Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb Den Haag 130416 ambtenaar gemeente komt ten val tijdens werkzaamheden; verzoek obv art 7:658; ambtshalve vraag of civiele rechter ontvankelijk is

Rb Den Haag 130416 ambtenaar gemeente komt ten val tijdens werkzaamheden; verzoek obv art 7:658; ambtshalve vraag of civiele rechter ontvankelijk is

2 De feiten

2.1.
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] , is met ingang van 1 november 1991 in dienst getreden bij de (buitendienst van) de gemeente als (vrachtwagen)chauffeur.

2.2.
Op het terrein van de Gemeente waarvan de buitendienst voor haar werkzaamheden gebruik maakt bevindt zich een ‘oliehok’ (ook washok genoemd). Medewerkers van de buitendienst, waaronder [verzoeker] , betreden regelmatig het ‘oliehok’ in verband met hun werkzaamheden. In het ‘oliehok’ bevond zich een opslagtank voor olie, een elektronisch schakelpaneel dat met een code geactiveerd diende te worden om buiten een vrachtwagen te kunnen tanken en een haspel met spuitstuk die werd gebruikt om de vrachtwagens buiten, op de wasplaats, te wassen.

2.3.
[verzoeker] draagt tijdens zijn werkzaamheden door de gemeente verstrekte veiligheidsschoenen met een anti slipzool.

2.4.
De gemeente heeft een Risico-inventarisatie en -evaluatie op laten maken door Humatix RIE Manager. Het onderzoek is gestart op 31 augustus 2009 en de rapportage is gedateerd op 25 januari 2010.

2.5.
Op 22 maart 2010 heeft [verzoeker] zijn huisarts geconsulteerd in verband met klachten aan zijn rechterpols naar aanleiding van een ongeval tijdens zijn werk op 10 november 2009. In het huisartsenjournaal is in verband met het bezoek op 22 maart 2010 opgenomen: “
S 4 mnd na trauma (retroflexie straal) pijn radiair
S rechterpols
O enige zwelling distale radius; drukpijn tabetiere
P Naar: rontgologie; incl navicualeresie; als
P rontgen gb naar FT”
In 2010 is hij op advies van de huisarts in behandeling gegaan van een fysiotherapeut; na blijvende klachten is hij in september 2010 verwezen naar een orthopedisch chirurg, [A] . In een patiëntbrief van 21 oktober 2010 heeft [A] onder meer vermeld dat “Patient is gezien door collega [B] in verband met aanhoudende pijnklachten aan deradiaire zijde van de rechter pols. De klachten zijn ontstaan na een val op de pols. Rontgenonderzoek heeft een forse degeneratie laten zien van het radiocarpale gewricht. Er is sprake van een SLAC wrist.(…)”. [verzoeker] is geplaatst op een wachtlijst voor een operatie, meer specifiek een “intercarpale artrodese (4-corner fusie) met een resectie van het os scaphoideum rechts”.

2.6.
Op 13 december 2010 heeft de direct leidinggevende, [C] , met [verzoeker] een ongevallenregistratieformulier opgemaakt, waarin - onder meer - is opgenomen:
“ONGEVALSGEGEVENS
Datum ongeval: 10 november Tijdstip: 8.15 uur
Locatie van het ongeval (nauwkeurig omschrijven)
[onleesbaar] …. in het oliehok
(…)
2. OMSCHRIJVING VAN DE WERKZAAMHEDEN TEN TIJDE VAN HET ONGEVAL
Hij was op deze lokatie i.v.m. aftanken vrachtauto.
(…)
4. HEEFT HET SLACHTOFFER LETSEL
Ja
5. WELK( E ) LICHAAMSDEEL/-DELEN ZIJN GEWOND
Polsbreuk rechterarm
6. WAT IS DE AARD VAN HET LETSEL
(…)
anders, nl.: botbreuk
(…)
7. HOE IS DE EERSTE BEHANDELING VAN HET LETSEL VERLOPEN
(…)
anders, nl.: is in april naar de huisarts gegaan (gebroken in november zonder dat hij het zelf wist, is in april naar de huisarts gegaam i.v.m.[onleesbaar] … v/d pols geconstateerd botbreuk.
8. HEEFT DE GETROFFENE DE WERKZAAMHEDEN MOETEN STAKEN
Nee
(…)
10. WAT IS DE VERMOEDELIJKE OORZAAK VAN HET ONGEVAL
Verzuim van veiligheidsregels er lag zeep op de grond
(…)
11. WAARDOOR KON HET ONGEVAL ONTSTAAN
(…)
anders, nl: omdat kan lek was gegaan.
12. HOE IS HET ONGEVAL IN DE TOEKOMST TE VOORKOMEN
Dit is gekomen door lekkage van een kan zeepsop. Is overmacht
13. TOELICHTING DOOR GETROFFENE
kan iedereen overkomen gezien de situatie die is aangegeven.
14. TOELICHTING DOOR DIRECT LEIDINGGEVENDE
Er wordt wekelijks alles schoongemaakt en dagelijks gecontroleerd”
Het Ongevallenregistratieformulier is op 13 december 2010 ondertekend door [verzoeker] , [C] en, op onbekende datum, door een preventiemedewerker.

2.7.
[verzoeker] is in januari 2011 geopereerd aan zijn rechterpols. Naderhand is er dystrofie geconstateerd in die pols.

2.8.
Tijdens een werkoverleg van de buitendienst van 27 januari 2011 is als “wat verder ter tafel komt” verzocht om de hogedrukslang te vervangen voor het schoonmaken van de vrachtwagen. Gezegd is dat de slang al vervangen is.

2.9.
[verzoeker] heeft zich vanaf 18 januari 2011 arbeidsongeschikt gemeld voor zijn werk als vrachtwagenchaffeur vanwege handklachten. Hij heeft gedurende een periode een Ziektewetuitkering ontvangen en daarna een WIA-uitkering. Hij heeft er op enig moment voor gekozen vervroegd met pensioen te gaan en is dientengevolge uit dienst getreden.

2.10.
[verzoeker] heeft de Gemeente bij brief van 16 augustus 2011 aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden en nog te lijden schade als gevolg van een door hem op 10 november 2009 overkomen bedrijfsongeval. De Gemeente heeft bij monde van Achmea, aansprakelijkheid van de hand gewezen.

2.11.
Op verzoek van [verzoeker] en na verweer van de Gemeente en Achmea, heeft de rechtbank Breda bij beschikking van 31 maart 2014 een voorlopig getuigenverhoor gelast. Als getuigen zijn gehoord [verzoeker] zelf en zijn echtgenote [D] , verpleegkundige, [C] , Teamhoofd buitendienst, [E] , Toezichthouder, [F] , Chauffeur, [G] , Ondersteunend medewerker, [H] , Onderhoudsmedewerker, [I] , ambtenaar, [J] , planner, werkvoorbereider, allen in dienst bij de Gemeente en [K] , een gepensioneerd voormalige medewerker bij de Gemeente.

3 Het geschil

3.1.
[verzoeker] verzoekt bij wijze van deelgeschil ex artikel 1019w-1019cc Rv dat de rechtbank:
zal beslissen dat de gemeente aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] heeft geleden ten gevolge van de val op 10 november 2009 te Moerdijk;
zal beslissen dat Achmea de schade rechtsreeks aan [verzoeker] dient te voldoen op basis van de directe actie ex artikel 7:954 BW;
de (juridische) kosten van het deelgeschil van [verzoeker] zal begroten ex artikel 6:96 BW jo artikel 1019aa Rv en de gemeente en Achmea zal veroordelen dat bedrag aan [verzoeker] te voldoen.

3.2.
[verzoeker] legt aan zijn verzoek - samengevat en zakelijk weergegeven - ten grondslag dat hij op 10 november 2009 in het “oliehok” van de gemeente ten val is gekomen. Volgens [verzoeker] is de gemeente aansprakelijk voor het hem overkomen ongeval en de daaruit voortvloeiende schade op grond van artikel 6:174 BW, artikel 6:181 BW, artikel 7:658 BW, artikel 6:170 BW, dan wel artikel 6:162 BW.

3.3.
De verzocht vergoeding van kosten van het deelgeschil bedraagt € 5.725,46. Dit bedrag is opgebouwd uit de door de advocaat van [verzoeker] gemaakte kosten, bestaande uit gewerkte uren (15,58 uur á € 275,- per uur =) € 4.284,50, vermeerderd met 5% kantoorkosten á € 214,23 en € 944,73 BTW en daarnaast het griffierecht van € 282.

3.4.
De Gemeente voert verweer.

3.5.
Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover relevant, verder worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.
[verzoeker] is ambtenaar geweest. Het verzoek van [verzoeker] is mede gebaseerd op artikel 7:658 BW. De Gemeente heeft opgemerkt dat die bepaling in dezen niet van toepassing is omdat artikel 7:615 BW de toepasselijkheid uitsluit voor personen die in dienst zijn van - onder andere - een gemeente. Beide partijen lijken er echter van uit te gaan dat de gewone burgerlijke rechter (in dit geval: de deelgeschillenrechter) het verzoek van [verzoeker] , ook voor zover gebaseerd op (analoge) toepassing van artikel 7:658 BW kan beoordelen. De rechtbank heeft redenen om de ontvankelijkheid, mede in het licht van deze grondslag van het verzoek van [verzoeker] , voor zover nodig ambtshalve aan de orde te stellen.

4.2.
De rechtbank stelt voorop dat indien er voor een ambtenaar een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat c.q. heeft opengestaan, hij in een civiele procedure niet ontvankelijk moet worden verklaard (Hoge Raad 28 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0527, NJ 1992, 687).

4.3.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 oktober 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BJ6020, NJ 2010, 52) geoordeeld (in 5.3) dat de - in die zaak betrokken - benadeelde het recht heeft zijn vordering tegen de gemeente wegens onrechtmatig handelen van haar ondergeschikte aan de burgerlijke rechter voor te leggen, nadat de gemeente hem te kennen heeft gegeven geen aansprakelijkheid te erkennen. Hieraan staat volgens de Hoge Raad niet in de weg dat die benadeelde als ambtenaar van de gemeente ook de bestuursrechtelijke weg had kunnen (ver)volgen, nu de bestuursrechter (nog) geen oordeel over de gevorderde schadevergoeding had gegeven.

4.4.
Dit oordeel van de Hoge Raad betreft niet de vraag of de weg naar de burgerlijke rechter voor de ambtenaar ook openstaat in die gevallen dat hij schadevergoeding claimt uit hoofde van zijn rechtspositie, doch daaraan niet een (eerder door de rechter vernietigd) besluit ten grondslag legt. Advocaat-Generaal Spier wijst er in zijn conclusie (in 4.36) voorafgaand aan laatstgenoemd arrest van de Hoge Raad op dat materiële vragen nopens de aansprakelijkheid voor overheidshandelen niet (zonder meer) tevens kunnen worden voorgelegd aan de civiele rechter indien de bestuursrechter bevoegd is. Daarbij doelt hij op aansprakelijkheid op publiekrechtelijke grondslag (daaronder in voorkomende gevallen begrepen analoge toepassing van bepalingen van burgerlijk recht).

4.5.
Gelet op het vorenstaande en onder verwijzing naar de arresten van het gerechtshof Leeuwarden van 14 december 2010 en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 maart 2015 (ECLI:NL:GHLEE:2010:5904 respectievelijk ECLI:NL:GHARL:2015:2261) is de rechtbank voorshands van oordeel dat artikel 7:658 BW geen civielrechtelijke grondslag kan opleveren op grond waarvan de burgerlijke rechter de aansprakelijkheid van de Gemeente als werkgever tegenover [verzoeker] als ambtenaar kan baseren. In artikel 7:615 BW is wettelijk geregeld dat dit artikel niet geldt voor personen in overheidsdienst. Dat de Centrale Raad van Beroep dit artikel analoog toepast wanneer een overheidsdienst als werkgever aansprakelijk wordt gesteld, maakt niet dat de burgerlijke rechter artikel 7:615 BW kan negeren. [verzoeker] heeft voorts zijn verzoek mede gestoeld op het algemene onrechtmatige daadsartikel 6:162 BW, maar - met het gerechtshof Leeuwarden - is de rechtbank van oordeel dat artikel 7:658 BW hierin niet kan worden ingelezen.

4.6.
Alvorens verder te beslissen, verzoekt de rechtbank partijen dan ook om zich uit te laten ontvankelijkheid van [verzoeker] voor zover zijn verzoek gebaseerd is op (de analoge toepassing van) artikel 7:658 BW. ECLI:NL:RBDHA:2016:4717