Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb Midden-NL 200416 val met scooter door ontwijken fietser; geen overmacht; reflexwerking, causale verdeling 90/10

Rb Midden-NL 200416 val met scooter door ontwijken fietser; geen overmacht; reflexwerking, causale verdeling 90/10, geen toepassing billijkheidscorrectie;
- kosten gevorderd en begroot op 10 uren x € 150,00 + 6% + 21% + griffierecht; toegewezen rekening houdend met 10% eigen schuld, totaal € 1.932,21

locatie ongeval: www.google.nl/maps

2 De feiten

2.1.
Op 10 augustus 2014 reed [verzoekster] op haar scooter op de Gezichtslaan, een voorrangsweg, in Bilthoven. Rond 23:00 uur is zij ten val gekomen, doordat zij plotseling moest remmen om [verweerder] , die op de fiets reed, te ontwijken en een aanrijding te voorkomen. [verweerder] kwam vanaf de Albert Cuyplaan en reed de Gezichtslaan op, waarbij hij het stopbord en de stopstreep op de Albert Cuyplaan heeft genegeerd. 
[verweerder] reed op een onverlichte fiets. Het wegdek was nat.

2.2.
[verzoekster] heeft door het ongeval letsel opgelopen.

2.3.
[verweerder] was ten tijde van het ongeval niet WA verzekerd.

3 Het deelgeschil

3.1.
[verzoekster] verzoekt de kantonrechter:
primair voor recht te verklaren dat [verweerder] voor 100% aansprakelijk is voor de schade van [verzoekster] als gevolg van het haar op 10 augustus 2014 overkomen ongeval;
subsidiair de omvang van de aansprakelijkheid van [verweerder] als gevolg van het ongeval te bepalen;
[verweerder] te veroordelen tot betaling van een voorschot op de materiële en immateriële schade van [verzoekster] ter grootte van € 3.000,00, althans een zodanig bedrag dat de kantonrechter in goede justitie juist acht;
de kosten van dit deelgeschil te begroten op € 2.144,90, althans een zodanig bedrag dat de kantonrechter in goede justitie juist acht en [verweerder] te veroordelen tot betaling van de kosten.

3.2.
Aan dit verzoek legt [verzoekster] ten grondslag dat zij als gevolg van het ongeval materiële en immateriële schade lijdt waarvoor [verweerder] op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk is. [verzoekster] reed op haar scooter op de Gezichtslaan in Bilthoven. De Gezichtslaan is een voorrangsweg. Het ongeval is ontstaan doordat [verweerder] , komend vanaf de Albert Cuyplaan, geen voorrang heeft verleend. [verweerder] heeft het stopbord genegeerd. Hij reed bovendien op een niet verlichte fiets en is met grote (fiets)snelheid de Gezichtslaan opgereden. Om [verweerder] te ontwijken, althans een aanrijding te voorkomen moest [verzoekster] plotseling remmen waardoor zij is gevallen en haar enkel heeft gebroken. [verzoekster] is, naar het zich laat aanzien, blijvend ongeschikt voor haar werk als Eerste Verantwoordelijke Verzorgende.

3.3.
[verweerder] voert gemotiveerd verweer.

3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, indien en voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.
Partijen verschillen van mening over de vraag in welke mate [verweerder] aansprakelijk is voor de gevolgen die het ongeval voor [verzoekster] heeft.

4.2.
Bij de beoordeling van dit geschilpunt stelt de kantonrechter het volgende voorop. 
Bij het ongeval op 10 augustus 2014 waren een gemotoriseerde en een ongemotoriseerde verkeersdeelnemer betrokken. Voor deze situatie is in principe artikel 185 Wegenverkeerswet (WVW) geschreven. Omdat [verzoekster] , als gemotoriseerde verkeersdeelnemer, schadevergoeding vordert van [verweerder] , die ongemotoriseerd was, moet een ander echter beoordeeld worden aan de hand van artikel 6:162 BW, waarbij geldt dat artikel 185 WVW wel reflexwerking heeft.
De reflexwerking van artikel 185 WVW houdt in, dat bij een aanrijding tussen een motorrijtuig en een fietser waarbij schade wordt toegebracht aan de bestuurder van het motorrijtuig of aan het motorrijtuig zelf, de schade, óók als de fietser schuld heeft aan de aanrijding, in beginsel voor een gedeelte voor rekening blijft van de eigenaar van het motorrijtuig, behalve als er sprake is van overmacht aan de zijde van de gemotoriseerde (zie onder meer HR 6 februari 1987, NJ 1988, 57 ([naam]) en HR 4 mei 2001, NJ 2002, 214 ([naam] / [naam])). Het antwoord op de vraag voor wélk gedeelte, hangt af van de causaliteitsafweging en eventuele billijkheidscorrectie die in het kader van artikel 6:101 lid 1 BW dient te worden gemaakt. Daaruit kán voortvloeien dat de gehele schade van de gemotoriseerde door de ongemotoriseerde moet worden vergoed. 
De door Hoge Raad in het kader van artikel 185 WVW en de kwalificatie van overmacht ontwikkelde 100%-regel en 50%-regel zijn niet van overeenkomstige toepassing in deze situatie.

4.3.
[verzoekster] is van mening dat [verweerder] de schade die zij als gevolg van het ongeval lijdt volledig moet vergoeden, omdat haar een beroep toekomt op overmacht. [verzoekster] vindt dat haar van het ongeval rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt. [verzoekster] reed op een voorrangsweg, zij voerde verlichting op haar scooter en in verband met de naderende drempel en kruising had zij snelheid geminderd. Omdat het donker was heeft ze onvoldoende kunnen anticiperen op de onverlichte fietser [verweerder] die de kruising opreed. Zij heeft door plotsklaps te remmen gedaan wat zij kon doen om schade (letsel) bij [verweerder] te voorkomen.

4.4.
Volgens vaste jurisprudentie slaagt een beroep op overmacht alleen als aan de bestuurder van het motorvoertuig rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt van de wijze waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen, omdat het ongeval uitsluitend is te wijten aan fouten van een ander, welke fouten voor de bestuurder zo onwaarschijnlijk zijn dat de bestuurder bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid naar redelijkheid geen rekening behoefde te houden. Dit betekent dat men er in het verkeer in het algemeen niet op mag vertrouwen dat iedere verkeersdeelnemer zich nauwgezet aan de verkeersregels houdt en dat men zich zodanig moet gedragen dat een adequate reactie op onvoorzichtig gedrag van anderen mogelijk blijft.
Wat betreft het criterium ‘rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt’ gaat het er niet om of [verzoekster] ‘in redelijkheid geen verwijt valt te maken’ of dat haar ‘menselijkerwijs’ iets te verwijten valt. Als in juridisch opzicht aan [verzoekster] enig verwijt te maken valt, hoe gering ook, faalt het beroep op overmacht.

4.5.
Met [verweerder] is de kantonrechter van oordeel dat geen sprake is van overmacht aan de zijde van [verzoekster] . Zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder 4.4. is overwogen, is niet snel sprake van overmacht. Vaststaat dat [verweerder] bij de kruising Gezichtslaan/Albert Cuyplaan diende te stoppen en dus voorrang diende te verlenen aan verkeer op de Gezichtslaan. Dit heeft hij nagelaten. Het niet verlenen van voorrang is echter niet een zo onwaarschijnlijke fout dat [verzoekster] daarmee bij het bepalen van haar verkeersgedrag in redelijkheid geen rekening hoefde te houden. Hierbij wordt betrokken dat [verzoekster] de situatie ter plaatse kende. Ook het feit dat [verweerder] geen verlichting voerde op zijn fiets is niet zo onwaarschijnlijk dat van [verzoekster] niet kan worden gevergd dat ze daarmee rekening hield. Zoals de kantonrechter ook hiervoor al overwoog dient bij deelname aan het verkeer ook rekening te worden gehouden met minder oplettende verkeersdeelnemers die zich niet volledig volgens de in het verkeer geldende regels gedragen. Het eigen verkeersgedrag moet zodanig zijn dat een adequate reactie op onvoorzichtig gedrag van anderen mogelijk blijft. De kantonrechter neemt hierbij in aanmerking dat de omstandigheid dat [verzoekster] , zoals zij zelf stelt, plotsklaps moest remmen voor [verweerder] (die volgens haar kwam aanstormen op zijn onverlichte fiets) en door dit plotselinge remmen is geslipt en ten val is gekomen, niet uitsluit dat het verkeersgedrag van [verzoekster] - mogelijk - niet zodanig was dat zij voldoende heeft geanticipeerd op en zich rekenschap heeft gegeven van verkeersdeelnemers die haar geen voorrang zouden verlenen en/of zonder verlichting deelnamen aan het verkeer. [verzoekster] had met andere woorden haar snelheid zodanig moeten minderen dat zij, rekening houdend met dergelijke verkeersfouten, haar scooter tijdig en zonder te vallen tot stilstand kon brengen. Het beroep van [verzoekster] op overmacht gaat dus niet op.

4.6.
Nu het beroep op overmacht niet slaagt moet beoordeeld worden voor welk deel de vordering van [verzoekster] toewijsbaar is op grond van de causaliteitverdeling en/of de billijkheidcorrectie (artikel 6:101 BW). Bij de causaliteitsverdeling wordt de schade verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Het gaat dus om de vraag in welke mate enerzijds het weggedrag van [verweerder] op de fiets en anderzijds de manier van rijden door [verzoekster] op haar scooter aan het ontstaan van het ongeval hebben bijgedragen. Verwijtbaarheid speelt bij deze verdeling geen rol.
De verkeersfout van [verweerder] , het niet verlenen van voorrang door een stopbord te negeren, weegt zwaar. Ook het feit dat zijn fiets niet verlicht was, heeft bijgedragen aan het ongeval. Andere verkeersdeelnemers zien hem daardoor in het donker immers niet (tijdig), in elk geval later dan in het geval wel licht gevoerd wordt. Daartegenover staat dat [verzoekster] klaarblijkelijk onvoldoende heeft kunnen anticiperen op de fouten van [verweerder] . Andere verwijten kunnen [verzoekster] naar het oordeel van de kantonrechter niet worden gemaakt. Zo is bijvoorbeeld niet gebleken dat [verzoekster] harder reed dan de ter plaatse toegestane snelheid.
De aan [verzoekster] in het kader van de causaliteitsafweging toe te rekenen omstandigheid valt bijna geheel weg ten opzichte van de aan [verweerder] toe te rekenen omstandigheden. Dit leidt tot de slotsom dat de fout van [verweerder] voor 90% aan het ontstaan van de schade heeft bijgedragen en de rijwijze van [verzoekster] voor 10%. Aan het standpunt van [verweerder] dat 50% van de schade voor rekening van [verzoekster] komt, gaat de kantonrechter dus voorbij. Zoals hiervoor onder 4.4 is overwogen is de 50%-regel in de onderhavige situatie niet van toepassing.

4.7.
Vervolgens komt de kantonrechter toe aan de vraag of de zogenoemde billijkheidscorrectie een andere verdeling eist dan de causale verdeling 90%-10% zoals die hiervoor is vastgesteld. Voor toepassing van deze correctie moet het gaan om de aanwezigheid van specifieke, individuele factoren die tot gevolg hebben dat de billijkheid in dit concrete geval een andere verdeling eist dan de uitkomst van de beoordeling op basis van de causaliteit. Daarbij moet rekening worden gehouden met de ernst en de mate van verwijtbaarheid van de over en weer gemaakte fouten en met alle andere omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het letsel en het al dan niet verzekerd zijn van de eigenaar/bestuurder van het motorrijtuig en de aansprakelijk gestelde ongemotoriseerde. Gelet op de ernst en verwijtbaarheid van de verkeersfouten van [verweerder] afgezet tegen het rijgedrag van [verzoekster] , ziet de kantonrechter geen aanleiding voor een nadere billijkheidscorrectie. Evenmin vormt de ernst van het letsel, een gebroken enkel, en het feit dat [verweerder] niet voor aansprakelijkheid verzekerd was, aanleiding om tot een andere verdeling te komen. Dergelijke omstandigheden zijn overigens noch door [verweerder] expliciet aangevoerd, noch door [verzoekster] uitdrukkelijk gesteld. Dit betekent dat [verweerder] 90% van de schade van [verzoekster] moet vergoeden en dat 10% van de schade voor rekening van [verzoekster] moet blijven.

4.8.
Uit het vooroverwogene volgt dat de verzochte verklaring voor recht in zoverre zal worden toegewezen, dat voor recht verklaard wordt dat [verweerder] aansprakelijk is voor 90% van de schade van [verzoekster] als gevolg van het ongeval op 10 augustus 2014.

ECLI:NL:RBMNE:2016:2610