Overslaan en naar de inhoud gaan

RBOBR 170822 verlof beroep deelgeschil; status psychiatrisch rapport als enig onderwerp in bodemzaak

RBOBR 170822 verlof beroep deelgeschil; status psychiatrisch rapport als enig onderwerp in bodemzaak

in vervolg op:
RBOBR 180122 ass. niet gebonden aan een psychiatrisch deskundigenrapport uit OI-zaak, doch tekortkomingen kunnen worden hersteld

2De beoordeling van het (voorwaardelijk) verlofverzoek
2.1.
Partijen bevinden zich in een onderhandelingstraject tot afwikkeling van een letselschadeclaim. Zij zijn het onder meer niet eens over de bruikbaarheid van een psychiatrisch rapport dat is afgegeven door psychiater Sno op 5 juni 2020. Om daarover meer duidelijkheid te verkrijgen heeft [gedaagde] eerder een deelgeschilprocedure aanhangig gemaakt.

2.2.
In de beschikking van 12 januari 2022 in die deelgeschilprocedure met zaak- en rekestnummer C/01/373317 / EX RK 21-118 (ECLI:NL:RBOBR:2022:149) heeft de rechtbank bepaald dat het rapport van psychiater Sno van 5 juni 2020 zoals het er nu ligt geen goede basis biedt voor het afwikkelen van de schade van [gedaagde] . De rechtbank heeft daarbij voor recht verklaard dat Achmea van [gedaagde] niet kan eisen dat zij meewerkt aan een geheel nieuw deskundigenonderzoek door een andere psychiater dan psychiater dr. Sno, doch enkel op de voorwaarde dat psychiater Sno bereid en in staat zal zijn een aanvullend onderzoek te doen en een hernieuwd deskundigenbericht uit te brengen op de wijze als omschreven in de beschikking onder 6.17. (bedoeld is: 6.19). De rechtbank heeft Achmea veroordeeld in de kosten van de deelgeschilprocedure à € 6.189,60.

2.3.
In de dagvaarding en in een afzonderlijke brief aan de rechtbank van 27 juni 2022 heeft Achmea aangegeven zich niet met de deelgeschilbeschikking van 12 januari 2022 te kunnen verenigen. Achmea meent dat de rechtbank in de bodemprocedure niet aan deze beslissing gebonden is, maar indien en voor zover de rechtbank daar anders over oordeelt, vraagt Achmea de rechtbank om haar verlof te verlenen tot het instellen van tussentijds hoger beroep tegen de deelgeschilbeschikking van 12 januari 2022.

2.4.
Achmea heeft de brief van 27 juni 2022 aan de rechtbank verstuurd onder vermelding van het zaak- en rekestnummer van de deelgeschilprocedure, maar gelet op het bepaalde in artikel 1019cc lid 3 Rv merkt de rechtbank dit verzoek aan als te zijn gedaan in de bodemzaak.

2.5.
In een bericht van 26 juli 2022 heeft [gedaagde] de rechtbank verzocht Achmea verlof te verlenen voor het instellen van tussentijds hoger beroep.

De rechtbank overweegt als volgt.

Over de bindende kracht van een beslissing in deelgeschil

2.6.
In een deelgeschilprocedure kan een rechter allerhande beslissingen nemen, die partijen kunnen helpen in hun schaderegelingsproces. Dat kunnen beslissingen zijn die zien op de inhoudelijke onderdelen die uiteindelijk bepalen of en hoeveel schade er moet worden vergoed. Te denken valt dan aan beslissingen over de mate van aansprakelijkheid, de schadecomponenten, het bestaan van causaal verband, of de schadeomvang. Het kunnen ook meer ‘procedurele’ beslissingen zijn, die zien op de wijze waarop partijen gedurende het schaderegelingsproces met elkaar om moeten gaan, welke stappen moeten worden gezet om tot een afwikkeling te komen etc.

2.7.
Tegen een deelgeschilbeschikking staat in beginsel geen voorziening open (artikel 1019bb Rv). Uitzondering daarop vormt een deelgeschilbeschikking waarin uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist op een of meer geschilpunten tussen partijen betreffende hun materiële rechtsverhouding. Indien inmiddels een bodemzaak aanhangig is gemaakt, dan kan van een dergelijke in deelgeschil genomen beslissing hoger beroep worden ingesteld op dezelfde wijze als van een tussenvonnis. Dit kan ofwel tussentijds (met verlof van de bodemrechter) ofwel tegelijk met het hoger beroep van het eindvonnis (artikel 1019cc lid 1 en lid 3 Rv).

2.8.
Indien de rechter in deelgeschil uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een beslissing heeft gegeven over een of meer geschilpunten die zien op de materiële rechtsverhouding van partijen, dan is de bodemrechter in eerste aanleg daaraan op dezelfde wijze gebonden als wanneer die beslissing zou zijn opgenomen in een tussenvonnis (artikel 1019cc lid 1 Rv). De bodemrechter kan daarvan enkel terugkomen indien er inmiddels nadere gegevens voorhanden zijn waaruit blijkt dat die beslissing feitelijk of juridisch niet juist is geweest.

2.9.
Deze gebondenheid van de bodemrechter aan beslissingen in deelgeschil ziet alleen op beslissingen over de materiële rechtsverhouding tussen partijen en niet op, zoals de parlementaire geschiedenis dat omschrijft, ‘procedurele beslissingen’. Daarmee wordt onder meer gedoeld op “beslissingen over de verplichting tot medewerking aan verdere medische of arbeidsdeskundige onderzoeken, de formulering van de vraagstelling aan een deskundige” en op “beslissingen ter verdere instructie van de onderhandelingen in het deelgeschil” (Kamerstukken II 2007-2008, 31 518, nr.3, pag.20 en nr.5, pag.1). In diezelfde parlementaire geschiedenis is overigens onderkend dat procedurele en materiële beslissingen nauw met elkaar kunnen samenhangen, en dat afbakeningsproblemen zich kunnen voordoen.

2.10.
Ten aanzien van ‘procedurele beslissingen’ in deelgeschil is door de wetgever niet bepaald wat de gevolgen daarvan zijn in een bodemprocedure, en is ook niet voorzien in de mogelijkheid van hoger beroep. In de parlementaire geschiedenis is in dit verband opgemerkt dat deze ‘procedurele beslissingen’ in de meeste gevallen in de bodemprocedure niet meer aan de orde zullen komen, omdat de vorderingen in de bodemzaak gericht zullen zijn op het verkrijgen van een rechterlijke beslissing over de materiële rechtsverhouding tussen partijen. Voor zover zij in de bodemprocedure nog wel aan de orde komen, bijvoorbeeld omdat een partij aanvoert dat de andere partij zich ten onrechte niet heeft gedragen in overeenstemming met de beslissing van de deelgeschilrechter, dan heeft de bodemrechter voldoende middelen om daarmee - indien nodig - rekening te houden bij de beoordeling van de bodemzaak (goede procesorde, rechtsverwerking, redelijkheid en billijkheid) (Kamerstukken II 2007-2008, 31 518, nr.3, pag.20)

De ‘procedurele’ beslissing in deelgeschil is hier bindend omdat deze samenvalt met het materiële onderwerp van de bodemzaak

2.11.
In de deelgeschilbeslissing van 12 januari 2022 zijn op verzoek van [gedaagde] door de rechtbank beslissingen genomen over kort gezegd de bruikbaarheid van een beschikbaar psychiatrisch rapport en, voor zover nader psychiatrisch onderzoek nodig is, over de persoon van de hiervoor in te schakelen deskundige. Er lijkt daarmee sprake te zijn van ‘procedurele beslissingen’ als hiervoor bedoeld. De beslissingen raken immers niet direct het materiële geschil tussen partijen over (de omvang van) de uiteindelijke schadeplicht. In die beslissingen is bovendien een voorbehoud opgenomen. Achmea bepleit daarom met een beroep op artikel 1019cc lid 1 en 3 Rv dat de rechtbank aan die beslissingen niet is gebonden en dat geen hoger beroep tegen die beslissingen openstaat. De rechtbank oordeelt evenwel anders, en dat houdt verband met het onderwerp van de bodemzaak.

2.12.
In de bodemzaak vordert Achmea primair (1) vernietiging van de beschikking in deelgeschil van 12 januari 2022, (2) een verklaring voor recht dat Achmea niet gebonden is aan psychiater Sno als deskundige, en dat psychiater Sno door partijen niet in staat hoeft te worden gesteld om aanvullend onderzoek te doen en een hernieuwd rapport uit te brengen, (3) te verklaren voor recht dat aan de voorliggende rapportage van psychiater Sno van 5 juni 2020 rechtens geen relevantie toekomt bij de vaststelling van de schade van [gedaagde] , en subsidiair: (4) Achmea toe te laten om tussentijds appel in te stellen tegen de deelgeschilbeschikking van de rechtbank van 12 januari 2022, alles met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten (vermeerderd met rente).

2.13.
Anders dan de wetgever voor ogen had (zie hiervoor onder 2.10) zijn de vorderingen in de bodemzaak hier niet gericht op het verkrijgen van een rechterlijke beslissing over materiële onderwerpen die verband houden met zaken als schadeplicht en schadeomvang. Met haar vorderingen vraagt Achmea de rechtbank uitsluitend om opnieuw (maar dan op de door haar gewenste wijze) te oordelen over het procedurele onderwerp dat in de deelgeschilprocedure al aan de orde is geweest. Het (procedurele) geschil uit de deelgeschilprocedure valt in dit geval dus volledig samen met het bodemgeschil. Zou de rechtbank zich in deze bodemzaak niet gebonden achten aan de beslissingen van de deelgeschilrechter (en Achmea geen verlof verlenen voor het instellen van tussentijds hoger beroep tegen die beslissingen), dan zou dat betekenen dat in deze bodemprocedure een volledige herbeoordeling gaat plaatsvinden van de beslissingen die na het partijdebat in de deelgeschilprocedure door de rechter in het deelgeschil zijn genomen en gemotiveerd zijn neergelegd in de beschikking van 12 januari 2022. Dit zou neerkomen op een verkapte vorm van hoger beroep binnen dezelfde instantie, waarbij partijen hun argumenten nogmaals, en wellicht met een nadere onderbouwing zullen aanvoeren. Tegen de einduitspraak van de bodemrechter zal vervolgens nog hoger beroep bij het hof kunnen worden ingesteld. Een dergelijke procesgang is niet in lijn met de bedoeling van de wetgever.

2.14.
De omstandigheid dat de beslissing van de deelgeschilrechter een voorbehoud bevat, maakt het voorgaande niet anders. Dit voorbehoud doet niets af aan de gebondenheid van de bodemrechter aan de beslissing van de deelgeschilrechter in dit geval, want het houdt enkel verband met de externe onzekere omstandigheid of psychiater Sno zich bereid en in staat verklaart nader onderzoek te doen. Mocht dit niet het geval blijken te zijn, dan brengt de beslissing in deelgeschil van 12 januari 2022 mee dat alsnog een andere psychiater zal moeten worden ingeschakeld en heeft Achmea geen belang meer bij de bodemzaak, noch bij hoger beroep tegen de deelgeschilbeslissing.

Verlof wordt verleend

2.15.
Op grond van voorgaande overwegingen en om redenen van proceseconomie zal de rechtbank het gevraagde verlof verlenen voor het instellen van tussentijds hoger beroep tegen de deelgeschilbeslissing van 12 januari 2022. ECLI:NL:RBOBR:2022:3423