Zoeken

Inloggen

Artikelen

RBAMS 170120 toedracht onduidelijk maar één bestuurder reed te hard; omkeringsregel van toepassing; aansprakelijkheid aangenomen.

RBAMS 170120 toedracht onduidelijk maar één bestuurder reed te hard; omkeringsregel van toepassing; aansprakelijkheid aangenomen.

locatie ongeval: goo.gl/maps

3 Beoordeling
in conventie en reconventie

3.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zal de kantonrechter deze gezamenlijk behandelen.

3.2.
Partijen hebben onder verwijzing naar de overgelegde stukken ieder een andere lezing gepresenteerd van de aanrijding op 12 januari 2019. [eiser] heeft gesteld dat hij op de bewuste dag met zijn auto over de Pieter Calandlaan in oostelijke richting reed. Ter hoogte van de Koos Vorrinkweg passeerde hij een groen stoplicht, sloeg links af, reed over de aldaar gelegen trambaan en sloeg vervolgens nogmaals linksaf om zijn route op de Pieter Calandlaan in westelijke richting te vervolgen. Volgens [eiser] was hij geheel gekeerd en reed hij op de Pieter Calandlaan ter hoogte van nummer 202 toen hij in zijn achteruitkijkspiegel plots zag dat [gedaagde] hem met zeer hoge snelheid van achteren naderde. Volgens [eiser] moet [gedaagde] door een rood stoplicht hebben gereden. [gedaagde] probeerde [eiser] van de rechterkant in te halen, maar “schampte” hem in de rechterflank van zijn auto. [eiser] werd hierdoor met zijn auto tegen een verkeerspaaltje, dat zich aan de linkerkant van de Pieter Calandlaan bevindt, gedrukt.

3.3.
[gedaagde] heeft deze gang van zaken betwist. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij over de Pieter Calandlaan ter hoogte van de Koos Vorrinkweg in de westelijke richting reed, toen [eiser] over de trambaan reed en de Pieter Calandlaan op wilde rijden. [eiser] kwam op dat moment van de linkerkant, zodat hij [gedaagde] , die op de doorgaande weg en door groen licht reed, voorrang diende te verlenen. Dit heeft hij echter niet gedaan volgens [gedaagde] . [gedaagde] kon niet meer uitwijken voor [eiser] , die op dat moment nog aan het keren was op het bewuste kruispunt, en raakte met de linkervoorkant van zijn auto de rechterzijkant van de auto van [eiser] , aldus [gedaagde] .

3.4.
Het voorgaande maakt dat voor de kantonrechter thans niet vaststaat wat er werkelijk is gebeurd op 12 januari 2019. Wat wel vaststaat is dat [gedaagde] vlak voor de aanrijding te hard heeft gereden. Dit volgt uit de verklaring van [eiser] en uit de getuigenverklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 4] en [getuige 5] die alle vier in het bijzonder de hoge snelheid van de Lexus benadrukken (“extreem hoge snelheid”, “hele hoge snelheid”, “best wel hoge snelheid” en “met niet normale hoge snelheid”). Daarbij komt dat ook [gedaagde] zelf, zowel op het aanrijdingsformulier als ter zitting, heeft aangegeven 60 km per uur te hebben gereden terwijl ter plaatse 50 km per uur is toegestaan. De getuigenverklaring van [getuige 3] dat [gedaagde] “ongeveer 50” reed is niet specifiek en ook overigens onvoldoende om de hiervoor genoemde verklaringen te ontkrachten.

3.5.
Het overtreden van de maximumsnelheid levert een overtreding op van de in het verkeer geldende regels en is daarmee, in geval die gedraging heeft geleid tot een verkeersongeval, een onrechtmatige gedraging jegens de overige verkeersdeelnemers. Op grond van artikel 19 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 moet een bestuurder in staat zijn het door hem bestuurde voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is. Verder bepaalt artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1995 dat het een ieder is verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd. Hieruit vloeit de ongeschreven norm voort dat een weggebruiker zijn snelheid dient aan te passen aan de concrete omstandigheden.

3.6.
Het rijden binnen de maximumsnelheid is een belangrijke verkeersnorm die strekt tot voorkoming van specifiek gevaar, te weten het gevaar dat zich een verkeersongeval voordoet. Wanneer deze norm wordt overtreden en er ontstaat een aanrijding, dan wordt in beginsel aangenomen dat de aanrijding het gevolg is van de overschrijding van de maximumsnelheid (causaal verband) en wordt een onrechtmatige daad aangenomen. Daarbij kan het zelfs zo zijn dat het niet verlenen van voorrang juridisch zonder gevolgen blijft.

3.7.
Vaststaat dat [gedaagde] met de gevoerde snelheid van ten minste 60 km per uur ten minste 10 km per uur harder heeft gereden dan ter plaatse is toegestaan. De kantonrechter is van oordeel dat een overschrijding van de snelheid met 10 km per uur in de concrete omstandigheden van dit geval als te hoog en daarmee als gevaarzettend moet worden bestempeld. Daarbij speelt mee dat het donker was (rond 23:45 uur in januari), [gedaagde] een kruispunt naderde, en er ook volgens de eigen stellingen van [gedaagde] ten minste één andere auto op het kruispunt aanwezig was (namelijk de linksafslaande Mercedes van [eiser] ) zodat geen sprake was van een geheel verlaten kruispunt. Het verkeersgedrag van [gedaagde] heeft jegens [eiser] daarmee als gevaarzettend en derhalve als onrechtmatig te gelden, hetgeen hem ook valt te verwijten en is toe te rekenen. [gedaagde] heeft hiertegenover aangevoerd dat de verklarende factor in het ontstaan van de aanrijding het niet verlenen van voorrang door [eiser] is geweest. [gedaagde] zou echter bij een aangepaste snelheid meer tijd hebben gehad om op de situatie in te spelen, omdat zijn eigen reactiemogelijkheden worden vergroot als hij minder hard had gereden. Voorts zou de remweg en de stopafstand korter zijn geweest, hetgeen volgt uit de door beide partijen overgelegde tabellen. Nu gesteld noch gebleken is dat de aanrijding ook zonder het gevaarzettend handelen van [gedaagde] zou hebben plaatsgevonden, staat het causaal verband tussen de aanrijding en het onrechtmatig handelen door [gedaagde] vast. Het algemene bewijsaanbod dat [gedaagde] heeft gedaan zal worden gepasseerd, aangezien dit niet is toegespitst op het ontzenuwen van dit causaal verband. Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven of [gedaagde] door rood heeft gereden, zoals [eiser] heeft gesteld maar [gedaagde] heeft betwist.

3.8.
Met hetgeen is overwogen onder r.o. 3.7 staat vast dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade voor zover deze schade aan het onrechtmatig handelen van [gedaagde] kan worden toegerekend. [gedaagde] heeft de omvang van deze schade en de gevorderde wettelijke rente niet betwist en evenmin betwist dat de schade het gevolg is van de aanrijding. Dit betekent dat de vorderingen van [eiser] weergegeven onder 2.1 sub a en b worden toegewezen. De kantonrechter ziet geen aanleiding om, zoals gevorderd door [eiser] onder 2.1 sub b, laatste zin (de overige schade nader op te maken bij staat) toe te wijzen nu [eiser] niet heeft gesteld dat er naast de premieverhoging nog andere schade geldeden is. Dit deel van de vordering wordt dan ook afgewezen.

3.9.
Gelet op het bovenstaande zal de in reconventie gevorderde verklaring voor recht worden afgewezen. Nu is vastgesteld dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [eiser] als gevolg van de aanrijding heeft geleden is de conclusie die aan de gevorderde verklaring ten grondslag ligt (namelijk dat aan de zijde van [gedaagde] niet blijkt van enige aansprakelijkheid voor de door [eiser] geclaimde schade en dat [gedaagde] geen eigen schuld kan worden verweten) onjuist en kan in het midden blijven of sprake was van een voorrangsfout van [eiser] .

buitengerechtelijke incassokosten

3.10.
[eiser] vordert in conventie vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 883,71. Deze vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. De kantonrechter zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn daarom toetsen aan de eisen voor dergelijke vorderingen zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal. Voldaan dient te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. In dit geval is niet gebleken dat niet aan dit vereiste is voldaan en [gedaagde] heeft dat ook niet aangevoerd, zodat de kantonrechter de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal toewijzen. ECLI:NL:RBAMS:2020:87

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies