Overslaan en naar de inhoud gaan

RBAMS 200219 alcoholhoudende bromfietser botst op andere bromfietser, 25% eigen schuld vanwege tegen het verkeer in rijden

RBAMS 200219 alcoholhoudende bromfietser botst op andere bromfietser, 25% eigen schuld vanwege tegen het verkeer in rijden

2. De verdere beoordeling

Kennelijke verschrijving

2.1.
In het tussenvonnis van 28 februari 2018 (geen vindplaats bekend, red LSA-LM) (hierna: het tussenvonnis) is de voornaam van [gedaagde 1] abusievelijk als “ [voornaam] ” vermeld, terwijl tijdens zijn getuigenverhoor is gebleken dat zijn voornaam “ [voornaam] ” is. Dit betekent dat sprake is van een kennelijke verschrijving in het tussenvonnis. Die verschrijving is in dit vonnis hersteld. De voornaam van [gedaagde 1] in het tussenvonnis dient op dezelfde wijze te worden gelezen als in dit vonnis.

De bewijsopdrachten en de waardering van het bewijs

2.2.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank voorshands bewezen geacht dat het ongeval van 11 september 2016 is veroorzaakt door [gedaagde 1] , namelijk dat hij [eiser] met zijn bromfiets heeft aangereden, terwijl hij meer dan de wettelijk toegestane hoeveelheid alcohol had gebruikt. Gedaagden zijn vervolgens toegelaten tegenbewijs te leveren tegen deze voorshands bewezen geachte stelling (zie rechtsoverwegingen 4.7. en 5.1. van het tussenvonnis).

2.3.
Verder zijn gedaagden bij het tussenvonnis om proceseconomische redenen in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat de schade als gevolg van het ongeval ook zou zijn ontstaan als [gedaagde 1] niet onder invloed van meer dan de wettelijke toegestane hoeveelheid alcohol op zijn bromfiets zou hebben gereden (zie rechtsoverweging 5.2. van het tussenvonnis).

2.4.
[gedaagde 1] heeft in enquête zichzelf, zijn neef [naam neef] (hierna: [naam neef] ) en twee medewerkers van de gemeente Amsterdam, te weten [naam medewerker 1] en [naam medewerker 2] (hierna: [naam medewerker 1] en [naam medewerker 2] ), doen horen als getuige. Verder heeft hij twee ongevallenanalyserapportages, één van Expertise Bureau Dijkstra A (hierna: EBD) van 31 mei 2018 en één van Ongevallenanalyse Apeldoorn VOF (hierna: Ongevallenanalyse Apeldoorn) van 2 november 2018 overgelegd. Met deze getuigenverklaringen en rapportages hebben gedaagden niet het hiervoor onder 2.2 vermelde bewijsvermoeden ontzenuwd noch het gevraagde bewijs (zoals hiervoor onder 2.3 vermeld) geleverd. Daartoe wordt het volgende overwogen.

2.5.
[gedaagde 1] heeft verklaard dat hij in de vroege ochtend van 11 september 2016 vanaf de woning van zijn vriend in [plaats] met de bromfiets aan de hand naar zijn woning in [plaats] is gelopen. Niemand heeft dit echter gezien. Zijn verklaring dat hij heeft gelopen wordt – anders dan gedaagden menen – ook niet ondersteund door de verklaring van [naam neef] . Die heeft verklaard dat hij een dag na het ongeval op de plaats van het ongeval het contactslot van de bromfiets van [gedaagde 1] heeft gevonden en dat het contactslot ‘uit’ stond. Daaruit kan echter niet – zoals gedaagden aanvoeren – worden afgeleid dat [gedaagde 1] met de bromfiets aan de hand van [plaats] naar [plaats] is gelopen. De verklaringen van [gedaagde 1] en [naam neef] spreken elkaar namelijk tegen. [gedaagde 1] heeft immers verklaard dat het cilinder van het contactslot helemaal stuk was waardoor je de sleutel kon ronddraaien, terwijl [naam neef] juist heeft verklaard dat de cilinder nog in tact was en de sleutel in het cilinder naar links was gedraaid. Gelet op deze wezenlijke tegenstrijdigheid ten aanzien van het contactslot kan de verklaring van [naam neef] niet bijdragen aan het door gedaagden te leveren tegenbewijs. Daarbij komt dat kan worden getwijfeld aan de juistheid van de verklaring van [naam neef] dat hij het contactslot heeft gevonden. [eiser] heeft namelijk gemotiveerd betwist dat het contactslot door het ongeval uit de bromfiets van [gedaagde 1] is losgeraakt met het rapport van het Nederlands Forensisch Onderzoeksbureau (hierna: het NFO) van 18 september 2018. Het NFO heeft in dit rapport na een analyse van de filmbeelden van het ongeval van AT5 en de foto’s van de bromfiets van [gedaagde 1] van na het ongeval geconcludeerd dat het zeer veel waarschijnlijker is dat de contactslotunit na de botsing nog in de bromfiets van [gedaagde 1] aanwezig was, dan dat de contactslotunit niet meer in de bromfiets aanwezig was. Gelet op deze conclusie en de omstandigheid dat de verklaringen van [gedaagde 1] en [naam neef] over het contactslot tegenstrijdig zijn, kan niet worden vastgesteld dat het contactslot door de botsing uit de bromfiets van [gedaagde 1] is geraakt, door [naam neef] op de plaats van het ongeval is gevonden en dat het contactslot uit was gedraaid. De door gedaagden overgelegde foto’s van een contactslot doen aan dit oordeel niets af. Uit die foto’s zelf blijkt niet dat het op de foto’s afgebeelde slot daadwerkelijk het contactslot van de bromfiets van [gedaagde 1] is dat ten tijde van het ongeval uit de bromfiets van [gedaagde 1] zou zijn losgeraakt.

2.6.
Met betrekking tot de door gedaagden overgelegde ongevallenanalyserapportages wordt het volgende overwogen. Het rapport van EBD bevat slechts een summiere analyse van het ongeval en is bovendien gedeeltelijk gebaseerd op de verklaring van [naam neef] . Hiervoor is al overwogen dat de verklaring van [naam neef] over het contactslot niet kan worden gevolgd. Dit betekent dat geen sprake is van een objectief uitgevoerde analyse door EBD en dat het rapport niet kan bijdragen aan het door gedaagden te leveren tegenbewijs.

2.7.
Evenmin kan de rapportage van Ongevallenanalyse Apeldoorn het bewijsvermoeden ontzenuwen. [eiser] heeft immers ook een rapportage met een analyse van het ongeval in het geding gebracht. In dit rapport van Baan Hofman Ongevallenanalyse (hierna: Baan Hofman) van 30 augustus 2018 hebben twee deskundigen uitgebreid onderzocht hoe het ongeval heeft kunnen plaatsvinden. De deskundigen hebben naar aanleiding van de schade aan beide bromfietsen geanalyseerd hoe het botsverloop tussen de bromfietsen is geweest en wat de botsenergie van beide bromfietsen was. Vervolgens hebben de deskundigen met een simulatiemodel het scenario dat beide bromfietsers reden en het scenario dat [gedaagde 1] met de bromfiets aan de hand liep, gesimuleerd. In het rapport worden, voor zover van belang, de volgende conclusies getrokken:

( ... )
 Beide bromfietsen hadden schade aan de linker voorzijde en linker zijkant door de aanrijding. De bromfietsen zijn op de rechter zijde tot stilstand gekomen.
 De bromfietsen hebben elkaar al rijdend linksvoor geraakt.
 De opzittenden van de bromfietsen hebben elkaar direct geraakt en zijn in elkaar verhaakt.

(... )
 Op basis van de vervormingsenergie is, bij het scenario waarin de heer [gedaagde 1] heeft gelopen met de Sym in de hand, een snelheid tussen 54 en 76 km/h van de Kymco [de bromfiets van [eiser] , rechtbank] te verwachten. Het verloop van de botsing past hier niet in.
 Het scenario waarin beide partijen hebben gereden past volledig in de sporen en eindposities.
 Het scenario waarin de heer [gedaagde 1] met de bromfiets in de hand heeft gelopen past niet met de aangetroffen de eindposities.

( ... )

2.8.
Gedaagden hebben tegen dit rapport het rapport van Ongevallenanalyse Apeldoorn ingebracht. Volgens hen volgt daaruit dat de conclusies uit het rapport van Boom Hofman onjuist zijn en dat moet worden geconcludeerd dat [gedaagde 1] ten tijde van het ongeval met de bromfiets aan de hand heeft gelopen. Gedaagden worden daarin niet gevolgd. De conclusie van Boom Hofman is gebaseerd op een uitgebreid onderzoek en volgt logischerwijs uit de overige inhoud van het rapport. In het rapport van Ongevallenanalyse Apeldoorn worden enkele punten aangestipt waarop het rapport van Boom Hofman onjuist zou zijn, maar de deskundige heeft zelf geen uitgebreid onderzoek naar het ongeval gedaan. Evenmin heeft hij, in tegenstelling tot de deskundigen van Boom Hofman, gebruik gemaakt van simulaties. Gelet op deze omstandigheden wordt meer waarde gehecht aan het rapport van Baan Hofman dan aan het rapport van Ongevallenanalyse Apeldoorn.

Ten slotte geldt dat de rapporten van de partijdeskundigen moeten worden gezien in het licht van de overige stukken in het dossier en dan met name het proces-verbaal van bevindingen van de politie van 12 september 2016 waarin is vermeld dat [gedaagde 1] direct na het ongeval heeft verklaard op zijn bromfiets te hebben gereden en dat ook omstanders tegen elkaar hebben gezegd dat [gedaagde 1] op de weghelft van [eiser] reed (zie rechtsoverweging 2.2. van het tussenvonnis).

2.9.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat gedaagden het tegenbewijs niet hebben geleverd. Dit betekent dat als vaststaand moet worden aangenomen dat [gedaagde 1] in de ochtend van 11 september 2016 op zijn bromfiets heeft gereden, terwijl hij meer dan de wettelijk toegestane hoeveelheid alcohol in zijn bloed had (zie rechtsoverweging 4.11 van het tussenvonnis). Daarmee heeft [gedaagde 1] de norm van artikel 8 lid 2 aanhef onder b Wegenverkeerswet overtreden. Dit heeft tot gevolg dat het causaal verband tussen deze gedraging en de door de aanrijding ontstane schade van [eiser] is gegeven, tenzij gedaagden aannemelijk hebben gemaakt dat die schade ook zou zijn ontstaan als [gedaagde 1] niet onder invloed van meer dan de wettelijke toegestane hoeveelheid alcohol op zijn bromfiets had gereden en dus geen gevaarscheppend gedrag had vertoond (zie ook rechtsoverweging 4.11 van het tussenvonnis). Daartoe zijn gedaagden in de gelegenheid gesteld om tegenbewijs te leveren.

2.10.
Uit de getuigenverklaringen van [naam medewerker 1] en [naam medewerker 2] die in enquête zijn gehoord, kan worden afgeleid dat [eiser] in de ochtend van 11 september 2016 in een verboden richting heeft gereden. Zowel [naam medewerker 1] als [naam medewerker 2] hebben verklaard dat op het gedeelte van het fietspad waar het ongeval heeft plaatsgevonden sprake is van eenrichtingsverkeer vanuit de richting waar [gedaagde 1] vandaan kwam. Deze omstandigheid brengt echter niet automatisch mee dat de schade ook zou zijn ontstaan als [gedaagde 1] niet onder invloed van te veel alcohol was geweest. [gedaagde 1] heeft niet gesteld en evenmin is gebleken dat het onmogelijk was om [eiser] te ontwijken doordat bijvoorbeeld het fietspad niet goed verlicht was of [eiser] te hard reed, waardoor hij [eiser] niet op tijd heeft kunnen zien. Anders dan gedaagden hebben aangevoerd, doorbreekt de omstandigheid dat [eiser] aan de verkeerde kant van de weg reed het causaal verband tussen de aanrijding door [gedaagde 1] en de bij [eiser] ontstane schade niet. Het verweer dat het ongeval door [eiser] is veroorzaakt wordt daarom verworpen. De gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde 1] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld zal dan ook worden toegewezen.

Eigen schuld

2.11.
Bij de beoordeling of sprake is van eigen schuld van [eiser] als bedoeld in artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zoals gedaagden hebben gesteld, komt het aan op de afweging van de mate waarin de gedragingen van de ene en de andere partij het gevaar voor het ontstaan van de aanrijding in het leven hebben geroepen. Hierbij is wel van belang dat uit de getuigenverklaringen van [naam medewerker 1] als [naam medewerker 2] kan worden afgeleid dat [eiser] ten tijde van het ongeval aan de verkeerde kant van de weg reed. Bij de beoordeling van de mate waarin de gedragingen van [eiser] aan de schade hebben bijgedragen weegt echter ook mee dat [naam medewerker 1] heeft verklaard dat het op de plaats van het ongeval voor bromfietsers niet duidelijk is waar zij moeten rijden. Verder heeft hij verklaard dat de alternatieve route die [eiser] had kunnen nemen, te weten via de Fogostraat, gecompliceerd is. Hoewel [naam medewerker 2] heeft verklaard dat volgens hem door de geplaatste verkeersborden sprake is van een duidelijke verkeerssituatie, heeft de rechtbank dat naar aanleiding van zijn beschrijving van die situatie niet kunnen concluderen. Gelet hierop moet worden geconcludeerd dat de gedragingen van [eiser] in mindere mate hebben bijgedragen aan de schade dan de gedragingen van [gedaagde 1] die meer dan de wettelijk toegestane hoeveelheid alcohol had gedronken.

2.12.
In de ernst van de door [gedaagde 1] gemaakte fout en de lichamelijke en psychische gevolgen van het ongeval voor [eiser] ziet de rechtbank aanleiding om de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 lid 1 BW toe te passen. [eiser] heeft door het ongeval een zware hersenschudding opgelopen, had een scheurtje in de lever, letsel in het aangezicht, een gekneusde schouder en gekneusde ribben (zie rechtsoverweging 2.4. van het tussenvonnis). Daarnaast heeft [eiser] de rechtbank bericht dat hij als gevolg van het ongeval spanningsklachten ervaart. Alles overwegende komt de rechtbank op grond van de billijkheidscorrectie tot een vergoedingsplicht van gedaagden van 75% van de door [eiser] als gevolg van het ongeval gelden schade. Gedaagden zullen dan ook daartoe worden veroordeeld.

Schadestaat

2.13.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat er vanwege de medische eindtoestand van [eiser] geen aanleiding is de zaak voor begroting van de schade naar de schadestaat te verwijzen. Vanwege de wijze waarop partijen het debat over de aansprakelijkheid hebben gevoerd acht de rechtbank het thans niet opportuun om in deze procedure inhoudelijk over de schade verder te procederen, maar aangewezen om partijen in de gelegenheid te stellen om hoger beroep in te stellen tegen de in dit vonnis genomen beslissingen. De vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure zal daarom worden toegewezen. ECLI:NL:RBAMS:2019:1090