Overslaan en naar de inhoud gaan

RBGEL 031225 van rechts komende, te hard rijdende bromfietser, in verkeerde rijrichting, veroorzaakt letsel bij automobilist; ES auto 25%

RBGEL 031225 van rechts komende, te hard rijdende bromfietser, in verkeerde rijrichting, veroorzaakt letsel bij automobilist; ES auto 25%
- verwijzing naar schadestaat i.s.m. doel deelgeschilprocedure: dat schade zonder verdere rechterlijke bemoeienis zal worden geregeld
- kosten procedure niet uitgesplitst; begroot op € 660,66 -25% vanwege eigen schuld

1De beoordeling

1.1.

Op 25 augustus 2024 heeft in [plaats] op de gelijkwaardige kruising van de [straat 1] en de [straat 2] een verkeersongeval plaatsgevonden. [verzoeker] reed in een auto op de [straat 1] in westelijke richting. [verweerder 2] reed op een ingevolgde de WAM bij Univé verzekerde bromfiets op de [straat 2] in zuidelijke richting. Op het kruisingsvlak zijn de auto en de bromfiets met elkaar in botsing gekomen. [verweerder 2] kwam voor [verzoeker] van rechts. [verweerder 2] had daar echter niet in die richting mogen rijden op zijn bromfiets. De [straat 2] is een eenrichtingsweg. Daarop mag niet in zuidelijke richting worden gereden, behalve door fietsers.

1.2.

Op 26 augustus 2024 heef [verzoeker] met pijnklachten aan de nek zijn huisarts bezocht. [verzoeker] is wegens pijnklachten in de nek tussen 27 augustus 2024 en 29 april 2025 onder behandeling geweest van een fysiotherapeut.

1.3.

Univé heeft aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. Buiten rechte hebben partijen onderhandeld over de vraag of [verzoeker] eigen schuld heeft aan het ontstaan van het ongeval. Daarover kon geen overeenstemming worden bereikt. [verzoeker] heeft vervolgens aan de rechtbank op de voet van art. 1019w Rv verzocht om voor recht te verklaren dat [verweerder 2] , althans Univé, volledig aansprakelijk is voor schade als gevolg van het ongeval, althans voor een door de rechter te bepalen deel van de schade.

1.4.

Univé stelt dat [verzoeker] aan [verweerder 2] ten onrechte geen voorrang heeft verleend en daarom een deel van de schade zelf moet dragen. Dat bevrijdende verweer slaagt. Zoals in art. 15 lid 1 RVV 1990 is bepaald had [verzoeker] aan [verweerder 2] , een van rechts komende bestuurder, voorrang moeten verlenen. De uitzonderingen die in lid 2 op deze regel worden gemaakt zijn hier niet van toepassing. [verzoeker] had dus aan [verweerder 2] ruimte moeten laten om voorlangs te rijden, te meer nu [verzoeker] naar eigen zeggen pas na de heg zicht had op de [straat 2] . Uit de bewegende beelden van de aanrijding volgt dat [verzoeker] dat niet heeft gedaan. Hij is te ver de kruising opgereden. Dat [verweerder 2] niet uit die richting mocht komen doet er niet aan af dat [verzoeker] hem voorrang had moeten verlenen. Dit volgt uit het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 19 mei 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1384, waarin eigen schuld werd aangenomen van een bestuurder die geen voorrang verleende aan een bestelbus die in de verboden rijrichting reed. Hier komt bij dat [verzoeker] hoe dan ook bedacht had moeten zijn op fietsers van rechts. Zonder deze voorrangsfout was het ongeval niet gebeurd. [verzoeker] schade is dan mede een gevolg van een aan hem toerekenbare omstandigheid.

1.5.

Vervolgens is het de vraag in welke mate de vergoedingsplicht verminderd moet worden. [verweerder 2] heeft twee verkeersfouten gemaakt. In de eerste plaats reed hij tegen de verkeersrichting in (art. 5a lid 1 aanhef en onder j WVW). Dat de verplichte rijrichting met twee borden is aangegeven wil niet zeggen dat [verweerder 2] twee afzonderlijke fouten heeft gemaakt, zoals [verzoeker] heeft bepleit. [verweerder 2] heeft echter ook te hard gereden. [verzoeker] heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld dat [verweerder 2] de maximumsnelheid van 30 km/u heeft overschreden. Dit kan daarom niet worden vastgesteld. Uit de videobeelden blijkt evenwel dat hij wel met onverminderd hoge snelheid op de kruising is afgereden en mede daarom niet tijdig zijn voertuig tot stilstand heeft kunnen brengen. Ook als het klopt dat [verweerder 2] zijn gas heeft losgelaten heeft dat niet tot een wezenlijke snelheidsvermindering geleid. Dit weggedrag is gevaarlijk en in strijd met art. 5 WVW en art. 19 RVV 1990. Voor beide fouten geldt dat het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden als [verweerder 2] deze fouten niet zou hebben gemaakt.

1.6.

De schade van [verzoeker] is dus gevolg van drie verkeersfouten, waarvan er twee aan [verweerder 2] zijn toe te rekenen en een aan [verzoeker] . Evenredige vermindering van de vergoedingsplicht brengt dan mee dat deze tot ⅔ wordt verminderd.

1.7.

Zoals [verzoeker] stelt eist de billijkheid echter een verdergaande vergoedingsplicht. Uit de beelden blijkt dat [verzoeker] weliswaar te ver is doorgereden op de kruising, maar ook dat hij met bescheiden snelheid aan kwam rijden en snel tot stilstand is gekomen toen hij [verweerder 2] gewaar werd. Zoals gezegd heeft [verweerder 2] gevaarlijk rijgedrag vertoond. De kantonrechter weegt daarom de ernst van de fouten van [verweerder 2] wezenlijk zwaarder dan die van [verzoeker] . Verder speelt mee dat [verweerder 2] verzekerd is. Dit alles afwegende stelt de kantonrechter de vergoedingsplicht vast op ¾ van de schade. Voor recht kan dan worden verklaard dat Univé en [verweerder 2] aansprakelijk zijn voor de schade die [verzoeker] lijdt als gevolg van het ongeval en dat zij 75% van deze schade moeten vergoeden. Anders dan [verzoeker] heeft verzocht zal geen verwijzing naar de schadestaat volgen. Dat verzoek is in strijd met het doel van deze deelgeschilprocedure, namelijk dat de schade verder zonder rechterlijke bemoeienis zal worden geregeld.

Kosten

1.8.

[verzoeker] verzoekt Univé te veroordelen in de kosten van de procedure en tevens in de tot op 24 november 2025 gemaakte buitengerechtelijke kosten ad € 4.653,66.

1.9.

Art. 289 Rv, waarin is bepaald dat een proceskostenveroordeling kan worden uitgesproken is hier niet van toepassing, gelet op art. 1019aa lid 3 Rv. De kantonrechter gaat er dan ook vanuit dat [verzoeker] het oog heeft op begroting van zijn kosten bij de behandeling van het verzoek op de voet van art. 1019aa Rv en op een veroordeling tot betaling van deze kosten door Univé.

1.10.

Blijkens de specificatie van de buitengerechtelijke kosten waarvan [verzoeker] vergoeding vordert, zien deze kosten op de werkzaamheden van haar advocaat vanaf het intakegesprek op 27 augustus 2024 tot en met 24 november 2025, de dag waarop de specificatie in het geding is gebracht (12 uur en 54 minuten en € 3.993,00 inclusief btw en daarnaast 2 uur en 6 minuten en € 660,66 inclusief btw voor het opstellen van het onderhavige verzoekschrift op 17 juni 2025). Klaarblijkelijk maken de kosten van [verzoeker] bij de behandeling van dit verzoek onderdeel uit van de buitenrechtelijke kosten waarvan hij vergoeding vordert. In beide gevallen komen voor vergoeding in aanmerking de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en ter verkrijging van voldoening buiten rechte.

1.11.

De advocaat van [verzoeker] hanteert klaarblijkelijk een uurtarief van ongeveer € 310,00 inclusief btw (€ 4.653,66 gedeeld door 15 uur). Dat is een relatief fors tarief. Redelijk is dan te verlangen dat de zaak efficiënt wordt aangepakt.

1.12.

[verzoeker] heeft, behoudens de opgave van de kosten voor het opstellen van het rekest die de kantonrechter redelijk acht, niet uitgesplitst wat de advocaatkosten van de onderhavige procedure zijn. Deze kosten worden daarom zoals verzocht begroot op € 660,66, vermeerderd met € 90,00 aan griffierecht.

1.13.

Univé is aansprakelijk voor de schade. Zij zal daarom veroordeeld worden om de kosten te betalen, met dien verstande dat zij ook van deze schadepost van € 750,66 maar ¾ hoeft te vergoeden, vanwege eigen schuld van [verzoeker] . [verzoeker] heeft niet gesteld dat de billijkheid eist dat tere zake van deze kosten een groter deel wordt vergoed.

1.14.

Wat de overige buitengerechtelijke kosten betreft geldt het volgende. Of de kosten waarvan [verzoeker] vergoeding verlangt redelijk zijn hangt mede af van het belang van de zaak ten gronde. Vast staat dat de buitengerechtelijke werkzaamheden voor een groot deel hebben gezien op het regelen van de zaakschade. De kosten daarvan komen in deze procedure niet voor vergoeding in aanmerking. [verzoeker] heeft ter zitting enig inzicht gegeven in de concrete omvang van de letselschade, maar heeft onvoldoende aanknopingspunten geboden om te kunnen beoordelen welke kosten zien op de letselschade en of de hoogte van het gevraagde bedrag redelijk is. Nu Univé wel heeft erkend buitengerechtelijke kosten verschuldigd te zijn, zal de kantonrechter bij wege van een voorschot op deze kosten een bedrag van € 1.000,00 toewijzen.

1.15.

Deze mondeling uitgesproken beschikking zal niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. [verzoeker] heeft daarbij geen belang. Tegen de beschikking staat geen rechtsmiddel open (art. 1019bb Rv).

Het voorwaardelijke zelfstandige verzoek

1.16. Haar zelfstandige verzoek is ‘voor zover nodig’ gedaan. [verzoeker] heeft verzocht vast te stellen dat sprake is van volledige aansprakelijkheid, dus zonder vermindering van de vergoedingsplicht vanwege eigen schuld, althans aansprakelijkheid voor een door de rechter te bepalen deel van de schade. Nu het eigen schuldverweer al in dat kader is beoordeeld is het zelfstandige verzoek niet nodig. Dat zelfstandige verzoek behoeft dan als zodanig verder geen bespreking. De kosten van [verzoeker] bij de behandeling van dit voorwaardelijke zelfstandige verzoek worden begroot op nihil, zodat een veroordeling tot betaling achterwege zal blijven. Rechtbank Gelderland 3 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11148