Overslaan en naar de inhoud gaan

Hof A.dam 080211 meerdere malen met biljartkeu slaan; vordering is verjaard 5 jaar na zittingsdatum in strafzaak

Hof A.dam 080211 meerdere malen met biljartkeu slaan; vordering is verjaard 5 jaar na zittingsdatum in strafzaak
4.1 Het gaat in dit geding, samengevat weergegeven, om het volgende. In de nacht van 17 oktober 2002 heeft [geïntimeerde] meerdere malen [appellant] met een biljartkeu (op het hoofd) geslagen. Hij heeft hiervan aangifte gedaan. Als gevolg van deze slagen is [appellant] blind geworden aan zijn linkeroog. De meervoudige strafkamer van de rechtbank heeft bij onherroepelijk geworden strafvonnis van 9 april 2003 (op tegenspraak) [geïntimeerde] wegens poging tot doodslag veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk. De rechtbank heeft tevens de civiele vordering van [appellant] (als benadeelde partij) gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 15.215,- en voor het overige [appellant] niet ontvankelijk verklaard.

4.2 Met de inleidende dagvaarding van 3 april 2008 heeft [appellant] [geïntimeerde] gedagvaard voor de rechtbank Utrecht. Na verzuim tijdige inschrijving op de rolzitting van 16 april 2008, heeft de toenmalige advocaat van [appellant] een geldig herstelexploit uitgebracht op 28 april 2008 met oproeping van [geïntimeerde] op de rolzitting van 14 mei 2008.
[appellant] heeft gevorderd dat [geïntimeerde] veroordeeld zal worden tot betaling van alle materiële en immateriële schade die hij geleden heeft als gevolg van de mishandeling en poging tot doodslag. [geïntimeerde] heeft zich ter afwering van die vordering primair beroepen op verjaring.
De rechtbank heeft het verweer van [geïntimeerde] gehonoreerd en de vordering van [appellant] op die grond afgewezen.

4.3 Met één grief komt [appellant] tegen het oordeel van de rechtbank (in rov. 4.8) op.
[geïntimeerde] heeft de mishandeling, die plaatsvond op 17 oktober 2002, niet betwist. De schadevordering van [appellant] is gebaseerd op onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] op 17 oktober 2002. Op grond van art. 3:310 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. (Terzijde merkt het hof op dat op grond van art. 119b Ow NBW lid 5 van art. 3:310 BW slechts geldt voor schadeveroorzakende gebeurtenissen vanaf 1 februari 2004. Deze bepaling heeft geen terugwerkende kracht.) De verjaring wordt onder meer gestuit door een daad van rechtsvervolging (art. 3:316 lid 1 BW) of door een schriftelijke aanmaning of mededeling waarin de schuldeiser zich zijn recht op nakoming van een verbintenis (zoals uit onrechtmatige daad) ondubbelzinnig voorbehoudt (art. 3:317 lid 1 BW). Na (rechtsgeldige) stuiting begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen (art. 3:319 lid 1 BW).

4.4 Naar het oordeel van het hof kan de instelling van een vordering door een benadeelde partij (ex art. 51a Sv) als een daad van rechtsvervolging in de zin van art. 3:316 lid 1 BW beschouwd worden. Ten pleidooie heeft de advocaat van [geïntimeerde] een kopie van het voegingsformulier van [appellant] overgelegd. Uit dit voegingsformulier blijkt dat [appellant] zijn toenmalige advocaat mr. [naam] op 31 december 2002 heeft gemachtigd om hem te vertegenwoordigen in de voegingsprocedure. Uit het voegingsformulier blijkt niet op welke datum de vordering benadeelde partij bij de officier van justitie is ingediend. Vast staat dat de uitspraak van de meervoudige strafkamer is gewezen op 9 april 2003. Op grond van art. 345 lid 3 Sv mag de uitspraak in geen geval later plaatsvinden dan op de veertiende dag na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting. [appellant] is niet op de terechtzitting verschenen en hij noch zijn advocaat kon aangeven op welke dag de terechtzitting plaatsvond. De advocaat van [appellant] heeft ten pleidooie aangevoerd dat het mogelijk is dat de uitspraak van 9 april 2003 op kortere termijn (dan veertien dagen) is gewezen, doch hij heeft deze (theoretische) mogelijkheid niet onderbouwd met feiten of omstandigheden die zulks aannemelijk maken. Door de advocaat van [appellant] is overigens ook erkend dat de uitspraaktermijn van veertien dagen in strafzaken (voor de meervoudige strafkamer) zeer gebruikelijk is. Het hof houdt het er daarom op dat de strafzitting op woensdag 26 maart 2003 heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat uiterlijk op die dag het voegingsformulier moet zijn ingediend (art. 51b Sv). Het hof gaat er ook van uit dat uiterlijk op die dag [appellant], althans zijn gemachtigde mr. [naam], met de schade en met de aansprakelijke persoon bekend was. Dat mogelijk toen nog niet de exacte omvang van die schade bekend was, doet aan het voorgaande niet af.

4.5 Uitgaande van de zittingsdatum 26 maart 2003, is de verjaringstermijn van vijf jaren aangevangen op 27 maart 2003. De verjaringstermijn eindigt dan op 27 maart 2008, tenzij voor die datum een stuitingshandeling op de voet van art. 3:316 lid 1 BW dan wel 3:317 lid 1 BW heeft plaatsgevonden. Terzijde merkt het hof op dat vast staat dat de verjaring niet is gestuit op de voet van art. 3:316 lid 2 BW nu niet gesteld of gebleken is dat binnen een termijn van zes maanden na het in kracht van gewijsde gegane strafvonnis van 9 april 2003, een nieuwe vordering is ingesteld. Voorts staat vast dat [appellant] voor 27 maart 2008 geen schriftelijke aanmaning of mededeling in de zin van art. 3:317 lid 1 BW heeft verzonden.
Blijft over de vraag of [appellant] de verjaring heeft gestuit op de voet van art. 3:316 lid 1 BW. In het midden kan blijven of de rechtsvervolging met de inleidende dagvaarding van 3 april of 28 april 2008 is aangevangen, nu beide data ná de (fatale) datum van 27 maart 2008 liggen, waarop uiterlijk de rechtsvervolging had moeten worden aangevangen. Dat betekent dat de vordering van [appellant] is verjaard.

4.7 [appellant] heeft in de memorie van grieven geen bezwaren geuit tegen de overweging van de rechtbank (in rov. 4.9) om de strikte toepassing van de verjaringsregeling (in casu) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is te achten. Ten pleidooie heeft de advocaat van [appellant] tegen deze overweging bezwaren geuit. Dit is naar het oordeel van het hof tardief en in strijd met de twee-conclusieregel in art. 347 lid 1 Rv. Ten pleidooie heeft de advocaat van [geïntimeerde] niet ondubbelzinnig toegestemd dat deze grief alsnog in de rechtsstrijd wordt betrokken. Naar het oordeel van het hof leidt onverkorte toepassing van deze “in beginsel strakke regel” niet tot strijdigheid met een goede procesorde. Daarom zal het hof niet ingaan op deze nieuwe bezwaren tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.9.


5. Slotsom

De grief faalt, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.
Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld. LJN BP6140