Overslaan en naar de inhoud gaan

RBDHA 221222 scooter op fietspad schrikt van auto die rotonde afrijdt en valt door hard remmen; ES 50%; geen billijkheidscorrectie

RBDHA 221222 scooter op fietspad schrikt van auto die rotonde afrijdt en valt door hard remmen; ES 50%; geen billijkheidscorrectie
begroot cf verzoek, doch exclusief kantoorkosten 10 uur x € 225,- + 5 x € 245,00 + 21% x 50% ES = € 2102,35

2
De feiten

2.1.
Op 20 oktober 2018 is [verzoeker] een eenzijdig verkeersongeval (hierna: het ongeval) overkomen. [verzoeker] reed als bestuurder van een scooter op het fietspad over de rotonde aan het [straatnaam 1] te [woonplaats 1] in de richting van het centrum van [woonplaats 1] . Terwijl hij over de rotonde reed wilde [verweerster] , die een personenauto bestuurde, de rotonde afrijden. Zij zou daarbij het fietspad waarop [verzoeker] reed, kruisen. [verzoeker] is geschrokken van de auto van [verweerster] en heeft zo hard geremd dat hij ten val is gekomen. De auto van [verweerster] is gestopt op de haaientanden, maar vóór het fietspad. De auto van [verweerster] en de scooter van [verzoeker] zijn niet tegen elkaar aangereden.

2.2.
Bij het ongeval heeft [verzoeker] letsel opgelopen. Hij heeft zijn linkerelleboog en zijn linkerschouder gebroken.

2.3.
De auto van [verweerster] was voor wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij Achmea. [verzoeker] heeft Achmea aangesproken voor de schade die hij door het ongeval lijdt. Achmea heeft geen aansprakelijkheid erkend.

2.4.
Op verzoek van [verzoeker] hebben er (voorlopige) getuigenverhoren plaatsgevonden.

[verzoeker] zelf heeft als getuige onder meer het volgende verklaard:

Op 20 oktober 2018 reed ik als bestuurder van een scooter over een rotonde aan het [straatnaam 1] in Den Haag . [naam 3] zat bij mij achterop. Volgens mij reed ik 29/30 km/uur.

Toen ik op de rotonde reed zag ik een blauwe [auto] . Ik kan me niet herinneren hoe hard de [auto] reed. Voor zover ik me kan herinneren reed deze [auto] ook rechtdoor over de rotonde. De auto had geen richting aanwijzer aan. Daarom dacht ik ook dat de auto rechtdoor ging, daarmee bedoel ik in de richting van de Haagse Hogeschool. De 2e keer dat ik de auto zag, tevens de laatste keer, toen was de auto precies naast me. Daarmee bedoel ik dat de auto op de haaientanden voor het afslaand verkeer stond. Ik dacht dat hij mij zou aanrijden dus daarom heb ik mijn voor- en achterrem hard ingedrukt om een ongeval te voorkomen. Toen ben ik gevallen.

De heer [naam 3] , die tijdens het ongeval bij [verzoeker] achterop de scooter zat, heeft verklaard:

Op een gegeven moment kwamen we bij de rotonde aan het [straatnaam 1] . We reden met een normale snelheid, daarmee bedoel ik dat we de maximale snelheid niet overschreden. Mijn inschatting is dat we ongeveer 25 à 30 km/uur reden, maar daarbij merk ik wel op dat ik niet de bestuurder was. Dus meer dan deze inschatting kan ik niet geven. Op een gegeven moment, toen we nog net voor de rotonde reden, zag ik in mijn linker oog een auto waarvan ik inmiddels weet dat het een blauwe [auto] is. Een moment later, toen we inmiddels net op de rotonde waren zag ik de auto nog een keer. In mijn beleving reed de auto een beetje snel. Daarmee bedoel ik dat de auto te snel reed met het oog op de verkeerssituatie: op een rotonde moet je stoppen voor het overige verkeer. Ik kan niet inschatten hoe hard de auto reed. Toen ik de auto voor de 2e keer zag, zag ik dat hij geen teken gaf dat hij ging remmen. Ik merkte vervolgens dat de scooter afremde en omviel. Het volgende dat ik me kan herinneren is dat we op de grond lagen.”

[verweerster] heeft als getuige verklaard:

Eenmaal op de rotonde wilde ik rechts afslaan richting de [straatnaam 2] , op dat moment zag ik een scooter met een noodgang aankomen rijden, daar zaten 2 jongens op. Met noodgang bedoel dat de scooter heel snel reed (getuige maakt een geluid pfieuw!), ik denk zeker wel 40 km per uur. Ik kan dat niet op iets concreets baseren en dit was meer mijn idee, mijn gevoel. Het ging echt met een noodgang.

Op de print die als bijlage bij dit verhoor wordt gevoegd teken ik een cirkel met daarin een 1. Dat is het punt waarop ik mij bevond waarop ik de scooter voor het eerst waarnam, Met een kruisje duid ik de plek aan waar ik de scooter op dat moment zag.

rotonde

Ik was dus op de rotonde en wilde afslaan, de versnelling stond in zijn 2, ik denk dat ik 10 a 20 km per uur reed. Ik weet zeker dat de versnelling in zijn 2 stond omdat ik de auto altijd in die versnelling zet als ik afsla. Ik weet 100% nee 1000% zeker dat ik op dat moment met richting aanwijzer aan had staan. Ik kan mij dat herinneren. Toen ik vlak bij de haaientanden was en daadwerkelijk wilde afslaan keek ik over mijn rechterschouder. Toen zag ik de jongens snel dichterbij komen. Toen remde ik. Het was geen noodstop, ik remde zoals ik dat normaal doe. Op dat moment zag ik dat de scooter hard remde. [ ... ] Op het moment dat ik die jongens zag bevond ik mij ongeveer 1 meter voor de haaientanden en volgens mij ben ik toen helemaal gestopt. Ik kan me niet goed herinneren hoe dat is gebeurd. Het kan zijn dat ik daar ben gestopt, het kan zijn dat ik na het remmen de auto nog heb door laten rollen. Ik weet zeker dat ik op tijd ben gaan remmen. Met op tijd bedoel ik dat ik ze zie. Na voorlezing verklaart getuige dat zij zeker weet dat zij voor de haaientanden is gestopt omdat zij normaal heeft geremd en op het beging van de haaientanden terecht is gekomen, wat betekent dat zij een stukje zal zijn doorgerold.”

De heer [naam 4] , die in een auto achter [verweerster] op de rotonde reed, heeft onder meer het volgende verklaard:

Toen ik net op, of halverwege de rotonde was, zag ik een scooter die rotonde opkomen, daarop zaten twee jongens. [ ... ] Op dat moment reed ik denk ik 10 a 15 meter achter een andere auto waarin later [verweerster] bleek te zitten. Ik kende haar tot dat moment niet. Ik zag dat [verweerster] wilde afslaan, dat zag ik omdat zij haar knipperlicht aan had staan en haar auto die richting op stond. Ik durf niet te zeggen of [verweerster] op dat moment stil stond of aan het rijden was. Hierbij wil ik zeggen dat het mij opviel dat die scooter daar reed. Daar let ik altijd op als ik op die rotonde ben. Het is een druk kruispunt waar fietsers en brommers graag hun voorrang nemen. [ ... ] Op dat moment was ik denk ik 8 meter verwijderd van de auto van [verweerster] , ik ben dichterbij de auto gekomen doordat [verweerster] remde. Ik zou niet weten of zij abrupt remde of wat langzamer.

[ ... ]

U vraagt mij naar het rijgedrag van [verweerster] . Zij reed niet bijzonder zacht of hard, gewoon normaal. Ook de scooter reed niet bijzonder hard of zacht, ik denk gewoon de toegestane snelheid (35 km per uur). Als u mij zou vragen hoe dit ongeval is ontstaan denk ik dat het is gebeurd doordat de bestuurder van de scooter een schrikreactie had op het moment dat de auto van [verweerster] op of net over de haaientanden stond. U vraagt mij een paar keer of de auto op of over de haaientanden stond, dat laat ik liever open.”

3
De beoordeling

3.1.
[verzoeker] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil ex artikel 1019w Rv:
I. te verklaren voor recht dat Achmea tegenover [verzoeker] 100%, dan wel een ander door de rechtbank in goede justitie te bepalen percentage, aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval;
II. de kosten van het deelgeschil te begroten op € 4.369,61 te vermeerderen met griffierecht, en Achmea te veroordelen tot betaling van deze kosten.

3.2.
[verzoeker] stelt zich primair op het standpunt dat zijn schrikreactie is toe te rekenen aan [verweerster] , die met haar auto onverwachts, zonder goed te kijken en zonder af te remmen de rotonde wilde verlaten. Voor het geval de rechtbank oordeelt dat [verzoeker] zelf ook schuld heeft aan het ontstaan aan het ongeval, doet [verzoeker] een beroep op de billijkheidscorrectie.

3.3.
Achmea en [verweerster] voeren gemotiveerd verweer. Primair zijn zij van mening dat zij niet aansprakelijk zijn voor de schade van [verzoeker] omdat [verweerster] niet verwijtbaar heeft gehandeld en het ongeval niet heeft veroorzaakt. Subsidiair doen zij een beroep op eigen schuld van [verzoeker] . Zij stellen dat [verzoeker] 100% eigen schuld heeft aan het ontstaan van het ongeval omdat hij een verkeerde inschatting heeft gemaakt en omdat hij te hard reed.

4
De beoordeling

4.1.
De kern van het geschil is of en, zo ja, in hoeverre Achmea en [verweerster] aansprakelijk zijn voor de schade die [verzoeker] door het ongeval heeft geleden en nog zal lijden.

(Vestiging van) aansprakelijkheid

4.2.
[verzoeker] stelt dat [verweerster] onzorgvuldig heeft gehandeld door de kruising met het fietspad onvoldoende voorzichtig te benaderen, toen zij de rotonde wilde verlaten. Hierdoor was het voor [verzoeker] niet duidelijk of [verweerster] voor hem zou stoppen om hem voorrang te verlenen en heeft hij geremd om een aanrijding te voorkomen. Volgens Achmea en [verweerster] is er geen sprake van een (verkeers)fout van [verweerster] . [verweerster] reed met een normale snelheid, heeft richting aangegeven en heeft haar auto tijdig tot stilstand gebracht. Voor zover [verweerster] wel een verkeersfout heeft gemaakt, stellen Achmea en [verweerster] zich op het standpunt dat niet vaststaat dat [verzoeker] daardoor ten val is gekomen.

4.3.
Op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rust op [verzoeker] de bewijslast van de feiten die volgens hem meebrengen dat [verweerster] een verkeersfout heeft gemaakt.

4.4.
[verzoeker] stelt dat [verweerster] hem, toen zij de kruising met het fietspad naderde, niet genoeg heeft laten blijken dat zij hem had gezien en hem voorrang zou verlenen. De rechtbank is dat met [verzoeker] eens en zal hierna uitleggen waarom.

4.5.
De rechtbank stelt voorop dat de verkeerssituatie op een rotonde vaak onoverzichtelijk is en dat verkeersdeelnemers op en rond een rotonde daarom extra oplettend en voorzichtig moeten zijn. Dat geldt ook voor de rotonde waar het ongeval is gebeurd: partijen zijn het met elkaar eens deze rotonde bekend staat om het drukke verkeer.

4.6.
Vaststaat dat [verweerster] , toen zij de rotonde wilde verlaten, voorrang moest verlenen aan [verzoeker] . [verweerster] heeft in het getuigenverhoor het volgende verklaard: “Toen ik vlak bij de haaientanden was en daadwerkelijk wilde afslaan keek ik over mijn rechterschouder. Toen zag ik de jongens snel dichterbij komen. Toen remde ik.” Zij heeft daarbij de plek waarop zij de scooter voor het eerst zag ook aangegeven door op een printje (zie de afbeelding onder 2.4) een cirkel met daarin een 1 te tekenen.

4.7.
De rechtbank constateert dat de plek die [verweerster] op het printje heeft aangeven zich enkele meters van de kruising met het fietspad bevindt. [verweerster] heeft op hetzelfde printje met een kruisje aangetekend waar de scooter zich op dat moment bevond. Ook deze plek is slechts enkele meters van het kruispunt verwijderd. [verweerster] heeft [verzoeker] dus voor het eerst gezien, toen zij beiden vlak bij de kruising waren. Pas toen is [verweerster] gaan remmen. [verweerster] is naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven situatie onvoldoende oplettend en voorzichtig geweest, door pas vlak vóór de kruising met het fietspad over de schouder te kijken en vervolgens (toen zij [verzoeker] zag) te remmen. Doordat zij pas op die plek voor het eerst naar het overige verkeer keek, heeft zij [verzoeker] pas laat gezien en hem daarom ook niet kunnen laten merken dat zij hem voorrang zou verlenen. Dit is een verkeersfout die haar valt toe te rekenen. Zij is uiteindelijk ook pas op de haaientanden, vlak voor het fietspad tot stilstand gekomen. Onder deze omstandigheden is de schrikreactie van [verzoeker] waardoor hij is gaan remmen goed begrijpelijk (het zag er immers naar uit dat [verweerster] door zou rijden). Die schrikreactie kan [verweerster] worden verweten.

4.8.
Kortom: [verweerster] had volgens de rechtbank eerder naar het overige verkeer moeten kijken en moeten remmen. Dat zou anders zijn, als [verzoeker] zich zó onvoorzichtig heeft gedragen, dat [verweerster] daarmee geen rekening hoefde te houden. Daarbij geldt dat automobilisten in zekere mate rekening moeten houden met onvoorzichtig gedrag en verkeersfouten van andere weggebruikers. In dit geval zijn er echter geen aanwijzingen dat [verzoeker] reed op een manier waarop [verweerster] niet hoefde te rekenen. Zo is niet gebleken dat [verzoeker] sneller reed dan wettelijk is toegestaan: [verweerster] is de enige die heeft verklaard dat [verzoeker] snel reed. Ook verder is niet komen vast te staan (en overigens ook niet gesteld) dat [verzoeker] dingen deed, waarmee [verweerster] geen rekening kon houden.

4.9.
Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat [verweerster] gezien de verkeerssituatie onvoldoende voorzichtig en oplettend is geweest bij het verlaten van de rotonde en dus een verkeersfout heeft gemaakt. Dit betekent dat Achmea als verzekeraar van [verweerster] de schade van [verzoeker] door het ongeval moet vergoeden.

Eigen schuld

4.10.
Achmea en [verweerster] voeren verder als verweer dat [verzoeker] eigen schuld heeft aan het ongeval. Op grond van artikel 150 Rv moeten Achmea en [verweerster] voldoende feiten en omstandigheden stellen (en, bij betwisting door [verzoeker] , bewijzen) waaruit die eigen schuld blijkt.

4.11.
Achmea en [verweerster] stellen dat [verzoeker] een verkeerde inschatting heeft gemaakt en dat hij, hoewel hij wist dat het meestal druk is op deze rotonde, onvoldoende voorzichtig en oplettend is geweest toen hij op de rotonde reed. Daardoor heeft hij abrupt moeten afremmen en is hij gevallen. De rechtbank is dat met Achmea en [verweerster] eens en zal dit hierna toelichten.

4.12.
Ook bij de vraag of [verzoeker] eigen schuld heeft aan het ontstaan van het ongeval, staat voorop dat verkeersdeelnemers op een rotonde extra goed moeten opletten en voorzichtig moeten zijn. Dat geldt ook hier: [verzoeker] heeft verklaard dat hij de rotonde kent en dat het vaker gebeurt dat auto’s zonder richting aan geven afslaan, of dat zij opeens van richting veranderen. [verzoeker] had daarom zijn snelheid zodanig moeten aanpassen dat hij veilig zou kunnen stoppen, ook als hij plotseling zou moeten remmen. Hij wist dat auto’s vaker de fout ingaan op deze rotonde en hij had daarop moeten anticiperen. Dat hij dit niet heeft gedaan, valt hem te verwijten.

4.13.
Ook heeft Achmea gesteld dat [verzoeker] een remfout heeft gemaakt, door vooral met zijn voorrem te remmen, waardoor hij is gevallen. Dat heeft [verzoeker] niet weersproken, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat dat klopt.

4.14.
De rechtbank komt dus tot het oordeel dat het ongeval en schade die daardoor is ontstaan, mede het gevolg is van eigen fouten van [verzoeker] . Er is dus sprake van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 lid 1 BW.

4.15.
Als sprake is van eigen schuld, wordt de schade over de benadeelde ( [verzoeker] ) en de aansprakelijke partij ( [verweerster] /Achmea) verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder van partijen toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Voor de schuldverdeling acht de rechtbank het volgende van belang.

4.16.
Aan [verweerster] kan worden toegerekend dat zij onvoldoende oplettend is geweest bij het verlaten van de rotonde. Zij heeft te laat gekeken of er verkeer op het fietspad reed dat zij voorrang moest verlenen en zij heeft te laat geremd, waardoor zij [verzoeker] niet tijdig heeft laten merken dat zij hem voorrang zou verlenen. Deze omstandigheid heeft naar het oordeel van de rechtbank evenveel bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval als het feit dat [verzoeker] onvoldoende heeft geanticipeerd op de drukke verkeerssituatie op de rotonde (gelet op de omstandigheden) te snel reed, waardoor hij bij plotseling remmen ten val is gekomen. De rechtbank komt wat betreft de verdeling van de wederzijdse causaliteit daarom tot de slotsom dat zowel de aan [verweerster] toe te rekenen omstandigheden als de aan [verzoeker] toe te rekenen omstandigheden voor 50% aan de schade hebben bijgedragen.

Billijkheidscorrectie

4.17.
Tot slot moet de vraag worden beantwoord of de billijkheidscorrectie tot een andere verdeling van de schade leidt. Bij de beantwoording van de vraag of de billijkheid – gelet op de persoonlijke en maatschappelijke belangen die bij het gegeven geval zijn betrokken – een andere verdeling eist, moet rekening worden gehouden met de ernst en de mate van verwijtbaarheid van de over en weer gemaakte fouten en met alle andere omstandigheden van het geval, waaronder de gevolgen van het ongeval en de ernst daarvan.

4.18.
De rechtbank stelt vast dat het verwijt dat [verweerster] kan worden gemaakt niet zo ernstig is, dat dit aanleiding geeft tot het toepassen van de billijkheidscorrectie. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat sprake is van een eenzijdig ongeval omdat [verweerster] haar auto nog voor het fietspad tot stilstand heeft kunnen brengen.

[verzoeker] heeft ter onderbouwing van zijn beroep op de billijkheidscorrectie verder gewezen op de ingrijpende impact van het ongeval en de ernst van zijn letsel. Hij heeft zijn stellingen op dit punt echter niet verder toegelicht. Hoewel het de rechtbank ter zitting duidelijk is geworden dat [verzoeker] met name bij de invulling van zijn vrije tijd gehinderd wordt door de klachten aan zijn linkerschouder, ziet de rechtbank in de stellingen van [verzoeker] geen aanleiding te bepalen dat Achmea meer dan de helft van de schade moet dragen.

Kosten deelgeschil

4.19.
Artikel 1019aa Rv bepaalt dat de rechter de kosten van de deelschilprocedure aan de zijde van de persoon die schade door letsel lijdt begroot, waarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking worden genomen. Hierbij wordt de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd: het moet redelijk zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten moet ook redelijk zijn.

4.20.
[verzoeker] vraagt om de kosten van dit deelgeschil te begroten met inachtneming van een tijdsbesteding van in totaal 15 uren. Het uurtarief van mr. Tekatli bedraagt € 225,-- te vermeerderen met 7% kantoorkosten en 21% btw. Ter zitting heeft mr. [naam 1] hieraan toegevoegd dat hij de zaak onlangs vanwege uitval van mr. Tekatli heeft overgenomen en dat zijn uurtarief € 245,-- exclusief kantoorkosten en btw bedraagt.

4.21.
Achmea en [verweerster] hebben bezwaar gemaakt tegen de kostenopgave van [verzoeker] . Volgens hen moet het aantal aan de zaak bestede uren worden gematigd, omdat de zaak niet heel complex is. Verder stellen zij dat het gehanteerde uurtarief niet redelijk is omdat mr. Tekatli geen gespecialiseerd letselschadeadvocaat is. Tot slot betogen zij dat de unt dat de kantoorkosten niet zijn onderbouwd en dat deze worden geacht te zijn begrepen in het uurtarief.

4.22.
Hoewel geen sprake is van een complex deelgeschil, acht de rechtbank de door mr. Tekatli en mr. [naam 1] opgegeven tijdsbesteding niet onredelijk. Hierbij neemt de rechtbank de ervaring van beide advocaten in aanmerking. Ook het gehanteerde tarief van € 225,-- per uur voor mr. Tekatli en € 245,-- per uur voor mr. [naam 1] acht de rechtbank niet bovenmatig. De rechtbank zal geen rekening houden met kantoorkosten, nu niet gebleken is dat deze feitelijk in deze mate zijn gemaakt.

4.23.
Gezien het voorgaande zal de rechtbank de kosten van deze procedure in redelijkheid begroten op een bedrag van € 4.290,75 (10 uur x € 225,-- + 5 uur x € 245,--, te vermeerderen met 21% btw en met het betaalde griffierecht van € 86,--).

4.24.
Aangezien Achmea voor 50% aansprakelijk is voor de schade, zal Achmea worden veroordeeld om de helft van deze kosten (en dus € 2.145,38) aan [verzoeker] te betalen. ECLI:NL:RBDHA:2022:14788