Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb Midden-NL 091215 tijdens achteruit inrijden van parkeervak in botsing met voertuig dat wegrijdt uit parkeervak; 50% aansprakelijk

Rb Midden-NL 091215 tijdens achteruit inrijden van parkeervak in botsing met voertuig dat wegrijdt uit parkeervak; 50% aansprakelijk;
- kosten gevorderd obv 10 uur x € 270,00 , toegewezen obv 50% x 10 uur x € 225,00 + 21% + 6% + griffierecht

2 De feiten

2.1.[VERZOEKER] is op 29 oktober 2011 als bestuurder van een auto betrokken geraakt bij een aanrijding op de Nieuwe Binnenweg te Rotterdam. [VERZOEKER] wilde achteruit inparkeren, op een langs de weg gelegen parkeerhaven. Haar auto is daarbij in aanraking gekomen met de auto van [BESTUURDER], die een aan de overzijde van de weg gelegen parkeerhaven verliet en daarbij op de weghelft van [VERZOEKER] terechtkwam. De auto van [VERZOEKER] heeft, daarbij schade opgelopen aan de linker achterzijde en de auto van [BESTUURDER], een bij ASR verzekerd voertuig, aan de linker voorzijde.

2.2. De Politie Rotterdam-Rijnmond heeft van de aanrijding proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal geeft de verklaringen van [BESTUURDER] en [VERZOEKER] - voor zover hier van belang - als volgt weer:

"Hij verklaarde dat hij zojuist uit een parkeervak wilde wegrijden in de richting van de 's Gravendijkwal te Rotterdam en dat hij hierbij een aanrijding had gehad met een ander motorvoertuig welke op dat moment achteruit reed.

De verklaring van [VERZOEKER]:

"Ter hoogte van huisnummer 334 wilde zij achteruit een parkeervak inrijden. Vervolgens zag zij dat de bestuurder van de Volkswagen Golf plotseling met zijn voertuig op haar zijde van de rijbaan stond waardoor zij een aanrijding niet kon voorkomen"

3. Het verzoek 
3.1.[VERZOEKER] verzoekt dat de rechtbank voor recht verklaart dat ASR volledig aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval dat haar op 29 oktober 2011 is overkomen.

3.2. [VERZOEKER) legt aan haar verzoek ten grondslag dat [BESTUURDER] zich bij het uitrijden van de parkeerhaven niet heeft gehouden aan de verkeersregel dat een bestuurder zoveel mogelijk op de eigen weghelft moet blijven en bij het passeren van die weghelft het verkeer dat zich op die andere weghelft bevindt, zoveel mogelijk voor moet laten gaan. Volgens [VERZOEKER] is er geen sprake van eigen schuld aan haar zijde, omdat zij zich er bij het 
achteruitrijden voldoende van heeft vergewist dat zich op haar weghelft geen verkeer bevond dat zij voor moest laten gaan. [VERZOEKER] stelt dat zij in het geheel niet heeft bijgedragen aan bet ontstaan van het ongeval. Als [BESTUURDER] op zijn weghelft was gebleven had het ongeval zich niet voorgedaan. Ter onderbouwing van haar stelling heeft zij een verklaring overgelegd van 20 juli 2014 van Y.S.B, [GETUIGE INZITTENDE] die naast haar in de auto zat en een aanvullende verklaring van [GETUIGE INZITTENDE] van 25 oktober 2015.

3.3. ASR heeft aangevoerd dat [VERZOEKER] niet heeft aangetoond dat er enig letsel is als gevolg van het ongeval, zodat de deelgeschilprocedure op dit geschil niet van toepassing is. 
Inhoudelijk heeft ASR naar voren gebracht dat zij de aansprakelijkheid voor de aanrijding heeft aanvaard, maar dat zij zich beroept op eigen schuld van [VERZOEKER], met een percentage van 50%.

4 De beoordeling

4.1. De deelgeschilprocedure kan worden gevoerd in geval er sprake is van een geschil over de aansprakelijkheid voor schade door dood of letsel. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van ASR dat [VERZOEKER] niet heeft aangetoond dat zij letsel heeft opgelopen. 
ASR verbindt hieraan ook niet de consequentie dat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Daarbij heeft [VERZOEKER] de dag na de aanrijding de spoedeisende hulp bezocht. De rechtbank zal daarom, in het kader van de vraag of sprake is van een deelgeschil, er veronderstellenderwijs van uitgaan dat [VERZOEKER] bij het ongeval enig letsel heeft opgelopen. De aansprakelijkheidsvraag kan in dit deelgeschilprocedure aan de orde komen.

4.2. Nu ASR de aansprakelijkheid heeft erkend is zij in beginsel verplicht de schade van [VERZOEKER] als gevolg van de aanrijding te vergoeden. Met haar stelling dat er sprake is van eigen schuld van [VERZOEKER] beroept ASR zich op de in artikel 6: 101 BW gegeven regel dat als de schade mede een gevolg is van eert omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, een afweging van de wederzijdse causaliteit moet plaatsvinden om te bepalen hoe de schade over de benadeelde en de aansprakelijke moet worden verdeeld. 

4.3. De rechtbank beschikt over voldoende stukken om een oordeel te kunnen geven over de toedracht van de aanrijding, zodat nadere bewijslevering door middel van getuigen niet noodzakelijk is. Uit het proces-verbaal van de politie blijkt niet dat [VERZOEKER] stilstond tijdens de aanrijding. De rechtbank hecht meer belang aan de verklaring van [VERZOEKER] die direct na de aanrijding door de politie is opgenomen, dan aan de verklaring van [GETUIGE INZITTENDE] dat [BESTUURDER] tegen [VERZOEKER] is aangereden. Deze verklaring is pas opgemaakt op 25 oktober 2015, dus in het kader van het reeds aanhangige deelgeschil en in aanvulling op een eerdere verklaring van [GETUIGE INZITTENDE] waarin zij slechts heeft verklaard dat zij op het moment dat [VERZOEKER] wilde inparkeren een harde knal hoorde en voelde. Daar komt bij dat [VERZOEKER] ter zitting over de toedracht van de aanrijding heeft verklaard dat zij achteruit reed en de klap hoorde. Of [BESTUURDER] tijdens de aanrijding stilstond (hetgeen [VERZOEKER] heeft betwist), kan niet meer worden vastgesteld, maar acht de rechtbank niet van doorslaggevend belang. De rechtbank gaat ervan uit dat de auto's tegen elkaar aan zijn gereden, waarbij [VERZOEKER] achteruit reed en [BESTUURDER] zich niet op zijn eigen weghelft bevond, maar op de weghelft van [VERZOEKER].

4.4. [BESTUURDER] heeft zich op de verkeerde weghelft begeven en heeft niet opgemerkt dat een auto op die weghelft achteruit aan het inparkeren was.

4.5. Bij het achteruitrijden om te gaan inparkeren diende [VERZOEKER] zich er steeds van te vergewissen of zij het andere verkeer niet hinderde. Daarom moest zij, niet alleen bij aanvang van deze manoeuvre, maar ook tijdens het uitvoeren daarvan, in haar achteruitkijkspiegel en zijspiegels blijven controleren of zich geen verkeer achter of opzij van haar bevond. Daarbij diende zij op alle verkeer te letten, dus ook op een auto die onverwacht vanaf de andere zijde van de weg gedeeltelijk op haar weghelft terecht was gekomen. De stelling van [VERZOEKER] dat zij zich aan de regels voor het uitvoeren de manoeuvre heeft gehouden en dat zij, zoals zij ter zitting desgevraagd heeft verklaard, in haar achteruitkijkspiegel heeft gekeken, in de buitenspiegel en over haar schouder achterom heeft gekeken en daarbij geen achteropkom end verkeer heeft gezien, laat onverlet dat zij de auto van (BESTUURDER] niet (op tijd) beeft gezien. De bevestiging in de verklaring van [GETUIGE INZITTENDE] dat [VERZOEKER] en ook [GETUIGE INZITTENDE) zelf goed hebben opgelet kan daar niet aan afdoen. Daar komt bij dat [VERZOEKER] ter zitting ook heeft verklaard dat zij bezig was met parkeren en op de parkeerhaven lette en dat haar aandacht op het moment dat ze de klap hoorde en voelde, op die kant van de weg was gericht.

4.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bestuurders tegen elkaar aan zijn gereden, terwijl zij beiden bezig waren met het uitvoeren van een bijzondere manoeuvre waarbij voorrang verleend moet worden en die bijzondere oplettendheid vergde. De rechtbank is van oordeel dat beide bestuurders bij het uitvoeren van deze bijzondere manoeuvre een fout hebben gemaakt die ieder voor de helft heeft bijgedragen aan het ontstaan van de aanrijding.

4.7.De rechtbank gaat voorbij aan het argument van (VERZOEKER] dat [BESTUURDER] de rijbevoegdheid was ontzegd. Anders dan [VERZOEKER] betoogt leidt het feit dat [BESTUURDER] ten tijde van de aanrijding niet over een geldig rijbewijs beschikte er op zich zelf niet toe dat alle schuld van de aanrijding aan hem moet worden toegerekend en [VERZOEKER] geen eigen schuld kan worden verweten. 

4.8. Het oordeel dat [VERZOEKER] voor de helft heeft bijgedragen aan het ontstaan van de aanrijding leidt er toe dat de schadevergoedingsverplichting van ASR in beginsel wordt verminderd met 50%. In beginsel, omdat de rechter op grond van de billijkheid tot een andere verdeling kan komen of kan bepalen dat de aansprakelijkheid volledig in stand blijft of geheel vervalt. Voor een dergelijke correctie ziet de rechtbank echter geen grond. De enkele opmerking van [VERZOEKER] dat er onder omstandigheden rekening moet worden gehouden met de billijkheidscorrectie, aangezien [VERZOEKER] letsel heeft opgelopen waardoor onder andere vertraging is opgetreden in de voortgang van de studie, acht de rechtbank te vaag om aan te merken als een gefundeerd beroep op de billijkheidscorrectie. Ook in de overige feiten en omstandigheden ziet de rechtbank geen grond om tot een andere verdeling van de schade te komen.

www.wetdeelgeschillen.info