Overslaan en naar de inhoud gaan

Hof 's-Hertogenbosch 100913 mesothelioom timmerman; bewijsopdracht mbt blootstelling aan asbest na 1979; aanhouding zaak

Hof 's-Hertogenbosch 100913 mesothelioom timmerman; bewijsopdracht mbt blootstelling aan asbest na 1979; aanhouding zaak

4. De beoordeling

4.1.
Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.1.1.
[appellante] was de echtgenote van [echtgenoot van appellante] (hierna: [echtgenoot van appellante]), geboren op [geboortedatum] 1946, inmiddels overleden. [appellante] is zijn erfgename.

4.1.2.
[echtgenoot van appellante] is op 4 oktober 1963 in dienst getreden van [Bouwbedrijven] Bouwbedrijven B.V., althans haar rechtsvoorgangers, als timmerman. Tot 1965 hield [echtgenoot van appellante] zich hoofdzakelijk bezig met houtbewerking in de werkplaats. Medio 1965 is [echtgenoot van appellante] werkzaamheden als timmerman in de woningbouw gaan verrichten. Van 1975 tot 1980 was de functie van [echtgenoot van appellante] voorman timmerman. Van 1980 tot 1987 heeft hij de functie van assistent uitvoerder verricht en vanaf 1987 is hij als uitvoerder werkzaam geweest tot juni 2008. In 2004 is [Bouwbedrijven] Bouwbedrijven B.V. gefuseerd met [Bouw] Bouw B.V., nadien genaamd [Bouw B.V.] Bouw B.V. Hierna zal het hof telkens [Bouw] vermelden, ook waar het gaat om de rechtsvoorgangers.

4.1.3.
Begin augustus 2009 is bij [echtgenoot van appellante] de diagnose maligne mesothelioom gesteld. Bij brief van 18 augustus 2009 heeft [echtgenoot van appellante] [Bouw] aansprakelijk gesteld voor de door hem als gevolg van genoemde ziekte geleden en te lijden schade. Daartoe heeft [echtgenoot van appellante] gesteld dat deze ziekte is veroorzaakt door regelmatige blootstelling aan asbest tijdens zijn werkzaamheden voor [Bouw].

4.1.4.
[echtgenoot van appellante] heeft zich tot het Instituut Asbestslachtoffers (IAS) gewend met het verzoek te bemiddelen tussen hem en [Bouw], waarna [Bouw] hierover door het IAS is benaderd. [Bouw] heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.

4.1.5.
[echtgenoot van appellante] is op 15 oktober 2009 overleden.

4.1.6.
[appellante] heeft een uitkering ontvangen uit de op het leven van [echtgenoot van appellante] afgesloten verzekering.

4.1.7.
De Sociale Verzekeringsbank heeft op 5 januari 2010 aan [appellante] € 18.106,- toegekend als voorschot op grond van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS).

4.1.8.
Op 19 januari 2010 heeft het IAS een bemiddelingsrapport opgemaakt. Het IAS is, kort gezegd, van oordeel dat [Bouw] jegens [echtgenoot van appellante] aansprakelijk is voor de door [echtgenoot van appellante] geleden schade en tot betaling van schadevergoeding gehouden kan worden. Bij brief van 22 januari 2010 heeft het IAS partijen daarover geïnformeerd en [Bouw] in overweging gegeven de volgende bedragen te betalen:
€ 51.395,- ter zake immateriële schade
€ 2.858,- ter zake materiële schade voor nabestaande
€ 2.858,- ter zake overige materiële schade
door middel van betaling van € 39.005,- rechtstreeks aan [echtgenoot van appellante] en € 18.106,- aan de Sociale Verzekeringsbank.

4.1.9.
[Bouw] heeft betaling geweigerd en aansprakelijkheid van de hand gewezen.

4.1.10.
[appellante] heeft daarop dit geding aanhangig gemaakt en in eerste aanleg (samengevat) gevorderd:
- voor recht te verklaren dat [Bouw] jegens [appellante] verwijtbaar tekort is geschoten en daardoor schadeplichtig is geworden;
- [Bouw] te veroordelen tot het vergoeden aan [appellante] van immateriële schade, begroot op € 60.000, te vermeerderen met de wettelijke rente;
- [Bouw] te veroordelen om aan [appellante] te vergoeden de door haar geleden en nog te lijden materiële schade krachtens de artikelen 6:107 en 6:108 BW, voorlopig begroot op € 45.896,82, te vermeerderen met de wettelijke rente;
een en ander met veroordeling van [Bouw] in de kosten van de procedure.
[appellante] heeft voor de grondslag van deze vorderingen verwezen naar het bepaalde in artikel 7:658 BW.

4.1.11.
Bij vonnis van 11 januari 2012 heeft de kantonrechter [appellante] toegelaten te bewijzen "feiten en omstandigheden waaruit kan blijken dat [echtgenoot van appellante] tijdens zijn dienstverband met gedaagde (inclusief haar rechtsvoorgangsters) blootgesteld is geweest aan asbest". Na getuigenverhoren heeft de kantonrechter bij vonnis van 25 april 2012 geoordeeld dat [appellante] niet is geslaagd in de haar gegeven bewijsopdracht en de vorderingen afgewezen. [appellante] is tijdig van dit vonnis en het daaraan voorafgaande vonnis in hoger beroep gekomen.

4.2.
De grieven van [appellante] vallen uiteen in twee onderdelen en komen erop neer dat de kantonrechter:
1. [appellante] ten onrechte met de hiervoor weergegeven bewijsopdracht heeft belast;
2. ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat [appellante] niet is geslaagd in de bewijslevering.

4.3.
Het hof overweegt over het eerste onderdeel het volgende.
In eerste aanleg heeft [Bouw] primair weliswaar betwist dat [echtgenoot van appellante] blootgesteld is geweest aan asbest, maar het hof acht die betwisting onvoldoende (voor wat betreft de situatie vóór 1979, welk jaartal van belang is in verband met de door [Bouw] gestelde verjaring, zie hierna). Immers,
- [Bouw] heeft gesteld dat zij vanaf 1965 tot 1971 asbesthoudende dakbeschietingen heeft toegepast (nr. 4.6 cvd).
- [Bouw] heeft gesteld dat zij tot circa 1975 ongeveer 200 woningen per jaar realiseerde, waarvan 150 met een (vrijstaande) berging en dat bij de bergingen asbest werd gebruikt in de vorm van een golfplatendak (nr. 2.6 cva);
- in een door [Bouw] in het geding gebrachte schriftelijke verklaring van 13 september 2011 van [getuige] staat onder meer vermeld dat in de jaren zestig diverse projecten zijn uitgevoerd waarin asbesthoudende producten toegepast werden (prod. 1 cvd);
- [Bouw] heeft niet betwist dat [echtgenoot van appellante] in die tijd als timmerman deze werkzaamheden heeft uitgevoerd;
- [Bouw] heeft slechts gesteld dat [echtgenoot van appellante] tot 1975 niet frequent met asbest in aanraking is gekomen en dat van een langdurige of veelvuldige blootstelling absoluut geen sprake is geweest (nr. 2.6 cva);
- [Bouw] heeft gesteld "de blootstelling aan asbest is derhalve medio 1975 geëindigd" (2.7 cva).
In het licht van de stellingen van [appellante] over de bouwprojecten waaraan [echtgenoot van appellante] als timmerman heeft gewerkt en waarvan [Bouw] niet heeft betwist dat bij die projecten asbesthoudende materialen zijn verwerkt, heeft [Bouw] hiermee onvoldoende betwist dat [echtgenoot van appellante] in de periode tot 1979, blootgesteld is geweest aan het werken met asbest. De stelling dat dit niet frequent voorkwam, acht het hof van onvoldoende gewicht (althans in het kader van de vraag of [echtgenoot van appellante] blootgesteld is geweest aan asbest). Dat heeft tot gevolg dat de grieven slagen, voor zover daarin wordt geklaagd over de door de kantonrechter gegeven bewijsopdracht.

4.4.
Het geschil tussen partijen ligt door het slagen van de grieven vanwege de devolutieve werking volledig aan de beoordeling van het hof voor, met dien verstande dat [appellante] tijdens het pleidooi heeft verklaard dat zij haar eis zal verminderen - dit in verband met een uitkering uit een levensverzekering - en dat [Bouw] tijdens het pleidooi heeft verklaard dat zij het beroep op eigen schuld van [echtgenoot van appellante] niet langer handhaaft. Relevant is nu of [appellante] na 1979 is blootgesteld aan asbest.

4.5.
Naar de kern genomen komt het verweer van [Bouw] erop neer dat:
- [echtgenoot van appellante] na 1972, althans 1975, niet meer heeft gewerkt met asbest (dus dat er zich na 1972/1975 en in ieder geval na 1979 geen schadeveroorzakende feiten hebben voorgedaan);
- [Bouw] in de periode daarvóór niet op de hoogte was en niet op de hoogte hoefde te zijn van de gevaren van het werken met asbest (dus dat zij geen zorgplicht heeft geschonden);
- de vordering die gerelateerd is aan de periode vóór 18 augustus 1979 op grond van artikel 3:310 lid 2 BW is verjaard en dat haar beroep op verjaring niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.6.
Wat het laatste argument betreft: tussen partijen staat vast dat de vordering is verjaard voor zover gebaseerd op schadeveroorzakende gebeurtenissen vóór 18 augustus 1979. Het hof zal de beslissing over de vraag of het beroep van [Bouw] op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, aanhouden. Die beoordeling komt immers pas aan de orde, als [appellante] niet slaagt in het bewijs dat [echtgenoot van appellante] in de periode dat de vordering niet aan verjaring onderhevig is, dus na voormelde datum, tijdens zijn arbeid ten behoeve van [Bouw] blootgesteld is geweest aan asbest, zoals zij heeft gesteld. [appellante] dient het bewijs daarvan te leveren. Zij zal conform haar aanbod daartoe in de gelegenheid worden gesteld. De vraag of [Bouw] haar zorgplicht heeft geschonden zal eveneens pas na de bewijsfase aan de orde komen.

4.7.
De daartoe te geven bewijsopdracht zal niet worden geformuleerd op de door [Bouw] voorgestane wijze. Weliswaar heeft [Bouw] terecht aangevoerd dat [appellante] dient te bewijzen dat [echtgenoot van appellante] blootgesteld is geweest aan asbest en is het bewijs van een mogelijke blootstelling onvoldoende, maar, anders dan [Bouw] meent, hoeft [appellante] niet te bewijzen op welke locaties en/of op welke wijze dat is gebeurd. Wellicht kan een en ander een rol spelen in de bewijswaardering, maar de aan [appellante] te geven bewijsopdracht hoeft niet zo specifiek te worden geformuleerd.

4.8.
Al hetgeen [appellante] nog heeft aangevoerd over relevante jurisprudentie en literatuur doet niet af aan hetgeen hiervoor is overwogen. Bij de hoeveelheid jurisprudentie waarnaar [appellante] heeft verwezen, dient niet uit het oog te worden verloren dat de uitkomst afhankelijk is geweest van de feitelijke situatie alsmede van de vraag of partijen in één of meer opzichten hadden voldaan aan hun stelplicht.

4.9.
Het hof verwijst de zaak naar de rol voor akte vermindering eis en opgave getuigen en verhinderdata aan de zijde van [appellante]. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. ECLI:NL:GHSHE:2013:4190