevallen (hierna: het ongeval), terwijl zij met twee andere hondeneigenaren aan het praten was, te weten met [gedaagde 1] en met [naam 1] . De honden liepen los (niet aangelijnd) op de grasstrook en waren met elkaar aan het spelen.
2.2.
[gedaagden] zijn eigenaar van de hond genaamd [naam hond 1] , een zwarte labrador.
[naam hond 2] , de hond van [eiseres] , is een kruising tussen een labradoodle en een labrador.
2.3.
Op 4 februari 2023 is in het ziekenhuis (OLVG) geconstateerd dat [eiseres] een complexe breuk aan haar linker scheenbeen heeft opgelopen (tibia plateau fractuur links) waarbij een deel van het plateau c.q. gewrichtsoppervlak was ingezakt. Op de eerste hulp is het linker been geïmmobiliseerd met een gipsspalk.
2.4.
Op 15 februari 2023 is [eiseres] in het OLVG geopereerd aan haar linkerbeen. Daarbij zijn de breukdelen middels ORIF (Open Reduction Intertal Fixation) met een plaat en schroeven aan elkaar vastgezet. De dag erna is [eiseres] uit het ziekenhuis ontslagen om thuis verder te herstellen, waarbij zij haar linker been in ieder geval de eerste zes weken in het geheel niet mocht belasten.
2.5.
Na de operatie is [eiseres] gestart met revalidatie onder begeleiding van een fysiotherapeut.
2.6.
Uit beeldmateriaal dat op 30 maart 2023 en 6 juni 2023 is gemaakt, blijkt dat de stand van het tibia plateau na de operatie in beginsel goed is hersteld. Wel is osteofytvorming aan de mediale en laterale zijde te zien en ook patellofemoraal. Dat wil zeggen dat er sprake is van botwoekering aan binnen- en buitenzijde van de knie en onder de knieschijf.
2.7.
De rechtsbijstandverzekeraar van [eiseres] (DAS Rechtsbijstand) heeft [gedaagden] op 15 maart 2023 per e-mail aansprakelijk gesteld op grond van artikel 6:179 van het Burgerlijk Wetboek (BW) voor de schade die zij als gevolg van het ongeval lijdt en zal lijden. Omdat een reactie uitbleef heeft DAS Rechtsbijstand op 29 maart 2023 nog een rappel aan [gedaagden] gestuurd en op 14 april 2023 nog een aangetekend verzonden brief.
2.8.
Op 8 mei 2023 heeft [gedaagde 1] per e-mail gereageerd en kenbaar gemaakt niet verantwoordelijk te zijn voor het ongeval. Daarbij heeft zij onder meer geschreven: “I am not responsible for the incident mentioned in the letter and therefore am not liable and will not be paying the associated costs”, en eveneens op 8 mei 2023 “My animal did not cause the damage, therefore I am not liable for your client’s damages. I have a witness who can confirm this to be true.”
2.9.
Een op 14 mei 2023 door [naam 1] ingevuld en door haar ondertekend formulier luidt voor zover hier relevant als antwoord op de vraag ‘Wat is volgens u de oorzaak van het voorval’: “Een labrador (zwart) [naam hond 1] rende tegen de onderbenen van [eiseres] (mijn overbuurvrouw) aan.”
2.10.
In het kader van een door [eiseres] geïnitieerd voorlopig getuigenverhoor zijn op
30 november 2023 in enquête de volgende getuigen onder ede gehoord: [eiseres] , [gedaagde 1] , [naam 1] (hierna: [naam 1] ), [naam 2] (hierna: [naam 2] ) en [naam 3] (hierna: [naam 3] ).
2.10.1.
[eiseres] heeft daarbij, onder meer verklaard: “De honden waren aan het spelen in het water en wij waren met elkaar aan het kletsen. We stonden een beetje uit elkaar. Het was iets voor half negen. Ineens zie ik [naam hond 1] recht op mij af komen. In een split second denk ik nog: moet ik aan de kant springen, maar daar was denk ik achteraf geen tijd voor geweest. [naam hond 1] loopt recht door mij heen alsof ik glas was. Zij liep keihard tegen mijn linkerbeen aan. Ik val voorover met [naam hond 1] onder mij als een soort worst. […] Ik had meteen heel veel pijn en voelde dat ik niet meer kon staan. […]
Mevrouw [naam 1] stond op ongeveer 1,5 meter afstand naast mij toen het gebeurde. Zij heeft het echt zien gebeuren. […] Heeft u daadwerkelijk gezien dat het [naam hond 1] was die aan kwam rennen? Ja. […]
Dit kan niet uw eigen hond geweest zijn? Nee. [naam hond 2] kwam achter [naam hond 1] aan en daarna nog andere honden. Dit heb ik niet gezien, maar gehoord van anderen. Zij waren met zijn allen aan het rennen. […]”
2.10.2.
[naam 1] heeft voor zover relevant als volgt verklaard:
“De hondjes waren aan het spelen. Ik zag dat de zwarte labrador rende en daarachter rende de hond van [eiseres] , [naam hond 2] . [eiseres] en ik stonden vlak bij elkaar met elkaar te praten. Ik zag dat de voorste hond, de zwarte labrador, recht op de onderbenen van [eiseres] afrende waardoor zij viel. […] Ik stond met mijn gezicht meer naar het water dan recht tegenover [eiseres] en kon vanaf de zijkant de honden zien aanrennen.[…] Ik kon zien dat de honden met een noodvaart naar ons toe renden. Ik kon allebei de honden zien. Ik kon [eiseres] haar gezicht zien, de hondjes zien en keek schuin richting het water. […]
Kon [eiseres] de honden ook zien? Ja. De honden kwamen recht op haar af. In een rechte lijn van haar vooraanzicht.
Waar herkende u de hond die op de onderbenen van [eiseres] afrende aan? Het was een zwarte labrador. Ik denk dat die labrador van die mevrouw is. […] Zij spreekt Engels. […]
Kunt u specificeren hoe de hond op de onderbenen van [eiseres] afliep? De hond ging recht op haar scheenbenen af alsof [eiseres] er niet stond. Hij week niet uit en wij schrokken allemaal heel erg dat de hond er niet omheen ging, maar recht op de benen af en doorrende. [eiseres] viel onmiddellijk om. […] [eiseres] lag daar meteen te kermen van de pijn. Ze moest huilen en had heel veel pijn en kon alleen maar ‘oh je’ zeggen en zei: dit is waarschijnlijk heel erg. Ik vroeg of zij op kon staan. Zij zei dat ze dacht van niet en dat het heel veel pijn deed. […]
Heeft u het goed kunnen zien? Ja, zeker. […]
Vindt u dat [naam hond 2] en [naam hond 1] op elkaar lijken? Oh ja, [naam hond 1] heet die hond. Nee. Die lijken niet op elkaar. [naam hond 1] is een grote grove hond met korter haar. [naam hond 2] is wat slanker met wat langere haren en wat bruin in het snoetje. Ik vind dat een hele andere hond.
Is het mogelijk dat u zich heeft vergist in welke hond kwam aanrennen? Nee. […]
Kunt u uitleggen hoe dat ging met de honden? Waren ze achter elkaar aan het rennen?
Dat doen die hondjes heel vaak. Het achter elkaar aanrennen is een Soort spel. Nu zag ik [naam hond 2] achter die labrador aanrennen. Die labrador was voorop en [naam hond 2] rende daarachteraan. Dat doen ze vaker.”
2.10.3.
[gedaagde 1] heeft onder meer het volgende verklaard:
“De honden gingen spelen en de hond van de derde vrouw was veel kleiner dan de hond van mij en mevrouw [eiseres] . De kleine hond begon om ons heen te rennen. De kleine hond wilde dat [naam hond 2] achter de kleine hond aan zou gaan. Dat deed [naam hond 2] . [naam hond 1] ging achter [naam hond 2] aan. We stonden in een soort driehoek. De derde vrouw stond iets verder naar achter, achter mevrouw [eiseres] , dus ik denk dat haar zicht een beetje werd geblokkeerd door mevrouw [eiseres] . De kleine hond rende achter de derde vrouw en mevrouw [eiseres] langs. Hij kon veel harder rennen. De hond van mevrouw [eiseres] zat daar achteraan. Mijn hond zat daar vlak achter. Ze raakten elkaar bijna aan. De hond van de derde vrouw was al ver weg en zij keek naar dat hondje. Omdat [naam hond 2] tussen ons door rende, rende hij tegen mevrouw [eiseres] aan, die daardoor viel op mijn hond. […] Mijn man was bij mij. Hij stond iets achter me. […] Mevrouw [eiseres] stond ongeveer op een meter afstand tegenover mij. We hadden allebei ons lichaam een beetje geopend naar dezelfde kant. Aan de linkerkant van [eiseres] en iets daarachter stond de derde vrouw. Zij keek niet richting [naam hond 1] en [naam hond 2] , maar naar haar hond. Die eigen hond rende achter [eiseres] en de derde vrouw langs. [naam hond 2] en [naam hond 1] kwamen van een afstandje in de richting van mij en mevrouw [eiseres] lopen. Ik zag ze aankomen en deed een stapje naar achter. Mevrouw [eiseres] bleef staan en stapte niet weg. [naam hond 1] en [naam hond 2] waren aan het rennen. [naam hond 2] rende tegen de benen van [eiseres] aan. Dat ging zo hard dat haar benen omhoog schoten. Dus eigenlijk rende [naam hond 2] onder haar door. Door was wellicht niet het juiste woord. De hond liep op mevrouw [eiseres] in. [naam hond 2] liep iets voor
[naam hond 1] en liep door mevrouw [eiseres] heen, waardoor mevrouw [eiseres] viel over [naam hond 1] heen. [naam hond 2] liep door. […]
Vind u dat [naam hond 2] op [naam hond 1] lijkt? Ja. Ik keek recht naar ze en aan de kop zie je dat ze anders zijn, maar alleen ik en mijn man keken echt naar ze. Ik kon het zien omdat ik mijn hond ken. […]
Hoe verklaart u dat u de enige was die de honden aan zag lopen? Onze lichamen stonden naar elkaar toe, maar onze gezichten niet. Ik keek naar de honden terwijl mevrouw [eiseres] tegen mij praatte. […]
In andere verklaringen die we hebben gehoord is verklaard dat de zwarte labrador tegen de benen van mevrouw [eiseres] is aangerend. U stelt dat [naam hond 2] voorop rende. Kunt u dit verschil verklaren? Dat is logisch. Dat was omdat niemand keek. Ze konden het niet duidelijk zien omdat de honden heel dicht bij elkaar waren en ze lijken ook heel erg op elkaar. Het is dus makkelijk ze door elkaar te halen. Het ging allemaal ook heel snel. Dat is mijn beste verklaring voor het verschil.
Andere getuigen hebben verklaard de honden te hebben zien aanlopen. Kan u het gemist hebben?
Nee. [eiseres] keek in ieder geval niet die kant op. Die was tegen mij aan het praten en keek een soort van over mijn schouder. Misschien de andere vrouw, maar die kent mijn hond niet goed genoeg om hem te herkennen, maar [eiseres] keek in ieder geval richting mijn lichaam.
De derde vrouw keek dus wel richting de honden? De laatste kant die ik haar op zag kijken was richting haar hond. Dat was precies de andere kant op, omdat het hondje zo snel was. Die was rechts van mij, terwijl de andere honden links waren.
2.10.4.
[naam 3] en [naam 2] hebben het ongeval niet zelf, met eigen ogen, zien gebeuren.
2.11.
In contra enquête is op 19 maart 2024 [gedaagde 2] onder ede als getuige gehoord. Hij heeft voor zover relevant het volgende verklaard:
“De honden begonnen te spelen, wij stonden stil om met elkaar te praten. Ik was iets verder doorgelopen en stond verderop naar de honden te kijken. […] De hond van mevrouw [eiseres] , [naam hond 2] , rende achter de hond van de vriendin aan. Mijn hond, [naam hond 1] , rende daar weer achteraan. De hond van de vriendin rende achter de dames langs. Om deze hond in te halen rende [naam hond 2] tussen [gedaagde 1] en mevrouw [eiseres] door. [naam hond 2] rende tegen het rechter been van mevrouw [eiseres] aan waardoor zij viel. Mevrouw [eiseres] viel op mijn hond. [naam hond 1] zat vast onder mevrouw [eiseres] . […] [naam hond 2] raakte mevrouw [eiseres] en daardoor viel ze. Terwijl ze viel, viel ze recht voorover met haar torso op [naam hond 1] . […] Vanuit mijn perspectief en [gedaagde 1] ’s perspectief, was [naam hond 2] vanaf de linkerkant tegen mevrouw [eiseres] aangerend. Van mevrouw [eiseres] ’ perspectief kwam [naam hond 2] van de rechterkant. Ik zag [naam hond 2] rennen tegen de zijkant van het rechterbeen en daarna rende ze door. […] Ik weet de naam niet van die vriendin van mevrouw [eiseres] die erbij was. Ik heb haar maar een paar keer gezien. Ik geloof niet dat zij het ongeval heeft zien gebeuren, volgens mij keek zij meer naar haar eigen hond. Zij stond aan de rechterkant van mevrouw [eiseres] vanuit het perspectief van mevrouw [eiseres] min of meer op dezelfde lijn, mogelijk een paar stappen naar achter. Nu u mij dit voorhoudt, vul ik aan, dat de kleine hond achter mevrouw [eiseres] en de vriendin langs liep en door bleef rennen.”
2.12.
Na verkregen verlof van de voorzieningenrechter heeft [eiseres] op 21 mei 2024 conservatoir beslag laten leggen op het appartementsrecht van [gedaagden] , rechtgevende op het exclusieve gebruik van de onroerende zaak gelegen aan de [adres] (hierna: de woning). Ook heeft [eiseres] conservatoir derdenbeslag laten leggen op bij ABN AMRO aangehouden bankrekeningen.
2.13.
Anderhalf jaar na het ongeval is [eiseres] (nog) niet volledig hersteld. Zij kampt nog met diverse beperkingen.
3Het geschil in conventie
3.1.
[eiseres] vordert in conventie bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. voor recht te verklaren dat [gedaagden] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [eiseres] heeft geleden en nog zal lijden ten gevolge van het ongeval op 3 februari 2023;
II. primair [gedaagden] te veroordelen tot vergoeding aan [eiseres] van de door haar als gevolg van het ongeval van 3 februari 2023 geleden en nog te lijden schade ten bedrage van € 125.382,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2023;
III. subsidiair, mocht de rechtbank van oordeel zijn dat nader (deskundigen) onderzoek noodzakelijk is om de schade van [eiseres] vast te stellen [gedaagden] te veroordelen tot vergoeding van een voorschot op de schadevergoeding van € 65.000,- en [gedaagden] te veroordelen tot schadevergoeding op te maken bij staat;
IV. [gedaagden] te veroordelen in de proceskosten, met inbegrip van de kosten van de procedure voorlopig getuigenverhoor en de conservatoire beslagprocedure, te voldoen binnen veertien dagen en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na datum vonnis.
3.2.
[eiseres] baseert haar vordering op het bepaalde in artikel 6:179 BW (risico aansprakelijkheid voor dieren) juncto de artikelen 6:162 BW en 6:180 BW. [eiseres] stelt hiertoe dat het de hond van [gedaagden] was ( [naam hond 1] ) die tegen haar is aangerend waardoor zij is gevallen en haar scheenbeen heeft gebroken. Deze toedracht kan ook worden afgeleid uit de getuigenverklaringen die zijn afgelegd tijdens het voorlopig getuigenverhoor, in samenhang met de schuldbewuste whatsapp berichten die [gedaagde 1] na het ongeval met [eiseres] heeft uitgewisseld. Als eigenaar van [naam hond 1] zijn [gedaagden] op grond van artikel 6:179 BW risicoaansprakelijk voor de gedragingen van [naam hond 1] die voortkomen uit de eigen energie van het dier. [eiseres] stelt dat zij ten gevolge van het ongeval zowel materiële als immateriële schade heeft geleden. De totale reeds geleden schade stelt [eiseres] op € 65.382,-. Daarnaast maakt [eiseres] aanspraak op vergoeding van € 60.000,- wegens in de toekomst nog te lijden schade.
3.3.
[gedaagden] voeren verweer. Zij bestrijden dat zij aansprakelijk zijn. Zij betwisten allereerst de gestelde toedracht. Het was volgens [gedaagden] niet [naam hond 1] maar de eigen hond van [eiseres] ( [naam hond 2] ) die haar omver heeft gelopen waardoor zij viel. Subsidiair beroepen [gedaagden] zich op substantiële eigen schuld van [eiseres] in de zin van artikel 6:101 BW. [eiseres] heeft de aanlijnplicht overtreden. Door haar hond onaangelijnd te laten spelen met andere los lopende honden en tussen die spelende honden te gaan staan, heeft [eiseres] zelf bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. [gedaagden] menen dat om die reden sprake is van 50% althans 40% of 30% eigen schuld van de zijde van [eiseres] . Daarnaast betwisten [gedaagden] dat het letsel, gelet op de aard en ernst daarvan, (uitsluitend) kan zijn veroorzaakt doordat een hond tegen het been van [eiseres] aanliep. Mogelijk is zij na het ongeval opnieuw gevallen of heeft zich, na het ongeval en voordat [eiseres] de volgende dag naar het ziekenhuis ging, nog een ander incident voorgedaan. Dat het gestelde letsel door de val van [eiseres] is ontstaan, is volgens [gedaagden] niet aannemelijk. [gedaagden] wijzen er daarbij op dat [eiseres] niet onmiddellijk maar pas de volgende dag medische hulp heeft gezocht. Bovendien betrof het een val van geringe hoogte en ook nog eens een val op gras en bovenop een hond die de val heeft gebroken/gedempt. Het gestelde letsel betreft een gecompliceerde breuk die zeldzaam is en doorgaans pas ontstaat bij een zeer harde en/of directe impact op het scheenbeen, zoals bijvoorbeeld bij een verkeersongeluk of sportongeval waarbij sprake is van een grote krachtsinwerking. Verder betwisten [gedaagden] ook de omvang van de door [eiseres] beweerdelijk geleden schade.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4Het geschil in reconventie
4.1.
[gedaagden] vorderen in reconventie, samengevat weergegeven, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de onmiddellijke opheffing van de gelegde conservatoire (deren)beslagen op de woning en de bij ABN AMRO aangehouden bankrekeningen met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten inclusief nakosten.
4.2.
[eiseres] voert gemotiveerd verweer.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
In conventie
Ten aanzien van de toedracht van het ongeval
5.1.
[eiseres] baseert haar vordering op de wettelijke risico aansprakelijkheid voor (bezitters van) dieren als bedoeld in artikel 6:179 BW in combinatie met artikel 6:180 BW. Artikel 6:179 bepaalt dat de bezitter van een dier aansprakelijk is voor de door het dier aangerichte schade, tenzij aansprakelijkheid op grond van de “vorige afdeling” zou hebben ontbroken indien hij de gedraging van het dier waardoor de schade werd toegebracht, in zijn macht zou hebben gehad. Tussen partijen staat niet ter discussie dat het “tenzij”-gedeelte zoals hiervoor genoemd hier niet aan de orde is. Artikel 6:180 eerste lid BW bepaalt verder dat in de gevallen van, onder meer, artikel 6:179 BW medebezitters hoofdelijk aansprakelijk zijn. Tussen partijen staat vast dat [gedaagden] samen de bezitters/eigenaars zijn van [naam hond 1] .
5.2.
Allereerst is van belang de vraag wiens hond op 3 februari 2023 tegen het linker been van [eiseres] is aangelopen, [naam hond 1] zoals [eiseres] stelt of [naam hond 2] zoals [gedaagden] aanvoert. Van de gestelde toedracht draagt [eiseres] , gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan, op grond van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de stelplicht en de bewijslast. Voor een geslaagd beroep op artikel 6:179 BW moet komen vast te staan dat [eiseres] door [naam hond 1] omver is gelopen. Daarbij komt het aan op de waardering van het in deze procedure door [eiseres] overgelegde bewijs. Dat bestaat volgens [eiseres] uit de getuigenverklaringen die zijn afgelegd tijdens het gehouden voorlopig getuigenverhoor, de daaraan voorafgaand al door getuigen afgelegde schriftelijke verklaringen via het invullen van een formulier en de tussen partijen na het ongeval gevoerde (whatsapp) correspondentie. Ander nog te leveren bewijs is er niet, zo heeft [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling verklaard.
5.3.
Verder wordt voorop gesteld dat de door [eiseres] zelf afgelegde getuigenverklaring slechts beperkte bewijskracht heeft als bedoeld in artikel 164 tweede lid Rv (oud) dat weliswaar per 1 januari 2025 is vervallen maar hier nog toepasselijk is omdat de dagvaarding vóór die datum is uitgebracht. Dat betekent dat de eigen verklaring van [eiseres] ten aanzien van door haar te bewijzen feiten geen bewijs in haar voordeel oplevert tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van ander (onvolledig) bewijs. Dat wil zeggen dat naast haar verklaring steunbewijs of aanvullend bewijs nodig is ten aanzien van de door haar te bewijzen toedracht van het ongeval.
5.4.
De rechtbank acht [eiseres] geslaagd in het bewijs dat het [naam hond 1] is geweest die haar omverliep. De rechtbank licht dat als volgt toe.
5.5.
[eiseres] en [naam 1] hebben allebei verklaard dat het [naam hond 1] was die tegen [eiseres] aan is gerend. Deze twee verklaringen ondersteunen elkaar op essentiële onderdelen. [eiseres] heeft uit eigen waarneming verklaard dat zij [naam hond 1] voorop zag rennen en recht op zich af heeft zien komen en dat het [naam hond 1] was (en niet [naam hond 2] ) die haar omver liep. Dat sluit aan bij wat [naam 1] heeft verklaard. Ook haar verklaring is direct, stellig, overtuigend en uit eigen waarneming. Ook zij heeft verklaard dat het [naam hond 1] was die [eiseres] omver liep en ook dat zij zich er niet in kan hebben vergist welke hond voorop liep en tegen het been van [eiseres] is aangerend.
De rechtbank hecht veel waarde aan de verklaring van [naam 1] , die de enige getuige is die het incident zelf heeft zien gebeuren en die geen partij is bij deze procedure. Dat zij [eiseres] wel kent als (onder)buurvrouw en van het gezamenlijk uitlaten van de honden doet, anders dan [gedaagden] stelt, niet automatisch af aan de waarde die aan haar verklaring kan worden toegekend. Feiten of omstandigheden waaruit kan worden opgemaakt dat [naam 1] onder ede opzettelijk niet naar waarheid heeft verklaard, hebben [gedaagden] niet naar voren gebracht. Ook komt [naam 1] ’ onder ede afgelegde verklaring overeen met de eerder al door haar afgelegde schriftelijke verklaring, zoals vastgelegd in het hiervoor onder 2.9 geciteerde formulier.
Anders dan [gedaagden] aanvoert geeft de opmerking van de rechter-commissaris zoals weergegeven in het proces-verbaal van getuigenverhoor inhoudende het verzoek ‘om duidelijk onderscheid te maken tussen wat zij later heeft gehoord en dat wat zij zelf heeft waargenomen‘ geen aanleiding te veronderstellen dat [naam 1] niet uit eigen waarneming heeft verklaard over de toedracht en dat haar verklaring daarom onbetrouwbaar is. Deze opmerking van de rechter commissaris werd niet gemaakt toen [naam 1] verklaarde over de toedracht van het ongeval maar ten aanzien van de vraag of er na het ongeval nog andere mensen of omstanders bij waren gekomen.
5.6.
Tegenover de getuigenverklaringen van [eiseres] en [naam 1] staan de getuigenverklaringen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Deze verklaringen acht de rechtbank echter minder overtuigend dan de verklaringen van [eiseres] en [naam 1] .
Zo stond [gedaagde 2] blijkens zijn eigen verklaring iets verder af van [eiseres] , [gedaagde 1] en [naam 1] . Hij verklaart al iets te zijn doorgelopen. Hierdoor stond hij verder af van het incident. Om die reden heeft [gedaagde 2] op onderdelen onjuist verklaard, zoals over het lopen van de hond tegen het rechter been van [eiseres] in plaats van tegen haar linker been. Vaststaat immers dat [eiseres] letsel aan haar linker been heeft opgelopen en niet aan haar rechter been. Het is dan ook de vraag of [gedaagde 2] het incident evengoed heeft kunnen zien als [eiseres] en [naam 1] .
Dat [naam 1] en/of [eiseres] , in tegenstelling tot [gedaagden] , niet zelf hebben kunnen zien en waarnemen welke hond als eerste op [eiseres] kwam aflopen, zoals [gedaagden] aanvoeren, is niet komen vast te staan en acht de rechtbank ook niet aannemelijk. Zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] verklaren dit niet met zekerheid te weten, maar spreken over ‘ik denk dat haar zicht werd geblokkeerd door mevrouw [eiseres] ’ en ‘ik geloof niet dat zij het heeft zien gebeuren’ en ‘[eiseres] keek niet die kant op. Misschien de andere vrouw, maar die kent mijn hond niet zo goed’ en ‘de laatste kant die ik haar op zag kijken was richting haar hond.’ Daartegenover staat dat zowel [naam 1] als [eiseres] overtuigend verklaren dat zij zelf het incident hebben zien gebeuren. Dat [naam 1] en/of [eiseres] op enig moment een andere kant opkeken, zoals in de richting van de hond van [naam 1] , sluit niet uit dat zij daarvoor of daarna wel in de richting van [naam hond 2] en [naam hond 1] hebben gekeken en de honden op dat cruciale moment op [eiseres] af hebben zien rennen.
Dat de honden verder erg op elkaar lijken en dat zowel [eiseres] als [naam 1] zich daarom mogelijkerwijs hebben vergist in de voorop rennende hond acht de rechtbank evenmin aannemelijk. In de eerste plaats is er, gelet op de in de procedure overgelegde foto’s, een duidelijk verschil te zien in het uiterlijk van [naam hond 2] en [naam hond 1] . [naam hond 1] is een kortharige labrador en [naam hond 2] een langharige hond met een andere lichaamsbouw en een andere vorm van de snuit. Daarnaast hebben zowel [eiseres] als [naam 1] duidelijk en stellig verklaard dat zij zich niet erin hebben kunnen vergissen welke hond tegen het been van [eiseres] is aangelopen.
5.7.
Voor de waardering van het bewijs hecht de rechtbank weinig waarde aan wat zich direct na het ongeval heeft afgespeeld of hoe partijen zich nog later via tussen hen gevoerde (whatsapp) correspondentie hebben geuit, nu daaruit geen uitdrukkelijke erkenning van aansprakelijkheid kan worden afgeleid. Het zich verontschuldigen of het zeggen/schrijven van “sorry” is hiertoe onvoldoende. Hetzelfde geldt voor de wijze van reageren door [gedaagden] op de vraag of zij in het bezit is van een aansprakelijkheidsverzekering.
De door [naam 3] en [naam 2] afgelegde (getuigen)verklaringen acht de rechtbank voor de waardering van het bewijs evenmin relevant omdat zij het ongeval zelf niet hebben zien gebeuren. Ook uit gedrag van [gedaagde 1] direct na het ongeval, dat volgens [eiseres] schuldbewust was, kan geen bewijs geput worden voor de toedracht daarvan. In aanmerking moet worden genomen dat iedereen die het incident heeft zien gebeuren (inclusief [gedaagde 1] ) hevig was geschrokken en de situatie enorm vervelend vond voor [eiseres] .
Slotsom ten aanzien van de toedracht van het ongeval
5.8.
Alles bij elkaar bezien acht de rechtbank de getuigenverklaring van [eiseres] , die wordt ondersteund door de verklaring van [naam 1] , het meest overtuigend. Hiertegenover leggen de minder overtuigende verklaringen van [gedaagden] onvoldoende gewicht in de schaal. De rechtbank acht [eiseres] daarom geslaagd in het door haar te leveren bewijs en gaat ervan uit dat het [naam hond 1] was die tegen haar op is gelopen op 3 februari 2023 en niet, zoals [gedaagden] hebben aangevoerd, haar eigen hond [naam hond 2] .
Risicoaansprakelijkheid voor dieren
5.9.
Dat leidt er toe dat [gedaagden] , als gezamenlijke bezitters en eigenaren van [naam hond 1] , op grond van de artikelen 6:179 en 6:180 BW jegens [eiseres] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de ten gevolge van het incident door [eiseres] geleden en nog te lijden schade. Onbetwist is verder dat het gedrag van [naam hond 1] ten tijde van het incident voortkwam uit haar eigen energie en niet (ook) werd veroorzaakt door andere, van buitenkomende factoren.
Het beroep op eigen schuld ex artikel 6:101 BW
5.10.
De vraag is vervolgens of [gedaagden] volledig schadeplichtig is jegens [eiseres] of dat hun schadevergoedingsplicht op grond van artikel 6:101 BW dient te worden verminderd wegens voor risico van [eiseres] komende omstandigheden die hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Het gaat daarbij niet alleen om eigen gedragingen van [eiseres] waaraan zij schuld heeft, maar ook om gedragingen en omstandigheden die tot de risicosfeer van [eiseres] behoren.
5.11.
Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van dergelijke aan [eiseres] toe te rekenen en voor risico van [eiseres] komende omstandigheden. Vaststaat immers dat zowel [eiseres] als [gedaagden] hun honden uitlieten op een groenstrook/grasveld waarbij zij beiden de aldaar geldende aanlijnplicht niet in acht namen. Beiden, dus ook [eiseres] , hebben hun hond van de lijn afgehaald en hebben het goed gevonden dat hun honden ongestoord en ongehinderd met elkaar gingen spelen. Daarbij zijn de honden al spelend achter elkaar aan gaan rennen waarbij [naam hond 1] voorop, maar achteraan gezeten door [naam hond 2] , in volle vaart, zonder uit te wijken, rennend tegen het linker been van [eiseres] is gebotst. Het gedrag van [naam hond 1] is dus niet los te zien van de gedraging van de eigen hond van [eiseres] , [naam hond 2] , omdat [naam hond 2] , spelend met [naam hond 1] , vlak achter [naam hond 1] aan rende. Het achterna rennen van [naam hond 1] door [naam hond 2] is dan ook mede oorzaak geweest voor het ontstaan van het ongeval en dient betrokken te worden bij de vaststelling van de omvang van de aansprakelijkheid van [gedaagden]
Een verdeling van de schade over [eiseres] en [gedaagden] in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen leidt tot het oordeel van de rechtbank dat [gedaagden] 60% van de ten gevolge van het incident geleden schade dient te vergoeden en dat dus 40% van de schade voor eigen rekening van [eiseres] dient te blijven. Daartoe wordt overwogen dat het aandeel van [naam hond 1] in het veroorzaken van het incident iets groter wordt geacht dan die van [naam hond 2] omdat [naam hond 1] , achterna gezeten door [naam hond 2] , niet is uitgeweken maar in volle vaart tegen [eiseres] is aangerend. Feiten of omstandigheden die maken dat op grond van de billijkheid tot een andere verdeling van de aansprakelijkheid moet worden gekomen, zijn niet gesteld of gebleken.
Het causaal verband tussen het incident en de door [eiseres] gestelde letsel (het oplopen van een tibia plateau fractuur links)
5.12.
De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van [gedaagden] dat geen causaal verband zou bestaan tussen het incident en het door [eiseres] gestelde letsel. Dat [eiseres] pas een dag na het incident naar de huisarts en de spoedeisende hulp is gegaan, staat niet aan het aannemen van dat causaal verband in de weg. [eiseres] heeft een en ander eerst aangekeken en heeft een dag later medische hulp gezocht. Hieruit kan in ieder geval niet worden afgeleid dat haar scheenbeen niet is gebroken als gevolg van het incident met [naam hond 1] , maar door een of ander niet nader door [gedaagden] geduid ander incident dat ná het incident plaatsgevonden zou kunnen hebben. Als niet betwist en uit de getuigenverklaringen volgt dat [eiseres] meteen na het incident erg veel pijn had, niet zelfstandig kon lopen en haar linker been meteen al niet meer kon belasten. Er bestaat geen enkele aanwijzing dat [eiseres] , na het incident en voordat zij medische hulp zocht, nog een ander ongeval is overkomen. Dat een dergelijke breuk niet kan zijn ontstaan door de impact van de in volle vaart rennende [naam hond 1] is niet komen vast te staan.
5.13.
De rechtbank gaat er derhalve van uit dat [eiseres] tegen gevolge van het incident met [naam hond 1] een tibia plateau fractuur links heeft opgelopen.
De (omvang van de) gevorderde schadevergoeding
5.14.
[eiseres] maakt aanspraak op vergoeding van door haar geleden materiële- en immateriële schade alsmede van in de toekomst nog te lijden schade.
5.15.
De rechtbank acht het met partijen wenselijk dat de te vergoeden schade in deze procedure zal worden vastgesteld en dat de zaak niet naar een schadestaat procedure wordt verwezen, zoals subsidiair wordt gevorderd, met als bijgevolg dat partijen nog vele male langer, mogelijk zelfs jarenlang, met elkaar in een procedure verwikkeld zullen zijn.
De al geleden schade
5.16.
[eiseres] maakt aanspraak op vergoeding van een totaalbedrag van € 65.382,- aan al geleden schade, waaronder een bedrag van € 38.565,- aan verlies aan verdienvermogen en € 15.000,- aan immateriële schade. Bij conclusie van antwoord hebben [gedaagden] in algemene zin (summier) verweer gevoerd tegen de opgevoerde schadeposten. Dat verweer is pas tijdens de mondelinge behandeling door [gedaagden] nader geconcretiseerd, zie met name punt 10-18 van de spreekaantekeningen van de advocaat van [gedaagden] Omdat [eiseres] bij de mondelinge behandeling onvoldoende in de gelegenheid was om op deze verweren in te gaan, zal [eiseres] hiertoe alsnog gelegenheid krijgen. In een nader te nemen akte zal [eiseres] daarom de door haar gevorderde schade nader kunnen toelichten en daarbij alsnog kunnen ingaan op de hiertegen door [gedaagden] gevoerde verweren.
Huisartsenjournaal
5.17.
In de te nemen akte zal [eiseres] ook gelegenheid krijgen om nog te overleggen het huisartsenjournaal over een periode van twee jaar voorafgaand aan het incident, een en ander conform haar toezegging hiertoe als gedaan tijdens de mondelinge behandeling (zie punt 3.3 van de spreekaantekeningen).
Toekomstige schade
5.18.
[eiseres] maakt verder aanspraak op vergoeding van € 60.000,- aan nog te lijden schade. Zij stelt hiertoe dat het volgens de artsen niet de vraag is of zij in de toekomst, in verband met traumatische artrose, een knieprothese nodig zal hebben maar eerder wanneer. [eiseres] verwijst in dit verband naar een als productie 11 overgelegd rapport van verzekeringsarts [naam 4] van 3 mei 2024 waarin deze onder meer schrijft dat vanwege de verhoogde kans op het later optreden van posttraumatische artrose van de knie bij tibia plateau fracturen er de kans bestaat dat na een aantal jaren het plaatsen van een knieprothese noodzakelijk zal zijn en deze noodzaak vaak, maar mogelijk eerder of later, optreedt na zo’n 5 à 10 jaar. Dat acht de rechtbank echter nog onvoldoende concreet om tot een veroordeling van een bedrag van € 60.000,- aan toekomstig nog te lijden schade, waaronder verlies aan verdienvermogen, te kunnen komen.
5.19.
De rechtbank verlangt van [eiseres] , ter onderbouwing van de door haar gevorderde toekomstige schade, een nadere concretisering en onderbouwing dat een dergelijke knieprothese door het incident noodzakelijk/medisch geïndiceerd zal zijn, althans hoe groot die kans daarop is, op welke termijn een dergelijke medisch ingreep redelijkerwijs te verwachten valt en wat hiervan de financiële gevolgen voor [eiseres] zullen zijn, mede met het oog op eventueel te verwachten (tijdelijk) verlies aan verdienvermogen.
Nu een gekapitaliseerd bedrag ineens aan toekomstige schade vooruit wordt gevorderd, dient [eiseres] haar vordering bovendien nader te onderbouwen aan de hand van een gebruikelijke berekening met rekenrente. [eiseres] zal deze nadere concretisering (met over te leggen stukken/berekeningen) in het geding kunnen brengen bij de nog door haar te nemen akte.
Immateriële schade
5.20.
Ten aanzien van het eveneens gevorderde bedrag van € 15.000,- aan immateriële schade overweegt de rechtbank het volgende.
Op zichzelf genomen lijkt een dergelijk bedrag aan immateriële schadevergoeding, waarvan [gedaagden] uiteindelijk 60% dient te vergoeden, redelijk en in lijn met de jurisprudentie en ook met de zogenaamde Rotterdamse Schaal. Voor de begroting van de omvang van de immateriële schadevergoeding is echter medebepalend of nader medisch ingrijpen, in de zin van een knieprothese, in de toekomst nog noodzakelijk zal zijn en, zo ja, op welke termijn deze ingreep verwacht wordt, wat op dit moment nog niet vast staat. Ook het oordeel over de te vergoeden immateriële schade zal daarom worden aangehouden.
Vervolg van de procedure in conventie
5.21.
Gelet op het hiervoor overwogene zal de zaak naar de rol worden verwezen voor een door [eiseres] te nemen akte voor het in de rechtsoverwegingen 5.16, 5.17 en 5.19 weergegeven doel. Vervolgens zal [gedaagden] bij antwoordakte mogen reageren.
5.22.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
In reconventie
Ten aanzien van het gelegde beslag
5.23.
Bij deze stand van zaken, waarbij [gedaagden] voor 60% aansprakelijk zijn voor de ten gevolge van het incident geleden schade, is de gevorderde opheffing van het beslag (nog) niet toewijsbaar. Niet is summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door [eiseres] ingeroepen recht gebleken of van een onnodig gelegd beslag en evenmin van een situatie waarin voor een geldvordering voldoende alternatieve zekerheid is gesteld.
Dat neemt echter niet weg dat de rechtbank vaststelt dat [gedaagden] voor maximaal 60% van de gevorderde schade aansprakelijk is en dat daarmee de vordering tot maximaal € 75.229,20 in hoofdsom toewijsbaar kan zijn. Het beslag is echter voor een hogere vordering gelegd. Mede gelet op ieders belangen bij instandhouding dan wel opheffing van het beslag, is het in het belang van alle partijen om zo snel mogelijk tot een oplossing te komen en de verkoop van de woning niet onnodig langer te blokkeren, met alle financiële gevolgen voor [gedaagden] van dien nu de lasten van de woning blijven doorlopen terwijl de woning al geruime tijd niet meer door [gedaagden] wordt bewoond maar leeg staat. [eiseres] heeft bij de mondelinge behandeling ook niet duidelijk weten te maken waarom zij niet meewerkt aan verkoop van de woning waarbij (een deel van) de overwaarde/verkoopprijs onder de notaris blijft als zekerheid voor [eiseres] om zich op te kunnen verhalen na een definitieve uitspraak van de rechtbank over de omvang van de door [gedaagden] aan haar te betalen schadevergoeding.
5.24. Iedere verdere beslissing in reconventie wordt aangehouden. Rechtbank Amsterdam 26 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:9169
