RBMNE 110226 Rechtbank verleent verlof voor instellen tussentijds hoger beroep
- Meer over dit onderwerp:
RBMNE 110226 Rechtbank verleent verlof voor instellen tussentijds hoger beroep
in vervolg op:
RBMNE 160725 geen letsel, derhalve n.o. in deelgeschil; overigens geen aansprakelijkheid van inhalende partij t.o.v. linksafslaande partij
- proceskosten verweerder cf liquidatietarief; 2 punten x € 614 = € 1228 + € 178 nakosten + € 714 griffierecht
2De kern van de zaak
2.1.
[eiser] is het niet eens met de uitspraak van 16 juli 2025 die deze rechtbank heeft gedaan in de deelgeschilprocedure met zaak-/rekestnummer 588846 / HA RK 25-24. Hij wil daarvan in hoger beroep. [gedaagde] heeft daar geen bezwaar tegen. De rechtbank geeft toestemming voor het instellen van tussentijds hoger beroep.
3De achtergrond van het geschil
3.1.
Tussen [eiser] en een verzekerde van [gedaagde] heeft een aanrijding plaatsgevonden. Omdat partijen het niet eens konden worden over wie daarvoor aansprakelijk is, heeft [eiser] die vraag bij deze rechtbank als deelgeschil voorgelegd. De deelgeschilrechter heeft beslist dat de zaak niet als deelgeschil kan worden behandeld - kort gezegd - omdat niet is komen vast te staan dat er sprake is van letselschade. De rechtbank heeft [eiser] daarom niet-ontvankelijk verklaard. Ook al betekent dat dat geen inhoudelijke beslissing meer hoefde te worden genomen over de aansprakelijkheid, heeft de rechtbank dat, mede met het oog op de vastgelopen onderhandelingen, toch gedaan. De conclusie van de deelgeschilrechter is dat [gedaagde] tegenover [eiser] niet aansprakelijk is voor de aanrijding, omdat [eiser] degene was die voorrang had moeten verlenen.
4De beoordeling
Toetsingskader voor het geven van verlof voor het instellen van tussentijds hoger beroep
4.1.
Om van een uitspraak in een deelgeschilprocedure hoger beroep te kunnen instellen moet eerst een bodemprocedure worden gestart. In die bodemprocedure moet dan aan de bodemrechter verlof worden gevraagd om in hoger beroep te mogen van de deelgeschilbeschikking. Door deze route krijgt een deelgeschilbeschikking kort gezegd de status van een tussenvonnis in een bodemprocedure. Dit betekent dat beslissingen die in de deelgeschilbeschikking staan dezelfde bindende kracht hebben als (eind)beslissingen in tussenvonnis. Verder is het zo dat van een deelgeschilbeschikking alleen hoger beroep kan worden ingesteld als en voor zover daarin bindende eindbeslissingen staan over de materiële rechtsverhouding van partijen. Dit volgt uit artikel 1019bb samen met artikel 1019cc lid 1 en 3 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv). Over de termijn voor het instellen van hoger beroep heeft de Hoge Raad in het arrest van 17 december 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1924) beslist dat deze gaat lopen vanaf de datum van het vonnis waarbij het verlof voor tussentijds hoger beroep is verleend. Omdat een deelgeschilbeschikking in een bodemprocedure zoals gezegd de status krijgt van tussenvonnis zal de rechtbank als het gaat om de start van de appeltermijn aansluiten bij deze regeling ook al wijkt die af van dat wat in de wet in artikel 1019cc lid 3 onder a Rv staat over het aanvangsmoment van de appeltermijn. Bij het beoordelen van het verlenen van verlof moet de rechter er van de Hoge Raad ook op letten of het openstellen van hoger beroep niet tot onredelijke vertraging van de procedure leidt (zie punt 3.2.4 van het arrest van 17 december 2021 ECLI:NL:HR:2021:1924).
Er is beslist over de materiële rechtsverhouding tussen partijen
4.2.
De eerste vraag die beantwoord moet worden is of de deelgeschilrechter een beslissing heeft genomen over de materiële rechtsverhouding, alleen dan is hoger beroep mogelijk van de deelgeschilbeschikking. In de beschikking van 16 juli 2025 is de deelgeschilrechter tot de conclusie gekomen dat [gedaagde] niet aansprakelijk is tegenover [eiser] . Dat is een beslissing over de materiële rechtsverhouding tussen partijen zoals bedoeld in artikel 1019cc lid 1 Rv.
Dat de deelgeschilrechter hierover in een extra overweging (een ‘overweging ten overvloede’) een beslissing heeft genomen die hij door de niet-ontvankelijkverklaring niet had hoeven nemen, maakt dit niet anders. Er is beslist over de aansprakelijkheid.
Het verzoek is op tijd gedaan
4.3.
Vervolgens moet gekeken worden of het verzoek om toestemming voor het instellen van hoger beroep op tijd is gedaan. Door het arrest van 17 december 2021 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:1924) dat de rechtbank hiervoor onder 4.1 heeft genoemd moet daarvoor niet langer worden aangesloten bij de eerste roldag of de datum van de beschikking waartegen men op wil komen zoals vermeld staat in artikel 1019cc lid 3 onder a Rv, maar bij de datum van het vonnis waarin de mogelijkheid van hoger beroep wordt opengesteld. Dat is de datum van deze uitspraak. Daarmee is het verzoek op tijd gedaan.
Het hoger beroep leidt niet tot onredelijke vertraging
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat een tussentijds hoger beroep in deze zaak niet leidt tot onredelijke vertraging van de procedure. Daarbij heeft de rechtbank ook gelet op het feit dat [gedaagde] heeft aangegeven zich aan te sluiten bij het oordeel van de rechtbank hierover.
Het verlof wordt verleend
4.5.
Dat wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen betekent dat het verlof zal worden verleend. Hierbij heeft de rechtbank meegewogen dat [eiser] in de dagvaarding niet heeft gesteld of op een andere manier is gebleken dat sprake is van nieuwe feiten of een juridische misslag wat dan voor de bodemrechter reden zou kunnen zijn om terug te komen op de beslissing die in het deelgeschil is gegeven over de aansprakelijkheid. De rechtbank is daarom gebonden aan de beslissing dat [gedaagde] niet aansprakelijk is. Het kan zijn dat het hof daarover anders beslist. Daarom, en om redenen van proceseconomie, staat de rechtbank tussentijds hoger beroep toe van de beschikking van 16 juli 2025.
Deze zaak gaat naar de parkeerrol
4.6. Omdat de zaak nu eerst naar het hof gaat, zal de rechtbank deze zaak naar de parkeerrol verwijzen zodat partijen zich op de roldatum die in de beslissing vermeld staat kunnen uitlaten over de stand van zaken op dat moment. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. Rechtbank Midden-Nederland 11 februari 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:583
