Zoeken

Inloggen

Artikelen

OGHACMB 210818 gebruik alcohol leidt tot toepassing omkeringsregel, tegenbewijs slaagt niet; wel 50% aansprakelijkheid wederpartij

OGHACMB 210818 gebruik alcohol leidt tot toepassing omkeringsregel, tegenbewijs slaagt niet; wel 50% aansprakelijkheid wederpartij; 
- affectieschade dient in schadestaatprocedure te worden vastgesteld

De beoordeling in beide zaken

4.1
In het tussenvonnis is onder meer overwogen dat [appellant] op het moment van het ongeval stevig onder invloed van alcohol verkeerde, dat kort na dat ongeval in de adem van [appellant] 900 microgram (g) alcohol per liter uitgeademde lucht is gemeten waar 220 g het wettelijk toegestane maximum is, dat daarmee sprake is van handelen in strijd met artikel 5 lid 2 Landsverordening Wegverkeer, alsmede dat reeds de overtreding van dat voorschrift ertoe leidt dat ingevolge de zogenaamde “omkeringsregel” tot op tegenwijs moet worden uitgegaan van het bestaan van het voor aansprakelijkheid vereiste causaal verband tussen het onrechtmatig handelen - het rijden onder invloed - en het ongeval en de daaruit voortvloeiende de schade. Het is dan aan [appellant] en aan New India om te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, dat het ongeval en daaruit voortvloeiende schade er ook zonder het onrechtmatig handelen van [appellant] zouden zijn geweest (rov 4.5)

In dat verband hebben [appellant] en New India beide, naar de kern genomen, aangevoerd dat het ongeval uitsluitend is toe te schrijven aan de verkeersfout van [naam 1]. Diens manoeuvre was zodanig onverwacht en de uitwijkmogelijkheden ter plaatse waren dusdanig beperkt dat geen automobilist, hoe nuchter ook, een aanrijding had kunnen voorkomen. Van onvoldoende voorzichtig en anticiperend rijgedrag en verminderd reactievermogen bij [appellant] als gevolg van zijn alcoholgebruik was volgens [appellant] en zijn verzekeraar geen sprake. [appellant] heeft zich niet alleen aan de maximumsnelheid gehouden, maar hij heeft ook zijn snelheid aangepast aan de omstandigheden ter plaatse. Ook heeft [appellant] zo snel als mogelijk op de rem getrapt. Voor deze lezing van de gebeurtenissen beroepen [appellant] en New India zich mede op de vrijspraak in het onder 4.1 genoemde strafvonnis (rov. 4.6).

Overwegende dat dit verweer voorshands onvoldoende steun vond in het overgelegde bewijs (rov. 4.7) , heeft het Hof [appellant] en New India de gelegenheid geboden het benodigde tegenbewijs alsnog te leveren, met de aantekening dat - mede gelet op de reeds beschikbare processen-verbaal - vooral kan worden gedacht aan een (schriftelijke of mondelinge) rapportage van een of meer verkeersongevalsdeskundigen, onder wie mogelijk ook de in de conclusie van antwoord van New India genoemde “verbalisant c.q. verkeersspecialist zijdens het KPA”, C. Orman (hierna: Orman).

4.2
Om aan deze bewijsopdracht te voldoen hebben [appellant] en New India een brief de dato 9 november 2017 in het geding gebracht, houdende een rapport van J.L.M. Meuwissen, NIVREre,Verkeersongevallen deskundige en gerechtelijk deskundige (hierna: Meuwissen). De in het tussenvonnis genoemde deskundige Orman, zo verklaren [appellant] en New India in hun akte, is inmiddels met pensioen.

4.3
In zijn rapport constateert Meuwissen, na analyse van (vooral) de videobeelden, dat [appellant] zeer snel op de voor hem ontstane situatie heeft gereageerd en ook al (net voor de botsing) een remming heeft ingezet. [appellant] had slechts circa één seconde de tijd om op de voor hem afslaande auto van [naam 1] te reageren en zo mogelijk te handelen en/of uit te wijken. In aanmerking nemende de zogenaamde “schrikseconde” die een mens nodig heeft bij een zich plotseling aandienende situatie als deze, rept de deskundige van een zeer snelle reactie hetgeen niet passend is bij hinder door alcoholgebruik. Uitwijken was gezien de plaatselijke omstandigheden geen optie, aldus de deskundige: naar links was, vanwege obstakels, niet mogelijk en naar rechts gaf juist een hogere “trefkans”. Er was, ook voor een niet onder invloed zijnde bestuurder, onder de gegeven omstandigheden te weinig tijd en ruimte ter beschikking om te reageren en te handelen ter voorkoming van de aanrijding, aldus Meuwissen. Tot zover ziet het Hof geen aanleiding om aan zijn deskundige analyse te twijfelen en het neemt deze dan ook over.

4.4
Dat geldt echter niet voor de conclusie die deze deskundige aan zijn observaties verbindt, te weten dat het ongeval ook had plaatsgevonden zonder het onrechtmatige handelen (alcoholgebruik) van [appellant].

In het rapport wordt immers geen aandacht besteed aan de vraag of [appellant] zijn snelheid voldoende had aangepast en of het ongeval wellicht op die wijze voorkomen had kunnen worden. Bij de analyse wordt de snelheid waarmee [appellant] reed tot uitgangspunt genomen om vervolgens op basis van de beschikbare tijd te concluderen dat er - ook voor een volledig nuchtere bestuurder - te weinig tijd was om te reageren en handelen ter voorkoming van de aanrijding.

4.5
Aangaande de snelheid waarmee [appellant] vlak voor het ongeval reed, hebben [appellant] en New India ook geen ander bewijs ingebracht. In hun akte merken zij in dat verband op dat destijds (in 2013) ten aanzien van de uit de Nissan Frontier van [appellant] genomen computer op navraag van het Openbaar Ministerie door het daartoe aangewezen instituut in Nederland is te kennen gegeven dat dit betreffende model computer niet kon worden uitgelezen ter bepaling van de snelheid. Zij hebben ook geen nader bewijsaanbod gedaan.

4.6
De conclusie moet dan zijn dat [appellant] en New India niet in het hun opgedragen tegenbewijs zijn geslaagd. De mogelijkheid dat, zoals door [geïntimeerde] is gesteld, het ongeval mede is veroorzaakt doordat [appellant] als gevolg van zijn alcoholgebruik te hard heeft gereden, althans zijn snelheid onvoldoende op de plaatselijke omstandigheden heeft aangepast, is immers open blijven staan. De omstandigheid dat de precieze snelheid waarmee [appellant] reed niet is komen vast te staan, behoort in dit verband tot zijn bewijsrisico (en dat van New India). Zonder duidelijkheid over die snelheid valt niet te zeggen of [appellant] zijn rijgedrag voldoende had aangepast op de lokale omstandigheden. Of [appellant] zich aan de ter plaatse geldende maximumsnelheid heeft gehouden, is daarbij niet beslissend.

4.7
Daarbij tekent het Hof nog aan dat de videobeelden erop wijzen dat er, los van de nabij gelegen kruising met stoplichten, redenen waren om snelheid te minderen, nu sprake was van een smalle weg met daarop geparkeerde auto’s zodat de uitwijkruimte beperkt was, alsmede van een deels open middenberm die werd gebruikt om over de weghelft waarop [appellant] reed rechtsaf te slaan naar een hotel. Dat had voor [appellant], die ter plekke goed bekend was, reeds reden moeten zijn voor behoedzaamheid. Of er elders aan de weg alleen winkels en restaurants zijn gelegen, die op het tijdstip van het ongeval al waren gesloten, maakt dat niet anders. Voorts blijkt dat er op de andere rijbaan, buiten de door [naam 1] bestuurde auto, nog het nodige verkeer was. Dat dit een momentopname betreft (van de situatie net nadat het stoplicht op groen was gesprongen) is niet relevant: het was immers de situatie waarop [appellant] zich (mede) had in te stellen. Voor zover [appellant] en New India zouden willen betogen dat er geen reden was snelheid te minderen, anders dan om tijdig tot stilstand te (kunnen) komen voor de verderop gelegen stoplichten, wordt dat betoog verworpen.

4.8
Daarmee doet zich de situatie voor dat beide fouten, zowel die van [naam 1] als die van [appellant], aan het ongeval en de daaruit voortvloeiende schade een - noodzakelijke - bijdrage hebben geleverd, zodanig dat (rechtstreekse) toepassing van artikel 6:99 BW, leidende tot volledige (hoofdelijke) aansprakelijkheid van [appellant] en New India niet aan de orde is. Ook [geïntimeerde] lijkt er (althans aanvankelijk) van te zijn uitgegaan dat in dit geding (en niet pas in de schadestaatprocedure of op een regresvordering van [appellant] en New India op [naam 1]) wordt vastgesteld voor welk percentage [appellant] en New India aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het ongeval, ook al is de precieze schade nog niet bekend en is [naam 1] in deze procedure niet betrokken.

Omdat aannemelijk dat de ernst van de schade, waarvan de aard voldoende bekend is, in belangrijke mate het gevolg is geweest van de snelheid waarmee [appellant] kwam aanrijden, zal het Hof bij gebrek aan concrete aanknopingspunten voor een andere verdeling de mate waarin [appellant] aan de schade heeft bijgedragen op 50% stellen.

4.9
Dit betekent dat [appellant] voor dat percentage aansprakelijk zou zijn geweest jegens [naam 2] en [naam 3], de als gevolg van het ongeval overleden echtgenote en dochter van [geïntimeerde]. Aannemelijk is de mogelijkheid dat [geïntimeerde] als gevolg van het ongeval enige op de voet van artikel 6:108 BW te vergoeden schade heeft geleden. De gevorderde verklaring voor recht en veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat zullen daarom in een op het voorgaande toegesneden vorm worden toegewezen. In hoeverre de schade, uitgaande van dit percentage aan [appellant] en New India kan worden toegerekend, zal in de schadestaatprocedure nader aan de orde kunnen komen, evenals het door New India gedane beroep op eigen schuld.

4.10
Resteert de vraag of [appellant] ook jegens [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld en jegens hem is gehouden tot vergoeding van affectieschade. In dat verband gelden strenge voorwaarden waarvan, zo staat vast, aan de twee meest wezenlijke zonder meer is voldaan. [geïntimeerde] stond in de nauwst denkbare familieverhouding tot de overledenen en heeft het ongeval voor zijn ogen zien gebeuren en hij is direct erna geconfronteerd met een zwaargewonde echtgenote die naar het ziekenhuis is gebracht, alwaar zij vrij kort nadien is overleden, evenals hun pas geboren dochter die met keizersnede was gehaald. Dat hierdoor bij [geïntimeerde] een hevige emotionele schok is teweeggebracht en dat daaruit geestelijk letsel is voortgevloeid, acht het Hof mede op basis van de overgelegde verklaring van [naam 4] voldoende aannemelijk. Dat deze [naam 4] (verre) familie van [geïntimeerde] is en er tussen hen geen sprake is geweest van een behandelingsrelatie van dokter en patiënt in strikte zin, doet aan die aannemelijkheid onvoldoende af. In hoeverre de klachten en de schade het gevolg zijn van de schok en in hoeverre de rouw en het gemis daarvan de oorzaak zijn, moet nog nader worden vastgesteld alvorens de immateriële schade op een bedrag kan worden gesteld. In de bijzondere omstandigheid dat reeds naar de schadestaatprocedure is verwezen voor de overige materiële schade, ziet Hof de rechtvaardiging om deze schade niet, na nadere instructie, in de onderhavige procedure vast te stellen. De incidentele grief is dus gegrond.

4.10
De slotsom is dat het principaal hoger beroep in zoverre succes heeft dat de aansprakelijkheid van [appellant] en New India is beperkt tot 50%. De incidentele grief slaagt. De bestreden vonnissen zullen gedeeltelijk worden vernietigd om de vorderingen in gewijzigde vorm te kunnen toewijzen. De kostenveroordeling in eerste aanleg blijft in stand omdat de uitkomst is en blijft dat [geïntimeerde] zijn wederpartijen met vrucht aansprakelijk heeft gesteld. In principaal hoger beroep leidt het gedeeltelijk slagen van de grieven tot de conclusie dat beide partijen deels in het gelijk, deels in het ongelijk zijn gesteld, zodanig dat een compensatie van de kosten is gerechtvaardigd. In het incidenteel hoger beroep zullen [appellant] en New India in de kosten veroordeeld. ECLI:NL:OGHACMB:2018:159

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies