Overslaan en naar de inhoud gaan

RBNHO 221020 geen aansprakelijkheid voor val op grillig pad met gat in berm en niet functionerende verlichting; berm maakt geen deel uit van wandelpad

RBNHO 221020 geen aansprakelijkheid voor val op grillig pad met gat in berm en niet functionerende verlichting; berm maakt geen deel uit van wandelpad
- kosten verzocht obv 20 uur, begroot op 18,5 x 257,50 + 21% = € 5.764,14 (- 1,5 uur reistijd vanwege skypezitting)

2
De feiten

2.1.
Op 3 december 2018 omstreeks 21:15 uur is [verzoekster] al lopend over het wandelpad bij IJsbaan De Meent te Alkmaar in de, ten opzichte van het pad lager gelegen, berm ten val gekomen. Het was op dat moment donker buiten en (een deel van) de straatverlichting ter plaatse brandde niet.

2.2.
Door de val heeft [verzoekster] veel pijn ervaren en kon zij niet zelfstandig opstaan. Zij is per ambulance naar het ziekenhuis vervoerd, waar een heupfractuur is geconstateerd. [verzoekster] is geopereerd, waarbij pinnen in haar heup zijn geplaatst.

2.3.
Bij brief van 24 december 2018 heeft een medewerker van Univé rechtshulp de gemeente als eigenaar/wegbeheerder namens [verzoekster] aansprakelijk gesteld voor de schade die [verzoekster] als gevolg van de val heeft geleden en nog zal lijden.

2.4.
De gemeente heeft aansprakelijkheid afgewezen.

2.5.
Bij brief van 22 oktober 2019 heeft mr. Overwater de gemeente nogmaals aansprakelijk gesteld op grond van artikel 6:174 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

2.6.
De gemeente heeft de aansprakelijkstelling gemeld bij Melior, haar aansprakelijkheidsverzekeraar.

2.7.
Ook Melior heeft aansprakelijkheid namens de gemeente afgewezen.

3
Het geschil

3.1.
[verzoekster] verzoekt de rechtbank om bij beschikking uitsluitsel te geven over de in het verzoekschrift omschreven kwestie en zodanig te beslissen dat de gemeente aansprakelijk is voor de schade van [verzoekster] . Daarnaast verzoekt [verzoekster] de rechtbank de op de voet van artikel 6:96 BW voor vergoeding in aanmerking komende kosten te begroten op een bedrag van € 6.231,50.

3.2.
Aan dit verzoek heeft [verzoekster] het volgende ten grondslag gelegd.

Dit geschil leent zich voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Het verschil van mening over de aansprakelijkheid staat een verdere schadeafwikkeling en dus het sluiten van een vaststellingsovereenkomst in de weg. De beslissing kan een bijdrage leveren aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Er is voldoende informatie beschikbaar op basis waarvan tot een gedegen beslissing kan worden gekomen.

Het wandelpad bij IJsbaan De Meent is gebrekkig. De rand van het pad heeft ten opzichte van de berm een grillig verloop, waarbij zich ten tijde van de val in de bocht een inkeping, in de vorm van een kuil, bevond met een hoogteverschil van meer dan 5,5 centimeter. Dit terwijl het verschil tussen het pad en de berm niet goed zichtbaar was door de vorm en de verschillende kleuren van de tegels van het pad en het niet branden van de straatverlichting. Dit hoogteverschil is gelegen in de te verwachten looproute van wandelaars en levert gevaar van struikelen en vallen op, ook wanneer bij de beoordeling de te verwachten voorzichtigheid van de weggebruiker in acht wordt genomen. Dit gevaar heeft zich verwezenlijkt, nu [verzoekster] door het hoogteverschil is gevallen en lichamelijk letsel heeft opgelopen. De gemeente is als wegbeheerder aansprakelijk voor de schade van [verzoekster] . Dit geldt temeer nu het wandelpad toegankelijk is voor het publiek. Daarnaast was het opheffen van het gevaar redelijkerwijs te vergen, daar het dichten van de verlaging een goedkope en gemakkelijke oplossing is.

Ter zitting heeft [verzoekster] desgevraagd verklaard dat zij nog een keer aan haar heup is geopereerd. Zij is aan het revalideren. [verzoekster] ondervindt nog dagelijks hinder van de val. Zij kan niet op een goede manier lopen en is zeker niet volledig hersteld. Mogelijk is er nog een operatie nodig.

3.3.
De gemeente stelt zich op het standpunt dat [verzoekster] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoeken dan wel dat de verzoeken van [verzoekster] moeten worden afgewezen.

Primair is de gemeente van mening dat de toedracht van de val niet vaststaat, waardoor dit geschil zich niet leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure.

Subsidiair meent de gemeente dat zij niet aansprakelijk is op grond van artikel 6:174 BW omdat geen sprake is van een (gebrekkige) opstal. Indien de rechtbank tot een ander oordeel komt, dient de vergoedingsplicht geheel te vervallen vanwege de eigen schuld van [verzoekster] . Volgens de gemeente komen de kosten verbonden aan dit deelgeschil niet voor vergoeding in aanmerking dan wel dienen deze in een begroting fors te worden gematigd.

4
De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1.
Artikel 1019w Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering biedt de persoon die een ander aansprakelijk houdt voor zijn letselschade de mogelijkheid, ook voordat de zaak ten principale aanhangig is, de rechter te verzoeken te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de aard en het vermoedelijke beloop van de vordering.

4.2.
De gemeente heeft verweer gevoerd ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek in een deelgeschil, omdat de toedracht van het ongeval niet vaststaat.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Het deelgeschil is bedoeld om vastgelopen onderhandelingen weer vlot te trekken door een beslissing te nemen over een onderdeel van het geschil, waarna partijen weer verder kunnen in de onderhandelingen. Het vaststellen van betwiste aansprakelijkheid leent zich in het algemeen niet voor een beslissing in een deelgeschil. De onderhandelingen zijn immers nog niet eens begonnen. Het vaststellen van aansprakelijkheid kan in het algemeen ook vaak pas plaatsvinden na bewijslevering.

4.3.
Het verweer van de gemeente dat de toedracht van het valincident niet voldoende vaststaat, wordt verworpen. Uit de gedingstukken, met name uit de verklaring van 4 januari 2019 van [R] , de dochter van [verzoekster] , die getuige was van de val, en het verhandelde ter zitting, blijkt genoegzaam dat [verzoekster] komende van IJsbaan De Meent lopende in de richting van het parkeerterrein aan de overkant van de openbare weg - en niet andersom - aan de rechterzijde van het pad, op een bepaald moment met haar been naast het tegelpad is gestapt.

De rechtbank acht daarnaast voldoende aannemelijk dat de lichtinstallatie, meer in het bijzonder de lichtmasten 151 en 152 zoals deze zijn aangegeven op de ter zitting door de gemeente overgelegde plattegrond, waarop de heer [medewerker gemeente] een toelichting heeft gegeven, op de plek waar [verzoekster] is gevallen, niet functioneerde. De verlichting die zich iets verderop aan de overkant van de provinciale weg bevond, deed het wel.

Gelet op het voorgaande zijn de toedracht en de omstandigheden waaronder het valincident heeft plaatsgevonden voldoende duidelijk (geworden). Dit betekent dat de aansprakelijkheidsvraag aan de hand van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting kan worden beantwoord. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze zaak zich ondanks wat onder 4.2 is overwogen, toch leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure.

Aansprakelijkheid

4.4.
[verzoekster] is op 3 december 2018 ongelukkig ten val gekomen, waarbij zij haar heup heeft gebroken. De vraag is of dat inderdaad een ongeluk was, waarvoor zij ook zelf aansprakelijk is. Hoewel het in de huidige tijd af en toe wel zo lijkt, is het niet zo dat het feit dat er schade wordt geleden, automatisch inhoudt dat iemand anders daarvoor aansprakelijk is. Uitgangspunt in het Nederlandse recht is immers dat ieder zijn eigen schade draagt. De rechtbank moet in dit geschil de vraag beantwoorden of niet [verzoekster] zelf, maar als uitzondering op het hiervoor vermelde uitgangspunt, de gemeente voor de schade van [verzoekster] aansprakelijk is. Met andere woorden, gaat het hier om een misstap die iedereen kan maken, of is het aan de gemeente te verwijten wat [verzoekster] is overkomen

Artikel 6:174 BW

4.5.
[verzoekster] heeft haar verzoek onderbouwd met een beroep op artikel 6:174 BW. Op grond van het eerste lid van dit artikel is de bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert aansprakelijk, wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt. Op grond van het tweede lid van dit artikel rust de aansprakelijkheid bij openbare wegen op het overheidslichaam dat moet zorgen dat de weg in goede staat verkeert. Lid 6 van dit artikel bepaalt dat onder openbare weg mede moet worden begrepen het weglichaam en de weguitrusting.

4.6.
Voor de toepassing van artikel 6:174 BW dient onder openbare weg mede de daarbij behorende berm te worden begrepen indien wegdek en berm feitelijk zodanig op elkaar zijn afgestemd dat zij als één geheel dienen te worden beschouwd voor zover het gaat om de vraag of de weg niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen (ECLI:NL:HR:2014:831). Daarbij valt met name te denken aan de situatie dat de berm een veilige uitwijkmogelijkheid voor verkeersdeelnemers dient te bieden.

4.7.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verzoekster] tegenover de gemotiveerde betwisting hiervan door de gemeente, niet voldoende gesteld om aan te nemen dat het pad en de daarnaast gelegen berm zodanig op elkaar zijn afgestemd dat zij als één geheel dienen te worden beschouwd. Het gaat in dit geval om een relatief breed voetpad met een berm van gras en aarde ernaast. De berm was niet aangelegd of bestemd als uitwijkmogelijkheid voor voetgangers. Dit betekent dat in dit geval de berm niet tot de weg behoort. Daarom hoeft niet te worden onderzocht of het pad voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en wordt het beroep op artikel 6:174 BW verworpen.

Algemene zorgplicht

4.8.
Ondanks het voorgaande zou het ook nog kunnen zijn dat de gemeente als wegbeheerder uit hoofde van de algemene zorgplicht ten aanzien van de veiligheid van weggebruikers aansprakelijk is, als de gemeente kan worden verweten dat zij in de nakoming van die zorgplicht is tekortgeschoten.

4.9.
In dat kader staat ter beoordeling of er sprake was van een gevaarzettende situatie waarvoor de gemeente onvoldoende voorzorgsmaatregelen heeft getroffen.
Of sprake is van gevaarzetting moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval en de gezichtspunten die zijn gegeven in het Kelderluikarrest, de zogenoemde “Kelderluikcriteria”. Het gaat dan samengevat om de waarschijnlijkheid van onoplettendheid of onvoorzichtigheid van de ander, de kans dat daardoor een ongeval ontstaat, de ernst van de mogelijke gevolgen van zo’n ongeval en de bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen (vergelijk Hoge Raad 5 november 1965, NJ 1966, 136).
In gevallen als het onderhavige, waarin sprake kan zijn van een voor verkeersdeelnemers onveilige verkeerssituatie, geldt deze (tot de wegbeheerder gerichte) regel evenzeer, waaruit voortvloeit dat de wegbeheerder, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, ter voorkoming van gevaar voor personen of zaken, maatregelen behoort te treffen, zoals het plaatsen van waarschuwingsborden, waarbij mede in aanmerking moet worden genomen dat niet alle verkeersdeelnemers steeds de nodige voorzichtigheid en oplettendheid zullen betrachten (vergelijk Hoge Raad 20 maart 1992, NJ 1993, 547).

4.10.
Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake (geweest) van een gevaarzettende situatie. Het pad - een wandelpad - verkeerde in goede staat van onderhoud. Het pad is opgebouwd uit inspringende tegels in verschillende lichte kleurtinten, die ijsschotsen moeten uitbeelden. De rand van het pad verloopt door deze ijsschotsvormen grillig en loopt niet in een rechte lijn. De naastgelegen, lager liggende, berm, die uit aarde bestaat is (veel) donkerder van kleur. Het pad maakt ter plaatse waar [verzoekster] in de berm is geraakt een flauwe bocht. Het pad heeft een zodanige breedte dat men daar niet snel buiten hoeft te geraken.

Ijsbaan


Dat ten tijde van het ongeval de lichtmasten ter plaatse van het ongeval niet werkten, brengt hierin geen verandering. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat de lantaarnpalen die zich iets verderop bevonden, wel functioneerden. Geheel donker kan het dus niet zijn geweest.

Dat zich op weg van IJsbaan De Meent naar het parkeerterrein een valincident met zwaar letsel ten gevolg zou voordoen, op de wijze zoals bij [verzoekster] is gebeurd, was niet voorzienbaar. Van de gemeente behoefde niet te worden verwacht dat zij daarmee rekening zou houden. Temeer niet nu bij de gemeente niet eerder melding is gemaakt van valpartijen of andere incidenten op het bewuste tegelpad. De kans dat zich op het pad een valincident zou voordoen zoals bij [verzoekster] is gebeurd, moet als klein en theoretisch worden ingeschat. Het kan de gemeente dan ook niet worden aangerekend dat zij geen maatregelen heeft getroffen, bijvoorbeeld door het plaatsen van een extra tegel.

4.11.
De gemeente heeft in het valincident overigens ook geen aanleiding gezien om het gat/de kuil/de verdieping naderhand op te vullen, bijvoorbeeld door daarin een (extra) tegel te leggen. Verder acht de rechtbank van belang dat [verzoekster] ten tijde van het ongeval op de hoogte was van het verloop van het pad. [verzoekster] heeft desgevraagd verklaard dat zij in de periode voorafgaand aan het ongeval regelmatig over het pad van de parkeerplaats naar de IJsbaan liep en weer terug. Gelet hierop mocht [verzoekster] bekend worden verondersteld met deze situatie. Al lopende op het pad had [verzoekster] hier dan ook op bedacht kunnen (en moeten) zijn. Zeker bij het in de avond in het donker wandelen mag van een voetganger in algemene zin de nodige oplettendheid en voorzichtigheid worden verlangd. [verzoekster] is ongelukkigerwijs met haar been in de berm in een kuil gestapt. Nu de gemeente hier naar het oordeel van de rechtbank geen rekening mee had hoeven houden, is sprake van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, waarvoor de gemeente niet aansprakelijk kan worden gehouden.

4.12.
Uit het voorgaande volgt dat de gemeente niet tekort is geschoten in de op haar als wegbeheerder rustende algemene zorgplicht.

4.13.
Gelet op al het vorenstaande is het oordeel dat de gemeente niet aansprakelijk is voor de schade die [verzoekster] heeft geleden als gevolg van het ongeval dat plaatsvond op 3 december 2018. Het primair door [verzoekster] verzochte zal dan ook worden afgewezen. Dit betekent dat in het midden kan blijven of sprake is geweest van eigen schuld van [verzoekster] , zoals de gemeente subsidiair betoogt.

Kosten deelgeschil

4.14.
[verzoekster] maakt aanspraak op de kosten van dit geding. Uitgangspunt is dat de kosten voor rekening van de aansprakelijke partij komen. Aangezien de gemeente niet aansprakelijk is, biedt artikel 6:96 lid 2 BW geen grondslag voor veroordeling van de gemeente tot betaling van de door [verzoekster] gemaakte buitengerechtelijke kosten.

4.15.
[verzoekster] heeft verzocht de kosten te begroten op € 6.231,50 inclusief btw, gebaseerd op 20 uren à € 257,50 per uur exclusief btw. De gemeente heeft bezwaar gemaakt tegen de 4 uren die zijn begroot in verband met de mondelinge behandeling inclusief reistijd, aangezien een digitale zitting is gehouden. Daarnaast acht de gemeente het berekende uurtarief bovenmatig.

4.16.
De gemeente heeft terecht aangevoerd dat mr. Overwater in verband met de zitting geen reistijd heeft gemaakt. Daarom zal de rechtbank 1,5 uur in mindering brengen op de door mr. Overwater opgegeven uren, zodat 18,5 uren resteren. Het uurtarief acht de rechtbank redelijk. Dit betekent dat de kosten zullen worden begroot op € 5.764,14 (inclusief btw). ECLI:NL:RBNHO:2020:8335