Overslaan en naar de inhoud gaan

RBMNE 171225 verlof tussentijds hoger beroep t.z.v. aansprakelijkheid voor letsel na val op bospad tijdens bedrijfsuitje met E-step

RBMNE 171225 verlof tussentijds hoger beroep t.z.v. aansprakelijkheid voor letsel na val op bospad tijdens bedrijfsuitje met E-step

in vervolg op:
RBMNE 090425 wg-er o.b.v. 7:658 aansprakelijk voor letsel na val op bospad tijdens bedrijfsuitje met E-step
- Overeenkomst Resultaatsgerichte Beloning (RUB) voldoet niet aan dubbele redelijkheidstoets
- verzocht 43 uur x € 327,50 + 21%, toegewezen 30 uur x € 280 + 21% = € 10.164

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 16 september 2025 met het verzoek verlof te verlenen voor het instellen van tussentijds hoger beroep tegen een deelgeschilbeschikking;

- de akte overlegging producties van 24 september 2025 van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] ;

- de conclusie van antwoord van 22 oktober 2025 van [gedaagde] .

1.2.

Zonder dat de kantonrechter [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] daarvoor de gelegenheid heeft gegeven hebben zij op de roldatum van de conclusie van antwoord, 22 oktober 2025, een akte overlegging aanvullende producties ingediend. Het gaat om stukken uit de deelgeschilprocedure die [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] met de eerdere akte overlegging producties nog niet hadden overgelegd. In de conclusie van antwoord maakt [gedaagde] er ook een punt van dat het procesdossier (van de deelgeschilprocedure) niet compleet is. De kantonrechter heeft geconstateerd dat het bij die nadere stukken gaat om de producties die bij het verzoekschrift in het deelgeschil zijn overgelegd (productie 14) en om de pleitaantekeningen van de advocaat van [gedaagde] die zijn voorgedragen tijdens de mondelinge behandeling van het deelgeschil (productie 15). De akte is daarom toegelaten. De griffier heeft partijen daarop met het e-mailbericht van 29 oktober 2025 laten weten dat een beslissing zal worden genomen over het verzoek om toestemming te geven om tussentijds hoger beroep in te stellen. Daarbij is aan [gedaagde] de gelegenheid gegeven om, als hij dat wil, in het kader van dat verzoek nog te reageren op de akte met aanvullende producties van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] . Van die mogelijkheid heeft [gedaagde] gebruik gemaakt. Hij heeft op 12 november 2025 de ‘akte uitlating hoger beroep’ ingediend.

1.3.

Nu volgt deze uitspraak.

2De kern van de zaak

2.1.

[eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] zijn het niet eens met de uitspraak van 9 april 2025 die de kantonrechter heeft gedaan in de deelgeschilprocedure met zaak-/rekestnummer 11509201 / AE VERZ 25-6. Zij willen daarvan in hoger beroep. [gedaagde] sluit zich als het daar om gaat aan bij het oordeel van de kantonrechter. Wel wil [gedaagde] , als het verlof wordt verleend, zelf ook (incidenteel) hoger beroep instellen over de kosten van het deelgeschil. De kantonrechter geeft partijen in dit vonnis toestemming voor het instellen van tussentijds hoger beroep tegen de deelgeschilbeschikking.

3De achtergrond van het geschil

3.1.

Tijdens een bedrijfsuitje van zijn werkgever [eiseres sub 2] , waarbij met een elektrische step een toer werd gemaakt, is [gedaagde] gevallen. Hij heeft daar blijvend letsel aan overgehouden. [gedaagde] heeft [eiseres sub 2] aansprakelijk gesteld voor de gevolgen die het ongeval voor hem heeft. [eiseres sub 2] en haar bedrijfsaansprakelijkheidsverzekeraar [eiseres sub 1] hebben geen aansprakelijkheid erkend, ook niet nadat bij de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor is gehouden. Om duidelijkheid te krijgen over de aansprakelijkheid van zijn werkgever is [gedaagde] bij deze rechtbank een deelgeschilprocedure begonnen. De deelgeschilrechter heeft geoordeeld dat het bedrijfsuitje onder de reikwijdte van artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek (BW) valt omdat het uitje in voldoende nauw verband stond met de werkzaamheden. Vervolgens heeft de deelgeschilrechter geoordeeld dat [eiseres sub 2] niet aan haar zorgplicht uit dat artikel heeft voldaan, waarna is beslist dat [eiseres sub 2] aansprakelijk is voor (de gevolgen van) het ongeluk van [gedaagde] . Over de positie van [eiseres sub 1] heeft de deelgeschilrechter beslist dat als het uiteindelijk op uitkeren aankomt [eiseres sub 1] die uitkering rechtstreeks aan [gedaagde] moet betalen. De kosten van het deelgeschil zijn, na matiging, begroot op € 10.254,00.

4De beoordeling

Toetsingskader voor het geven van verlof voor het instellen van tussentijds hoger beroep

4.1.

Om van een uitspraak in een deelgeschilprocedure hoger beroep te kunnen instellen moet eerst een bodemprocedure worden gestart. In die bodemprocedure moet dan aan de bodemrechter verlof worden gevraagd om in hoger beroep te mogen van de deelgeschilbeschikking. Door deze route krijgt een deelgeschilbeschikking kort gezegd de status van een tussenvonnis in een bodemprocedure. Dit betekent dat beslissingen die in de deelgeschilbeschikking staan dezelfde bindende kracht hebben als (eind)beslissingen in tussenvonnis. Verder is het zo dat van een deelgeschilbeschikking alleen hoger beroep kan worden ingesteld als en voor zover daarin bindende eindbeslissingen staan over de materiële rechtsverhouding van partijen. Dit volgt uit artikel 1019bb samen met artikel 1019cc lid 1 en 3 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv). Over de termijn voor het instellen van hoger beroep heeft de Hoge Raad in het arrest van 17 december 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1924) beslist dat deze gaat lopen vanaf de datum van het vonnis waarbij het verlof voor tussentijds hoger beroep is verleend. Omdat een deelgeschilbeschikking in een bodemprocedure zoals gezegd de status krijgt van tussenvonnis zal de kantonrechter als het gaat om de start van de appeltermijn aansluiten bij deze regeling ook al wijkt die af van dat wat in de wet in artikel 1019cc lid 3 onder a Rv staat over het aanvangsmoment van de appeltermijn. Bij het beoordelen van het verlenen van verlof moet de rechter er van de Hoge Raad ook op letten of het openstellen van hoger beroep niet tot onredelijke vertraging van de procedure leidt (zie punt 3.2.4 van het arrest van 17 december 2021 ECLI:NL:HR:2021:1924).

Er is beslist over de materiële rechtsverhouding tussen partijen

4.2.

De eerste vraag die beantwoord moet worden is of de deelgeschilrechter een beslissing heeft genomen over de materiële rechtsverhouding: alleen dan is hoger beroep mogelijk van de deelgeschilbeschikking. In de beschikking van 9 april 2025 is de deelgeschilrechter tot de conclusie gekomen dat [eiseres sub 2] tegenover [gedaagde] aansprakelijk is voor (de gevolgen van) de val van [gedaagde] tijdens het bedrijfsuitje en dat is ook voor recht verklaard. Daarmee is een beslissing gegeven over de materiële rechtsverhouding tussen partijen zoals bedoeld in artikel 1019cc lid 1 Rv.

4.3.

Ook wat de deelgeschilrechter heeft beslist over de begroting van de kosten van het deelgeschil is een bindende eindbeslissing over de materiële rechtsverhouding tussen partijen. Ook daar kan dus tegen op gekomen worden in hoger beroep. Dit geldt niet voor de veroordeling tot betaling van de kosten van het deelgeschil die, in situaties waarin aansprakelijkheid vast staat of is komen vast te staan, volgt op een begroting van deelgeschilkosten. De kantonrechter verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 20 september 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1407).

Het verzoek is op tijd gedaan

4.4.

Vervolgens moet gekeken worden of het verzoek om toestemming voor het instellen van hoger beroep op tijd is gedaan. Door het arrest van 17 december 2021 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:1924) dat de kantonrechter hiervoor onder 4.1 heeft genoemd moet daarvoor niet langer worden aangesloten bij de eerste roldag of de datum van de beschikking waartegen men op wil komen zoals vermeld staat in artikel 1019cc lid 3 onder a Rv, maar bij de datum van het vonnis waarin de mogelijkheid van hoger beroep wordt opengesteld. Daarmee is het verzoek op tijd gedaan.

Het hoger beroep leidt niet tot onredelijke vertraging

4.5.

De kantonrechter is van oordeel dat een tussentijds hoger beroep in deze zaak niet leidt tot onredelijke vertraging van de procedure. Daarbij heeft de rechtbank ook gelet op het feit dat [gedaagde] heeft aangegeven zich aan te sluiten bij het oordeel van de kantonrechter hierover.

Het verlof wordt verleend

4.6.

Dat wat de kantonrechter hiervoor heeft overwogen betekent dat het verlof zal worden verleend. Hierbij heeft de kantonrechter meegewogen dat er ook niet is gesteld of op een andere manier is gebleken dat sprake is van nieuwe feiten of een juridische misslag wat dan voor de bodemrechter reden zou kunnen zijn om terug te komen op de beslissing die (in deelgeschil) is gegeven over de aansprakelijkheid. De kantonrechter is dus gebonden aan de beslissing dat [eiseres sub 2] niet aansprakelijk is. Het kan zijn dat het hof daarover anders beslist. Daarom, en om redenen van proceseconomie, staat de rechtbank tussentijds hoger beroep toe van de beschikking van 9 april 2025.

Deze zaak gaat naar een roldatum over zes maanden

4.7.

Omdat de zaak nu eerst naar het hof gaat, zal de kantonrechter deze zaak naar een roldatum over zes maanden verwijzen zodat partijen zich dan kunnen uitlaten over de stand van zaken op dat moment. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. Rechtbank Midden-Nederland 17 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:7045