Overslaan en naar de inhoud gaan

RBAMS 190718 ongeval tussen auto en snorscooter die de auto rechts had ingehaald; automobilist aansprakelijk, geen eigen schuld

RBAMS 190718 ongeval tussen auto en snorscooter die de auto rechts had ingehaald; automobilist aansprakelijk, geen eigen schuld;
- kosten gevorderd obv € 250,- per uur + kantoorkosten; begroot en toegewezen 18 × € 225,- + btw + griffierecht

De feiten

2.1.
Op [datum] 2015 op of omstreeks 13:30 uur heeft op de [adres] te [plaats] een ongeval plaatsgevonden. [verzoekster] reed op haar scooter (een Piaggo N/A met kenteken [kenteken 1] ) en is ter hoogte van de [adres] onder de auto van [verweerster sub 2] (een Jeep Compas met kenteken [kenteken 2] , hierna: de auto) terechtgekomen. [verweerster sub 2] is met haar rechter voorwiel over [verzoekster] heengereden. [verzoekster] is vervolgens onder de auto knel komen te zitten. De brandweer heeft de auto met behulp van een hydraulische spreider ‘opgekrikt’ en [verzoekster] onder de auto vandaan gehaald. Als gevolg van het ongeval heeft [verzoekster] letsel opgelopen (onder andere acht gebroken ribben, een gescheurde nekwervel en een geperforeerde long).

2.2.
[verweerster sub 2] is tegen het risico van wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij ASR.

2.3.
Op [datum] 2015 is [verweerster sub 2] als verdachte door de politie gehoord. Zij heeft, voor zover van belang, het volgende verklaard:

(…) Ik reed weg van de [adres] en ging linksaf de [adres] in. Ik reed daar rustig, omdat daar altijd kinderen spelen. Het was rustig. Er was geen enkel verkeer, er was helemaal niets. Ik reed richting het [adres] . Bij de volgende zijstraat (…) hoorde ik een gil. Ik stapte uit en ik liep om de auto heen. Ik zag een scooter naast mijn auto liggen en ik zag dat er iemand onder mijn auto lag. Ik hoorde geen knal of iets dergelijks. De scooter had een fel blauwe kleur. Dit valt op en ik heb deze scooter niet gezien.

Toen ik een gil hoorde, remde ik direct en ik had het gevoel alsof ik ergens tegen aan reed. Mijn snelheid was denk ik 30 km p/u, ik rijd altijd heel langzaam. Ik weet echt niet waar ze vandaan is gekomen.

(…)

V: Ben u bekend in deze omgeving?

A: Ja. Daarom weet ik ook dat iedereen over de stoep rijdt.

(…)

V: Kon u de wegsituatie goed overzien?

A: Het was rustig op de weg en het was droog.

(…)

V: Wanneer zag u de andere betrokkene voor het eerst en eventuele rijrichting?

A: Pas toen ik uitstapte. Ik zag alleen het onderlichaam. (..) Wat mij opviel is dat de scooter met het voorwiel tegen de stoep aan lag. Ik dacht dat ze misschien uitgegleden was, omdat de hele stoeprand vol lag met bladeren.

(..)

V: Hoe is volgens u de aanrijding veroorzaakt?

A: Ik heb geen idee. Ze was er niet. Als ze in de straat had gereden had ik haar gezien. Er was helemaal niemand. Ook de mensen die er later bij kwamen waren er niet. Toen ik dat wieltje van de scooter zag en de bladeren, dacht ik dat ze misschien is uitgegleden en zo onder mijn auto is gekomen. Ik weet het niet, want ik heb haar niet gezien.”

2.4.
[verweerster sub 2] heeft enkele weken na het ongeval telefonisch contact gehad met [verzoekster] .

2.5.
[verzoekster] is op [datum] 2016 door de politie gehoord. Zij heeft, voor zover van belang, onder meer het volgende verklaard:

(…) Ik reed die middag op mijn snorscooter (…) over de [adres] en ik kwam uit de richting van de [adres] en ik wilde rechtdoor in de richting van het [adres] .(…)

Ik kwam van mijn werk. Ik werk op [adres] en ik was op weg naar het [adres] .

Voor mij zag ik een hoge zwarte auto rijden. Ik zag dat deze auto heel rustig reed. Achter het stuur zat een mevrouw met net gekapt haar en een bontjas. Ik bleef achter deze mevrouw rijden.

Ik zag dat ze voor twee a drie verkeersdrempels stil ging staan. Vanuit stilstand reed ze heel voorzichtig over deze drempels. (…) De ruimte tussen haar en de geparkeerde auto’s was te krap om haar rechts te kunnen passeren, dus ik bleef achter haar rijden. (…)

Bij ongeveer de derde drempel is er voor mij ruimte om haar te passeren omdat ze meer naar het midden rijdt. Ik passeer haar dan ook met normale snelheid.

Toen ik haar auto voorbij was en met de achterzijde van mijn Piaggio gelijk was met de voorzijde van haar auto ben ik onderuit gegleden over een partij bladeren over de weg.

Ik heb niet geremd, ik reed gewoon en met lage snelheid. Ineens gleed ik weg en schoof over het wegdek door richting het midden van de weg dan wel richting auto.

Ik was volledig bij kennis en ik zag en voelde dat ik richting rechter voorwiel en de rest van de voorkant van de auto gleed.

Ik zag en voelde dat het rechtervoorwiel over mijn lichaam reed. (…)

Ik voelde dat de auto stil stond terwijl het wiel op mijn lichaam stond. Ik gilde.

Ik zag en voelde en hoorde dat de auto gas gaf en verder wilde rijden. Ik gilde weer omdat ik overtuigd was door het achterwiel te worden geraakt. Dat is gelukkig niet gebeurd. (…)

2.6.
[verweerster sub 2] heeft op [datum] 2015 een schriftelijke verklaring afgelegd waarin is vermeld:

De hele gebeurtenis heeft zich achter mij en buiten mijn gezichtsveld voltrokken. Ik reed met mijn auto midden op de weg recht vooruit over een hoge verkeersdrempel met een verwaarloosbare snelheid, toen ik een harde gil hoorde en direct op mijn rem stond. Toen ik om de auto liep zag ik een vrouw onder mijn auto voor het rechterachterwiel liggen en haar scooter op zij van haar. Er lagen veel bladeren op de weg.

2.7.
De Dienst Regionale Recherche, Forensische opsporing, VerkeersOngevallenAnalyse (hierna: dienst VOA) heeft onderzoek gedaan naar het ongeval. In het proces-verbaal van de dienst VOA staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

(…) 2.3.1 Onderhoud weg

Ten aanzien van de weg en de wegbeheerder hebben wij vastgesteld dat er geen omstandigheden aanwezig waren die de oorzaak, gevolgen of de toedracht van het ongeval, zouden kunnen hebben beïnvloed. Wel zagen wij afgevallen bladeren in en nabij de goot op het wegdek liggen.

(…)

2.4.1
Wegdek

(…)

Het wegdek van de [adres] was droog.

2.5.
Aangetroffen sporen en (eindpositie) voertuigen

Toen wij ter plaatse kwamen, zagen wij dat de personenauto stil stond en dat er collega’s op hun hurken naast de personenauto zaten. Wij zagen dat er iemand onder de personenauto lag. Hieruit concluderen wij dat de personenauto nog in zijn eindpositie stond.

(…)

2.5.1.
Sporen op het wegdek

Wij zagen op het wegdek meerdere krassporen. Wij zagen dat deze krassporen parallel liepen aan de rijrichting van de beide voertuigen. Ook zagen wij krassporen achter de personenauto.

(Foto uit rapport)

De krassporen welke achter de personenauto werden aangetroffen zijn ontstaan tijdens de hulpverlening [de rechtbank begrijpt door de hydraulische spreider die is gebruikt om de auto op te krikken]

(…)

Interpretatie en analyse

(…)

3.4
Toedracht, oorzaak en gevolg

Naar aanleiding van het door ons ingestelde onderzoek en de aangetroffen sporen konden wij het volgende reconstrueren : Beide bestuurders bereden de [adres] , komende uit de richting van de [adres] en gaande in de richting van het [adres] .

Gezien de aan de onderzijde van de personenauto, vóór het rechtervoorwiel aangetroffen veegspoor, concluderen wij dat de bestuurder van de bromfiets vóór de personenauto reed en op enig moment ten val moet zijn gekomen. De bestuurder van de personenauto is met het rechtervoorwiel over de bestuurder van de bromfiets heengereden en kwam met haar voertuig tot stilstand voordat het rechterachterwiel over de bestuurder van de bromfiets heen zou rijden.

Omdat wij op beide voertuigen géén sporen van een aanrijding hebben aangetroffen, concluderen wij dat beide voertuigen niet met elkaar in aanrijding zijn gekomen.

Waarschijnlijk hebben de bladeren op het wegdek, in de goot, een aandeel gehad in het ten val komen van de bromfiets. (…)”.

2.8.
Door de politie zijn onder meer de volgende foto’s gemaakt.

Het deelgeschil

3.1.
[verzoekster] verzoekt - samengevat - dat de rechtbank bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat ASR namens [verweerster sub 2] aansprakelijk is voor het ongeval en gehouden is de volledige materiële en immateriële schade die [verzoekster] heeft geleden, lijdt en nog zal lijden, te vergoeden,
II. ASR veroordeelt in de kosten buiten rechte en de kosten van dit geding.

3.2.
[verzoekster] stelt - kort weergegeven - dat [verweerster sub 2] een gevaarlijke verkeerssituatie heeft veroorzaakt doordat zij onzorgvuldig heeft gereden en niet heeft opgelet. Volgens [verzoekster] reeds zij op de [adres] vanaf de [adres] achter [verweerster sub 2] . [verweerster sub 2] reed langzaam en stond een aantal keer nagenoeg stil voordat zij over een verkeersheuvel reed, waardoor [verzoekster] steeds moest afremmen. Volgens [verzoekster] reed [verweerster sub 2] op een gegeven moment meer naar het midden van de weg, waardoor [verzoekster] de indruk had en mocht hebben dat [verweerster sub 2] haar de ruimte bood om te passeren. [verzoekster] stelt dat, toen zij de auto passeerde, [verweerster sub 2] weer naar rechts heeft gestuurd en gas heeft gegeven, waarbij de rechterbuitenspiegel van de auto de linkerspiegel van de scooter heeft geraakt en [verzoekster] ten val is gekomen en voor het rechtervoorwiel van de auto terecht is gekomen, waarna [verweerster sub 2] haar heeft overreden. [verweerster sub 2] heeft [verzoekster] al die tijd in het geheel niet opgemerkt, waaruit volgt dat zij niet de vereiste oplettendheid in acht heeft genomen. Als gevolg van dit onzorgvuldig en onrechtmatig handelen van [verweerster sub 2] heeft [verzoekster] schade opgelopen. ASR is als WAM-verzekeraar voor deze schade aansprakelijk, aldus steeds [verzoekster] .

3.3.
Verweersters voeren verweer. Zij betwisten dat [verzoekster] al langere tijd achter [verweerster sub 2] reed. [verweerster sub 2] stelt dat zij tijdens het rijden meermaals in haar zijspiegels en achteruitkijkspiegel heeft gekeken en daarbij geen enkel verkeer heeft gezien. Zij stellen dat [verweerster sub 2] midden op de weg reed en niet naar rechts heeft gestuurd. De foto (zie 2.7) geeft niet de positie van de auto ten tijde van het ongeval aan, want [verweerster sub 2] heeft haar auto na het ongeval op verzoek van de politie verplaatst. Uit het proces-verbaal van de dienst VOA volgt dat er geen aanrijding tussen de auto en de scooter heeft plaatsgevonden. Verweersters betwisten dat de spiegels van de auto en de scooter elkaar hebben geraakt. Verweerster stellen zich op het standpunt dat [verzoekster] moet zijn uitgegleden over de bladeren die aan de kant van de weg lagen en op die manier onder de auto is terechtgekomen.

3.4.
Op stellingen van partijen wordt, voor zover van belang, hierna nader ingegaan.

De beoordeling

Toedracht van het ongeval

4.1.
Tussen partijen is in geschil wat de toedracht van het ongeval is geweest en met name hoe [verzoekster] met haar scooter ten val is gekomen.

4.2.
De rechtbank overweegt het volgende. De dienst VOA heeft in haar proces-verbaal geconstateerd dat beide bestuurders de [adres] bereden, komende uit de richting van de [adres] (zie hiervoor onder 2.7). [verzoekster] heeft voorts consequent verklaard dat zij vanuit haar werk aan het [adres] , dat zich verderop op de [adres] bevindt, via de [adres] over de [adres] richting het [adres] reed. Zij heeft daarbij in haar verklaring specifiek over het rijgedrag van [verweerster sub 2] verklaard, namelijk dat [verweerster sub 2] langzaam reed en voor twee à drie verkeersdrempels stil ging staan om daar vervolgens voorzichtig over heen te rijden. Dit gedrag heeft [verzoekster] enkel kunnen constateren als zij achter [verweerster sub 2] reed. Verder weegt mee dat, als [verzoekster] niet achter [verweerster sub 2] reed, het onduidelijk is waar [verzoekster] dan wel vandaan zou moeten zijn gekomen. [verweerster sub 2] heeft verklaard dat zij weet dat in die buurt iedereen over de stoep rijdt, maar heeft niet te kennen gegeven dat [verzoekster] over de stoep reed. Gelet op al deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien acht de rechtbank bewezen dat [verzoekster] in ieder geval vanaf de [adres] achter [verweerster sub 2] heeft gereden. Ter zitting heeft [verzoekster] onbetwist gesteld dat dit een afstand van ongeveer 160 meter tot de plaats van het ongeval is.

[verweerster sub 2] heeft niet betwist dat zij langzaam reed en voor verschillende verkeersdrempels nagenoeg stil ging staan. Evenmin heeft [verweerster sub 2] betwist dat zij ter hoogte van de [adres] in het midden van de straat reed.

4.3.
Ten aanzien van de vraag hoe [verzoekster] met haar scooter ten val is gekomen wordt het volgende overwogen. Het proces-verbaal van de dienst VOA moet, gezien de brief van de politie van [datum] 2016 aan de advocaat van [verzoekster] , worden gelezen tegen de achtergrond van de twee werkhypotheses die bij de analyse zijn gebruikt. De eerste hypothese, waarin [verzoekster] linksaf wilde slaan de [adres] in en de bestuurder van de auto haar niet tijdig heeft opgemerkt, is in ieder geval niet juist. Vaststaat immers dat [verzoekster] haar weg rechtdoor wilde vervolgen.

In de tweede hypothese wordt ervan uitgegaan dat de auto tijdens het passeren te weinig afstand van de scooter heeft gehouden en dat daardoor de aanrijding is ontstaan. Naar aanleiding van deze hypothese heeft de dienst VOA geconcludeerd dat de auto en de scooter niet met elkaar in aanrijding zijn gekomen. Die conclusie betekent echter niet dat de auto en de scooter elkaar niet kunnen hebben geraakt. Uit de hiervoor onder 2.8 opgenomen foto’s blijkt dat de dienst VOA de auto en de scooter naast elkaar hebben geplaatst om te kijken of die elkaar hebben geraakt. Op de foto’s is te zien dat de verbalisant met de pen een plekje aanwijst dat zich op de achterzijde van de rechter buitenspiegel van de auto exact ter hoogte van het puntje van de linkerspiegel van de scooter bevindt. Uit die omstandigheid leidt de rechtbank af dat, hoewel dat op de foto’s moeilijk te zien is, op de achterkant van de rechter buitenspiegel van de auto een beschadiging zit. Indien dat namelijk niet het geval zou zijn, zouden er geen foto’s zijn genomen waarop speciaal met de pen een plekje wordt aangewezen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de auto en de scooter elkaar met de spiegels hebben geraakt en dat [verzoekster] daardoor ten val is gekomen. [verweerster sub 2] heeft nog gesteld dat indien de spiegels elkaar hebben geraakt, het niet mogelijk is dat [verzoekster] voor het voorwiel van de auto is terechtgekomen. Deze stelling wordt verworpen. De door de verbalisant aangewezen beschadiging bevindt zich immers aan de achterzijde van de rechter buitenspiegel van de auto. Daaruit volgt dat de spiegel van de scooter zich voor de spiegel van de auto moet hebben bevonden. Dit strookt met de verklaring van [verzoekster] dat zij [verweerster sub 2] aan het passeren was (en derhalve een hogere snelheid had dan [verweerster sub 2] ) toen [verweerster sub 2] (vanuit nagenoeg stilstand) weer meer naar rechts stuurde en gas gaf. In dat scenario is het heel goed mogelijk dat [verzoekster] na het raken van de spiegels ten val is gekomen voor de auto.

4.4.
De rechtbank acht het niet waarschijnlijk dat [verzoekster] met haar scooter ten val is gekomen doordat zij is uitgegleden over de op de weg liggende bladeren. Dat dit - zoals verweersters hebben gesteld - wel het geval zou zijn, volgt immers niet onomstotelijk uit het proces-verbaal van de dienst VOA. Daarin wordt slechts geconcludeerd dat de bladeren waarschijnlijk een aandeel hebben gehad in het ten val komen van de scooter. In het proces-verbaal wordt bovendien verder nog geconstateerd dat ten aanzien van de weg geen omstandigheden aanwezig waren die de toedracht van het ongeval kunnen hebben beïnvloed. Voorts is op de foto’s geen spoor in de bladeren te zien waaruit kan worden afgeleid dat [verzoekster] is geslipt. Verder staat vast dat het wegdek en de bladeren ten tijde van het ongeval droog waren en dat, zoals op de foto’s kan worden waargenomen, geen sprake was van een dik bladerdek. Onder die omstandigheden valt niet in te zien hoe [verzoekster] , die met een geringe snelheid reed en niet heeft geremd, zou kunnen zijn geslipt. De omstandigheid dat [verzoekster] tegenover de politie heeft verklaard dat zij onderuit is gegleden over een partij bladeren, doet hier niet aan af. Vaststaat immers dat zij voor het afleggen van die verklaring met [verweerster sub 2] heeft gesproken en pas nadat haar verklaring was opgenomen de foto’s (zie 2.8) van de dienst VOA heeft gezien. Gelet daarop is het heel goed mogelijk dat [verzoekster] door het gesprek met [verweerster sub 2] is beïnvloed en heeft gereconstrueerd dat zij over de bladeren moet zijn uitgegleden, terwijl dat niet het geval is.

Aansprakelijkheid van [verweerster sub 2]

4.5.
Uit het voorgaande blijkt dat [verzoekster] in ieder geval gedurende een afstand van 160 meter achter [verweerster sub 2] heeft gereden. Als [verweerster sub 2] - zoals zij heeft gesteld - geregeld in haar spiegels zou hebben gekeken, moet zij [verzoekster] zeker hebben gezien. Uit de omstandigheid dat zij heeft verklaard [verzoekster] in het geheel niet te hebben gezien (ook niet toen [verzoekster] haar passeerde), kan worden afgeleid dat zij niet de vereiste oplettendheid in acht heeft genomen die in het verkeer van verkeersdeelnemers wordt verwacht. Ook is het mogelijk dat [verweerster sub 2] haar spiegels niet op de juiste wijze had afgesteld. In beide gevallen betekent dit dat [verweerster sub 2] in het verkeer dermate onzorgvuldig heeft gehandeld dat sprake is van onrechtmatig handelen. Derhalve is zij aansprakelijk voor het ongeval.

4.6.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zelfs indien de toedracht van het ongeval anders zou zijn geweest en [verzoekster] op een andere wijze ten val zou zijn gekomen, [verweerster sub 2] aansprakelijk kan worden gehouden voor het ongeval. Ook als [verzoekster] door een andere omstandigheid ten val zou zijn gekomen, had het ongeval niet plaatsgevonden als [verweerster sub 2] de nodige oplettendheid in acht had genomen. In dat geval had zij namelijk opgemerkt dat [verzoekster] achter haar reed en haar rechts passeerde en is het aannemelijk dat zij, nu zij volgens haar eigen verklaring nagenoeg stilstond dan wel heel langzaam reed, bij een val van [verzoekster] tijdig had kunnen remmen.

4.7.
[verzoekster] heeft verzocht dat de rechtbank voor recht verklaart dat ASR als optredende partij namens [verweerster sub 2] aansprakelijk is voor het ongeval. Dat verzoek kan niet worden toegewezen. ASR is immers niet zelf aansprakelijk, maar op grond van artikel 6 van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM) gehouden de schade te vergoeden die haar verzekerde heeft veroorzaakt. De rechtbank begrijpt echter dat [verzoekster] heeft bedoeld te verzoeken dat voor recht voor verklaard dat [verweerster sub 2] aansprakelijk is en dat ASR gehouden is de schade die [verzoekster] ten gevolge van het ongeval heeft geleden en nog zal lijden te vergoeden. De verzochte verklaring voor recht zal op die wijze worden toegewezen.

Eigen schuld?

4.8.
Verweersters hebben zich op het standpunt gesteld dat sprake is van eigen schuld bij [verzoekster] als bedoeld in artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens verweersters had [verzoekster] [verweerster sub 2] niet rechts mogen inhalen. Verder is de eigen schuld van [verzoekster] gelegen in de omstandigheid dat zij over bladeren is gereden en daardoor ten val is gekomen, aldus steeds verweersters.

4.9.
Dit standpunt van verweersters wordt verworpen. Zoals hiervoor reeds is overwogen kan niet worden vastgesteld dat [verzoekster] door de bladeren ten val is gekomen. Het rijden over die bladeren leidt dan ook niet tot de conclusie dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [verzoekster] . Verder is de rechtbank van oordeel dat [verzoekster] in de gegeven situatie [verweerster sub 2] rechts heeft mogen passeren, waarbij wordt opgemerkt dat de rechtbank het passeren van een voertuig niet gelijk stelt aan het inhalen daarvan. [verzoekster] heeft immers verklaard dat [verweerster sub 2] de gehele tijd langzaam reed en voor de verschillende verkeersdrempels steeds stil stond. Dat [verweerster sub 2] op deze wijze reed wordt eigenlijk niet door haar weersproken. Evenmin wordt door [verweerster sub 2] betwist dat zij ter hoogte van de [adres] richting het midden van de straat heeft gestuurd. Ter zitting heeft [verweerster sub 2] verklaard dat zij midden op de weg reed en praktisch stilstond om over de verkeersdrempel te gaan rijden. Onder die omstandigheden mocht [verzoekster] ervan uitgaan dat zij gebruik mocht maken van de ruimte die haar door [verweerster sub 2] werd geboden om de auto rechts te passeren. Dit brengt mee dat geen sprake is van eigen schuld aan de zijde van [verzoekster] , waardoor ASR is gehouden de volledige schade die [verzoekster] als gevolg van het ongeval heeft geleden en te vergoeden.

Buitengerechtelijke kosten

4.10.
Op grond van artikel 1019aa van het Wetboek van Burgerlijker Rechtsvordering (Rv) dient begroting plaats te vinden van de kosten die [verzoekster] in het kader van de deelgeschilprocedure heeft gemaakt. Dit is alleen anders indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is daarvan in het onderhavige deelgeschil geen sprake. Anders dan [verzoekster] heeft gesteld, worden echter uitsluitend de kosten in aanmerking genomen die direct verband houden met de gevoerde deelgeschilprocedure en niet alle overige buitengerechtelijke kosten die zijn gemaakt.

4.11.
Bij de begroting van de kosten dient de rechter de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets te hanteren: het dient redelijk te zijn dat deze kosten zijn gemaakt en de hoogte van deze kosten dient eveneens redelijk te zijn. De rechtbank is van oordeel dat de door de advocaat van [verzoekster] begrote kosten niet aan dit criterium voldoen. De advocaat is immers aspirant-lid van de LSA, waarvoor een uurtarief van € 225,- redelijker wordt geacht dan het door haar gehanteerde uurtarief van € 250,-. Tevens mag van een aspirant-lid van de LSA worden verwacht dat zij de jurisprudentie die voor het onderhavige deelgeschil relevant is, in die mate beheerst dat geen vijf uur nodig is voor jurisprudentieonderzoek. Verder weegt de rechtbank bij de begroting van de kosten mee dat de advocaat (veel) tijd heeft moeten besteden aan het achterhalen van de foto’s van de dienst VOA (zie 2.8). Die bestede tijd wordt geacht direct verband te hebben met het deelgeschil, aangezien die foto’s bij de beoordeling daarvan relevant zijn. Tevens is bij de door de advocaat overgelegde declaratie de tijd die aan het verweerschrift en de mondelinge behandeling is besteed, niet meegenomen. Alles bij elkaar overwegende en gezien de complexiteit van de zaak acht de rechtbank een tijdsbesteding van in totaal 18 uur redelijk. De kantoorkosten worden geacht in het uurtarief te zijn verdisconteerd. Het vastrecht wordt vastgesteld op € 291,-. Dit betekent dat de rechtbank de kosten van het deelgeschil begroot op € 5.191,50 ((18 × € 225,- × 21% btw) + € 291,-). ECLI:NL:RBAMS:2018:6310