Zoeken

Inloggen

Artikelen

RBROT 191018 verhuurder aansprakelijk vanwege asbest in woning; geen verwijzing naar schadestaat

RBROT 191018 verhuurder aansprakelijk vanwege asbest in woning; geen verwijzing naar schadestaat

De beoordeling van de vordering

5.1
De ingeschakelde deskundigen Van Santen en Sanitas hebben in hun qua strekking gelijkluidende rapporten van respectievelijk september 2015 en september 2016 geconcludeerd dat in het gehuurde een gedeelte van de plafondbeplating in de kruipzolder en de ruimte boven de kasten in de gang niet hechtgebonden asbest bevatte. In deze ruimten is chrysotiel en amosiet aangetroffen. Beide bedrijven adviseren om het kruipgedeelte boven de gang en de ruimte boven het verlaagde plafond van de kasten/meterkasten gesloten te houden in verband met de aanwezige asbestverontreiniging alsmede om zo spoedig mogelijk de asbestverontreiniging en de asbesthoudende plafondbeplating ter plaatse van het plafond boven de gang en boven de kasten/meterkasten te saneren.

5.2
Zoals hiervoor reeds vastgetseld heeft de sanering van voornoemde ruimten uiteindelijk op 28 februari 2018 plaatsgevonden en is er een asbestvrij-verklaring afgegeven. Gelet hierop zal de vordering van [eiser] tot sanering van het gehuurde, bij gebrek aan belang, worden afgewezen.

5.3
De vraag die partijen verdeeld houdt is of Maasdelta aansprakelijk is voor de schade van [eiser] als gevolg van de asbestbesmetting in het gehuurde. [eiser] baseert zijn vorderingen ter zake zowel op de verplichting van Maasdelta als verhuurder tot vergoeding van schade ex artikel 7:208 BW als op de risicoaansprakelijkheid van Maasdelta als bezitter van een opstal ex artikel 6:174 BW. De kantonrechter zal deze grondslagen achtereenvolgens bespreken.

gebrek

5.4
Voor de beantwoording van de vraag of Maasdelta als verhuurder op grond van artikel 7:208 BW aansprakelijk is dient eerst vastgesteld te worden of er sprake was van een gebrek aan het gehuurde in de zin van artikel 7:204 lid 2BW.

Een gebrek is een staat of eigenschap van de zaak of een andere aan de huurder niet toe te rekenen omstandigheid waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort als waarop de overeenkomst betrekking heeft. De huurder mag bij het aangaan van de huurovereenkomst in beginsel verwachten dat het gehuurde geschikt is voor het normale gebruik dat partijen voor ogen heeft gestaan. De aard en omvang van dit gebruik zal voor een belangrijk deel afhangen van de aard van het object, de overeengekomen bestemming en de persoon van de huurder.

In het onderhavige geval is er in 2015 asbestverontreiniging (zowel chrysotiel als amosiet) in het kruipgedeelte boven het verlaagd plafond in de gang en in de ruimte boven het verlaagd plafond van de kasten/meterkasten aangetroffen. De situatie was dusdanig gevaarlijk dat zowel Van Santen als later Sanitas hebben geadviseerd om de ruimtes gesloten te houden en zo spoedig mogelijk te saneren.

Deze met asbest verontreinigde ruimten vormen onderdeel van het gehuurde woning. De (vervuilde) kruipruimte werd door [eiser] gebruikt als opslag. Dit gebruik kan worden aangemerkt als een normaal gebruik van het gehuurde. Onder deze omstandigheden is de aanwezigheid van deze vorm van asbest aan te merken als een gebrek in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW.

5.5.
Maasdelta heeft in dit kader nog een beroep gedaan op artikel 7:204 lid 3 (de feitelijke stoornis door derden) en voert daartoe aan dat zij niet aansprakelijk is voor een gebrek ontstaan doordat in het belendende pand brand is uitgebroken.

Voornoemd artikel ziet onder meer op situaties waarbij door derden stank- of verkeersoverlast, burengerucht wordt veroorzaakt, maar mist relevantie voor de onderhavige situatie. Maasdelta gaat er in haar redenering immers aan voorbij dat de asbest reeds in het gehuurde aanwezig was, te weten in de vorm van niet hechtgebonden asbest in de plafondbeplating, en dat door de brand althans door de nadien noodzakelijke werkzaamheden in het gehuurde asbestdeeltjes zijn vrijgekomen. Verwezen zij in dit verband de zaak KPN/Tamminga (ECLI:NL:HR:2010:BM3980) waarbij inbrekers in het gehuurde het asbesthoudende dak doorboorden. De Hoge Raad overwoog in dat geval dat niet de inbraak als gebrek is aan te merken maar de situatie die is ontstaan als gevolg van het vrijkomen van asbest. De onderhavige situatie is niet anders. Het ter zake gevoerde verweer faalt derhalve.

aansprakelijkheid ex artikel 7:208 BW?

5.6
De verhuurder is op grond van artikel 7:208 BW aansprakelijk voor de schade die ontstaat als gevolg van het gebrek - onder meer - indien het gebrek als bedoeld in artikel 7:204 lid 2 BW na het aangaan van de overeenkomst is ontstaan en aan de verhuurder is toe te rekenen. Naar het oordeel van de kantonrechter is van deze situatie sprake en overweegt daartoe het navolgende.

5.7
In het kader van de beantwoording van de vraag of Maasdelta op voornoemde grond jegens [eiser] aansprakelijk is zijn de volgende feitelijke uitgangspunten van belang:
- er is in 2009 geboord, gehakt en gezaagd in de plafondplaten in de kruipzolder, welke beplating niet hechtgebonden asbest bevatte;
- bij die werkzaamheden zijn geen beschermende maatregelen genomen;
- [eiser] is bij (een gedeelte van) die werkzaamheden aanwezig geweest;
- [eiser] maakte met regelmaat gebruik van de kruipzolder, omdat hij aldaar spullen had opgeslagen;
- de sanering van de kruipzolder heeft plaatsgevonden op 28 februari 2018.

5.8
Tevens kan worden geconstateerd dat er tot september 2015 geen onderzoek heeft plaatsgevonden naar de aanwezigheid van asbest(deeltjes) in de kruipzolder. Maasdelta heeft voordien wel enkele onderzoeken laten verrichten, maar deze hadden geen betrekking op de onderhavige kruipzolder.

Maasdelta heeft in januari 2010 onderzoek laten verrichten door Nomacon. Het onderzoek door Nomacon in het gehuurde heeft zich echter - zonder duidelijke redenen - beperkt tot de badkamer. Nomacon merkt in haar rapport nog wel op dat het zeer waarschijnlijk is dat in de overige niet onderzochte woningen (en daaronder valt naar het oordeel van de kantonrechter logischerwijs ook het niet onderzochte deel van het gehuurde) asbesthoudende beplatingen boven de gipsplafonds zijn aangebracht.

In 2013 heeft IOB in opdracht van Maasdelta een asbestonderzoek gedaan, waaruit bleek dat zeer aannemelijk was dat er in de woningscheidende wanden en plafonds asbesthoudend materiaal aanwezig was. Vervolgens heeft in december 2013 BK Asbest metingen gedaan in het gehuurde, echter niet in de kruipzolder. Dit is opmerkelijk nu juist daar in 2009 werkzaamheden aan de plafondplaten waren verricht. Uiteindelijk heeft het tot september 2015 geduurd voordat ook de kruipzolder op de aanwezigheid van asbest werd onderzocht.

5.9
Na de brand in 2009 was het aan Maasdelta, ook naar eigen zeggen, bekend dat er risico bestond op de aanwezigheid van asbest in het gehuurde en gezien de werkzaamheden aan de plafondbeplating aldaar (juist) ook in de kruipzolder. Als goed verhuurder had van Maasdelta mogen worden verwacht dat zij na de brand in 2009 en de daarmee noodzakelijk geworden werkzaamheden in het gehuurde met voortvarendheid een grondig onderzoek zou hebben laten doen naar de aanwezigheid van asbest in het gehuurde. Maasdelta heeft dit nagelaten.

In de tussenliggende periode heeft [eiser] met enige regelmaat de kruipzolder betreden. Er is dus een reëel gevaar dat [eiser] in de periode van 2009 tot medio 2015 in aanraking is gekomen met asbestdeeltjes. Dit is aan Maasdelta toe te rekenen. Maasdelta is derhalve op grond van artikel 7:208 BW aansprakelijk voor de schade van [eiser] als gevolg van de blootstelling aan asbest. De op dit punt gevorderde verklaring voor recht zal derhalve worden toegewezen.

5.10
[eiser] stelt voorts dat er in 2005 asbest is vrijgekomen toen de keuken werd aangelegd. Dit wordt door Maasdelta betwist. De bewijslast ter zake rust op [eiser], die zich immers op de rechtsgevolgen van deze stelling beroept. Gezien het hiervoor overwogene heeft [eiser] echter geen belang bij deze bewijslevering nu immers als vaststaand wordt aangenomen dat [eiser] in ieder geval in de periode van 2009-2015 is blootgesteld aan het risico van asbestbesmetting en dat dit is toe te rekenen aan Maasdelta. Of wellicht [eiser] ook al in 2005 is blootgesteld aan asbest in de woning is derhalve niet van belang voor toewijzing van de gevraagde voorziening. De kantonrechter gaat dan ook aan dit punt voorbij.

Gezien het voorgaande wordt het verweer van Maasdelta dat zij in 2005 bij het aangaan van de huurovereenkomst niet wist en ook niet kon weten van de aanwezigheid van asbest in het gehuurde, wat daar verder van zij, als niet ter zake doende gepasseerd.

5.11
Maasdelta heeft beroep gedaan op eigen schuld van [eiser] voor zover hij na september 2015 van de kruipzolder gebruik heeft gemaakt.

[eiser] heeft aangevoerd dat hij, vanaf het moment dat hij in september 2015 het bericht kreeg dat er asbestdeeltjes in zijn kruipzolder waren aangetroffen, deze kruipzolder gesloten heeft gehouden en deze niet meer heeft betreden. Het ligt gelet op de gezondheidsrisico’s en de zorgen daarover bij [eiser] ook voor de hand dat hij zich niet willens en wetens heeft blootgesteld aan het risico van asbestbesmetting na de verontrustende bevindingen door Van Santen in september 2015. De kantonrechter heeft geen enkele reden om aan de juistheid van dit standpunt te twijfelen. Het had, mede gezien deze onderbouwde betwisting, op de weg van Maasdelta gelegen haar stelling dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [eiser] nader te onderbouwen. Maasdelta heeft dit onvoldoende gedaan, zodat de kantonrechter geen grond ziet om haar ter zake tot bewijslevering toe te laten.

In het verlengde hiervan mist tevens relevantie de (uitvoerige) discussie tussen partijen over de vraag door wiens toedoen de sanering van de kruipzolder uiteindelijk pas op 28 februari 2018 heeft plaatsgevonden. Immers, van eigen schuld aan de zijde van [eiser] is gezien het voorgaande geen sprake en [eiser] heeft op zijn beurt ook geen consequenties verbonden aan het in zijn ogen erg late moment van sanering na de ontdekking van de aanwezigheid van asbest in september 2015.

risicoaansprakelijkheid?

5.12
Tevens is de vraag aan de orde of Maasdelta als bezitter van een opstal jegens [eiser] aansprakelijk is op grond van artikel 6:174 BW.

De bezitter van een opstal is aansprakelijk indien schade ontstaat ten gevolge van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. Om te bepalen welke eisen gesteld mogen worden is onder meer van belang het te verwachten gebruik en de bestemming van het gehuurde, de kans op verwezenlijking van het gevaar voor personen of zaken, welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen redelijkerwijs te vergen zijn en bijvoorbeeld ook of het gehuurde voor publiek toegankelijk is. Het gaat dus om eisen die men uit een oogpunt van veiligheid aan de opstal mag stellen. Indien aan deze vereisten is voldaan is de verhuurder aansprakelijk, tenzij het gebrek en de schade een ononderbroken of nauwelijks onderbroken gebeurtenis vormen die is veroorzaakt van een van buiten komende omstandigheid. Bij artikel 7:174 BW is niet relevant of de opstal reeds voor of pas na aanvang van de huurovereenkomst niet aan de eisen voldoet.

Het gevaar, te weten blootstelling aan asbest, heeft zich in dit geval ook daadwerkelijk verwezenlijkt, aangezien - zoals hiervoor reeds overwogen - als onweersproken vaststaat dat [eiser] met enige regelmaat de kruipzolder betrad waarin in 2015 de losse asbestdeeltjes zijn aangetroffen. Het voorgaande leidt ertoe dat Maasdelta ook op grond van artikel 6:174 BW jegens [eiser] aansprakelijk is. De kantonrechter zal de gevraagde verklaring voor recht ter zake toewijzen op hierna te melden wijzen.

Schade op te maken bij staat

5.13
[eiser] vordert Maasdelta te veroordelen tot vergoeding van de schade die hij als gevolg van de aanwezigheid van asbest in de gehuurde woning lijdt, heeft geleden en/of zal lijden, nader op te maken bij staat.

[eiser] geeft aan dat de schade bestaat uit de door asbestbesmetting verloren gegane goederen die zijn opgeslagen op de bergvliering, gezondheidsschade wegens mogelijke asbestbesmetting met de daaraan verbonden medische kosten, inkomensderving en dergelijke, alsmede immateriële schade wegens verminderde levensverwachting.

Maasdelta heeft op haar beurt betoogd dat er geen grond is voor de gevorderde verklaring voor recht met verwijzing naar de schadestaatprocedure omdat de materiële schade reeds is vergoed en de toekomstige schade onvoldoende is onderbouwd.

5.14
Het is voor de verwijzing naar de schadestaatprocedure (ex artikel 612 wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) afdoende dat het bestaan van schade of de mogelijkheid van schade als gevolg van de gestelde wanprestatie of onrechtmatige daad aannemelijk is gemaakt. Dat in de hoofdzaak in rechte is komen vast te staan dat eiser schade heeft geleden of zal lijden is dus geen voorwaarde voor het uitspreken van een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat, aannemelijk moet slechts zijn de mogelijkheid dat er schade is geleden.

Onder deze schade valt thans niet meer, zoals Maasdelta terecht aanvoert, de materiële schade aan de zaken die in de kruipzolder waren opgeslagen en de verletkosten samenhangend met de asbestsanering, aangezien partijen terzake een regeling ter finale kwijting hebben getroffen en Maasdelta de betreffende schadevergoeding reeds heeft uitgekeerd.

De overige genoemde schadeposten zien op mogelijke toekomstige schade in het onverhoopte geval dat zich bij [eiser] mesothelioom of een ander aan asbestbesmetting gerelateerde ziekte openbaart. Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, valt niet in te zien hoe deze schade zich laat begroten alvorens deze toekomstige - en nogmaals: onverhoopte - omstandigheid zich voordoet. [eiser] heeft derhalve onvoldoende belang in de zin van artikel 3:303 BW bij de gevraagde voorziening. Deze vordering zal worden afgewezen.

5.15
Maasdelta zal, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten, waarbij het tarief van de gemachtigde wordt vastgesteld op € 400,- per procespunt. De apart gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

De beslissing

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat Maasdelta zich jegens [eiser] niet als een goed verhuurder en onrechtmatig in de in van artikel 6:174 BW heeft gedragen en dat Maasdelta mitsdien aansprakelijk is voor de schade die [eiser] als gevolg van de aanwezigheid van asbest in de gehuurde woning lijdt en heeft geleden en/of zal lijden; ECLI:NL:RBROT:2018:8709

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies