Zoeken

Inloggen

Artikelen

Hof A.dam 260509 twee ongevallen, laat bezoek aan huisarts, verklaring personen in de omgeving van eiser over tussenliggende peridoe; invloed psychische klachten

Hof A.dam 260509 twee ongevallen, laat bezoek aan huisarts, verklaring personen in de omgeving van eiser over tussenliggende peridoe; invloed psychische klachten
3.1 Kort samengevat gaat het in deze zaak om het volgende.

3.1.1 [appellant] bestuurde op 2 mei 2003 zijn auto toen deze van achteren werd aangereden door een andere personenauto. De bestuurder van die laatste auto was voor wettelijke aansprakelijkheid (WAM) verzekerd bij London.
Op 14 oktober 2003 werd zijn auto, toen [appellant] deze bestuurde, opnieuw van achteren aangereden, deze keer door een bromfietser, Van der Veer, die een WAM-polis had lopen bij Reaal.
(....)

3.1.7 [appellant] heeft London en Reaal in rechte betrokken en, kort gezegd, schadevergoeding gevorderd wegens de door hem geleden materiële en immateriële schade en het verlies aan verdienvermogen door het oplopen van een postwhiplash syndroom als gevolg van de beide aanrijdingen. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen.
De rechtbank heeft geconstateerd dat de huisarts, het JBI en het RCA blijkens hun verslaglegging de eerste aanrijding op
2 mei 2003 aanwijzen als oorzaak van de klachten, kennelijk op grond van hetgeen [appellant] aan hen heeft verteld. De rechtbank heeft geoordeeld dat uit de door [appellant] overgelegde stukken verder niet kan worden afgeleid dat zijn klachten zijn verergerd of toegenomen door het tweede ongeval op 14 oktober 2003. Er ontbreekt dus, aldus de rechtbank, essentiële medische informatie op grond waarvan een oorzakelijk verband tussen de tweede aanrijding en zijn klachten kan worden vastgesteld. Om deze reden heeft de rechtbank de schadevordering afgewezen voor zover deze is gericht tegen Reaal. Verder heeft de rechtbank de stellingen van [appellant] ontoereikend geoordeeld voor de gevolgtrekking dat zijn klachten zijn veroorzaakt door de eerste aanrijding. De medische informatie bevat daartoe onvoldoende aanknopingspunt, omdat [appellant] zich pas op 7 november 2003 met klachten tot zijn huisarts heeft gewend. Zijn klachten en daaruit voortkomende arbeidsongeschiktheid kunnen ook worden verklaard door een andere oorzaak dan de aanrijding. De rechtbank heeft daarom ook de vordering tegen London afgewezen.

3.2 Tegen dit vonnis is [appellant] onder aanvoering van grieven opgekomen. Het hof zal de grieven bespreken in de volgorde die in deze zaak raadzaam voorkomt; een aantal grieven zal het hof gezamenlijk bespreken.

3.3 Het hof heeft in de eerste plaats te beoordelen of de stellingen van [appellant] tegenover de gemotiveerde betwisting door London en Reaal een toereikend aanknopingspunt bieden voor een postwhiplash syndroom als gevolg van de aanrijdingen 2 mei 2003 en 14 oktober 2003. Dat [appellant] sedert enige tijd gezondheidsklachten heeft en in zijn functioneren beperkingen ervaart, is op zichzelf door London en Reaal niet bestreden. Dat [appellant] over zijn gezondheid klaagt en beperkingen ervaart, is dus voor het hof uitgangspunt. Evenmin is bestreden dat de door [appellant] geuite klachten kunnen wijzen op een postwhiplash syndroom. Ook dat is dus voor het hof uitgangspunt.

3.4 Het verweer van de twee WAM-verzekeraars komt erop neer dat de gezondheidsklachten van [appellant] niet voldoende gedocumenteerd zijn en evenmin voldoende geobjectiveerd kunnen worden om een postwhiplash syndroom aan te nemen als gevolg van de aanrijdingen 2 mei 2003 en 14 oktober 2003. De door [appellant] ingeschakelde medisch adviseur [R] brengt de problematiek die hier speelt, in zijn/haar brief van 17 december 2007 onder verwijzing naar de nieuwe richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie als volgt onder woorden: “De essentie is en blijft of na een ongeval klachten van reële aard zijn ontstaan, die op consistente wijze aanleiding tot daaruit voortvloeiende beperkingen in het functioneren geven en tevoren niet of in veel mindere mate aanwezig waren. Dit dient dan goed gedocumenteerd te worden.” London en Reaal wijzen ter ondersteuning van hun verweer elk voor zich op de volgende feiten en omstandigheden:

- van de gezondheidstoestand van [appellant] vóór 2 mei 2003 is maar heel weinig bekend; dat de huisarts hem niet of nauwelijks gezien heeft vóór 2 mei 2003 zegt niet zoveel;
- op de schadeformulieren die met betrekking tot beide aanrijdingen zijn opgemaakt, wordt geen melding gemaakt van letsel; de vraag naar gewonde(n), ook licht gewonden, is met ‘nee’ beantwoord;
- [appellant] heeft zich pas op 7 november 2003 tot zijn huisarts gewend met gezondheidsklachten;
- [appellant] heeft in elk geval tot in december 2003 parttime in Duitsland in een kipkraam gewerkt; ook heeft hij in die periode gesolliciteerd;
- bij medisch onderzoek is niet of nauwelijks van objectiveerbare beperkingen gebleken;
- de gezondheidsklachten kunnen worden verklaard vanuit de verslechterende psychische conditie van [appellant], in welk verband zijn ontslag in het voorjaar van 2003 van betekenis is;
- in de familie van [appellant] komt depressie voor;
- aanvankelijk heeft [appellant] alleen de aanrijding van 2 mei 2003 aangewezen als oorzaak van zijn klachten.

3.5 Naar het oordeel van het hof verlangen London en Reaal terecht dat, alvorens tot nader onderzoek in rechte wordt overgegaan, de gezondheidsklachten van [appellant] worden getoetst op hun documentering en objectiveerbaarheid. Aan de stellingen van [appellant] mogen evenwel niet al te hoge eisen worden gesteld. Vermeden moet immers worden dat hem zonder goede grond een gelegenheid om zijn stellingen in rechte waar te maken wordt onthouden.

3.6 Uit bovenstaande overwegingen vloeit voort dat het enkele feit dat diverse artsen voor hun rekening hebben genomen dat [appellant] lijdt aan een postwhiplash syndroom niet zonder meer doorslaggevend kan zijn. Aan die diagnoses kleeft het probleem dat het hof niet goed kan vaststellen hoe deze zijn tot stand gekomen. In het bijzonder kan niet goed worden vastgesteld welke objectivering en documentatie aan de diagnoses is voorafgegaan.

3.7 De stellingen van [appellant] bevatten het nodige wat tot objectivering en documentering kan dienen.
[appellant] heeft aangevoerd dat hij tot het ongeval van 2 mei 2003 geen gezondheidsklachten had, dat deze meteen na het ongeval van 2 mei 2003 ontstonden en dat hij daarover onmiddellijk na het ongeval dan wel kort na het ongeval heeft gesproken met zijn vriendin, zijn broer en zijn vriend. Hij noemt de volgende gezondheidsklachten:
- last van zijn linkerschouder en nek,
- tintelingen in de linker arm,
- dagelijks terugkerend hoofdpijn,
- slapeloosheid,
- depressiviteit.
Verder heeft hij aangevoerd dat hij pas op 7 november 2003 naar de huisarts is gegaan, omdat hij niet veel vertrouwen in dokters heeft, maar dat zijn vriendin al eerder erop had aangedrongen dat hij zijn huisarts zou consulteren in verband met zijn gezondheidsklachten. Dat zijn alle redengevende en voor bewijs vatbare feiten en omstandigheden. Bovendien heeft [appellant] een schriftelijke verklaring van zijn vriendin in het geding gebracht waaruit bevestiging van zijn standpunt kan worden geput.

3.8 Het verweer van London is niet van zodanig gewicht dat nu reeds moet worden geoordeeld dat aan de stellingen van [appellant] voorbij dient te worden gegaan.
De stelling van London dat uit het huisartsjournaal niet zou mogen worden afgeleid dat [appellant] vóór 2 mei 2003 geen relevante klachten had, hoewel dat journaal blijkens de brief van de huisarts van 28 januari 2008 daarvoor geen enkele aanwijzing bevat, is rijkelijk speculatief.
Dat [appellant] op enig moment na 2 mei 2003 is gaan kampen met psychische problematiek, kan een oorzaak zijn van de gezondheidsklachten die [appellant] in dit geding aan de orde heeft gesteld. Terecht heeft London daarvoor aandacht gevraagd. Dit geldt temeer nu, naar moet worden aangenomen, het psychische evenwicht van [appellant] op de proef is gesteld door de beëindiging van zijn jarenlange dienstverband en nu depressie in zijn familie voorkomt. Op basis van al dit materiaal kan in dit stadium van het geding evenwel niet worden uitgesloten dat ook een postwhiplash syndroom heeft bijgedragen aan de door [appellant] gestelde schade.

3.9 Het partijdebat van [appellant] en London voert het hof tot de conclusie dat de stellingen van [appellant] toereikend zijn met betrekking tot de gevolgen van de aanrijding van 2 mei 2003. Zij verdienen nader onderzoek.

3.10 Dat ligt anders voor hetgeen [appellant] ten grondslag heeft gelegd aan zijn vordering tegen Reaal.
Op de voet van de stellingen van [appellant] moet in de rechtsverhouding tussen [appellant] en Reaal worden aangenomen dat hij voorafgaand aan de aanrijding van 14 oktober 2003 al forse gezondheidsklachten had. In de door [appellant] gegeven toelichting valt niet althans onvoldoende te lezen, welke gevolgen de aanrijding van 14 oktober 2003 daarenboven heeft gehad. Bovendien valt op dat [appellant] aanvankelijk ten overstaan van zijn huisarts en de aan het JBI en het RCA verbonden (revalidatie)artsen de aanrijding van 2 mei 2003 heeft aangewezen als de oorzaak van zijn tekortschietende gezondheid. De verklaring die [appellant] heeft gegeven voor die gang van zaken vermag het hof niet te overtuigen, te meer niet nu juist bij de revalidatieartsen de gevolgen van het door hem gestelde postwhiplash syndroom aan de orde waren. Na het voor [appellant] negatieve oordeel van de rechtbank in deze kwestie had het op zijn weg gelegen om veel nauwkeuriger dan hij heeft gedaan uiteen te zetten waaruit de verergering op 14 oktober 2003 bestond. Zijn verwijzing naar hetgeen hij toentertijd aan de bromfietsbestuurder heeft gezegd, baat hem niet omdat die uitlating ook in overeenstemming is met de klachten die er al waren. Tot slot verdient vermelding dat de aanrijding van 14 oktober 2003, naar onbestreden is gebleven, van een ander kaliber was dan die van 2 mei 2003. Dat sluit niet uit dat deze aanrijding gevolgen heeft gehad voor de gezondheid van [appellant] maar erg waarschijnlijk is het niet. Ook dat brengt mee dat [appellant] zijn stellingen beter had moeten motiveren dan hij heeft gedaan.

3.11 Het partijdebat van [appellant] en Reaal voert het hof tot de conclusie dat de stellingen van [appellant] ontoereikend zijn met betrekking tot de gevolgen van de aanrijding van 14 oktober 2003. In die kwestie bestaat dus onvoldoende grond voor verder onderzoek in rechte. Bewijslevering kan bij gebreke van terzake dienende stellingen achterwege blijven.

3.12 In het geding tussen [appellant] en London ligt het op de weg van [appellant] om tegenover de gemotiveerde betwisting door London te bewijzen dat de aanrijding van 2 mei 2003 een postwhiplash syndroom heeft veroorzaakt.
[appellant] heeft tegenover de gemotiveerde betwisting van London nog geen afdoende bewijs bijgebracht van zijn stelling dat de aanrijding van 2 mei 2003 een postwhiplash syndroom heeft veroorzaakt. [appellant] heeft vooralsnog onvoldoende zorg gedragen voor documentering van zijn gezondheidsklachten. Evenmin heeft hij voldoende aangedragen op grond waarvan zijn klachten kunnen worden geobjectiveerd. Het hof zal hem de gelegenheid bieden om aanvullend bewijs te leveren.

3.13 Het hof heeft zich de vraag gesteld hoe de van [appellant] verlangde bewijslevering het meest doelmatig kan worden ingericht.
Het hof wil eerst onderzoeken de stelling van [appellant] dat hij onmiddellijk dan wel kort na het ongeval van 2 mei 2003 over zijn gezondheidsklachten heeft gesproken met personen in zijn omgeving en dat deze personen hebben waargenomen dat hij gezondheidsklachten heeft ontwikkeld, met name:
- last van zijn linkerschouder en nek,
- tintelingen in de linker arm,
- dagelijks terugkerend hoofdpijn,
- slapeloosheid,
- depressiviteit.
[appellant] krijgt de gelegenheid om daartoe overeenkomstig zijn aanbod getuigen te doen horen. Pas na die getuigenverhoren zal het hof onder ogen zien of aanvullend medisch onderzoek dient te geschieden. Het hof houdt er rekening mee dat het eventueel verkregen bewijs bij die beslissing dienstig kan zijn. Dan moet ook onder ogen worden gezien welke medische deskundigheid wordt verlangd. Het zou die van de neuroloog kunnen zijn maar wellicht ook die van de psychiater of beide. Ook zou [appellant] kunnen overwegen om de door hem ingeschakelde partijdeskundige op de voet van artikel 200 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering te doen bevragen aan de hand van de feiten en omstandigheden die de getuigen hebben aangedragen.

3.14 In het geding tussen [appellant] en London wil het hof in dit stadium iedere verdere beslissing laten rusten.

4. Slotsom

In de zaak van [appellant] tegen London krijgt [appellant] de gelegenheid om bewijs te leveren. Voor het overige wordt iedere beslissing aangehouden.
In de zaak van [appellant] tegen Reaal falen de grieven. Het hof zal het vonnis waarvan beroep bekrachtigen. [appellant] is in die zaak de in het ongelijk gestelde partij. Hij heeft de proceskosten van het hoger beroep te dragen.

5. Beslissing

Het hof:

in de zaak van [appellant] tegen London:

laat [appellant] toe tot het bewijs dat hij onmiddellijk dan wel kort na het ongeval van 2 mei 2003 over zijn gezondheids-klachten heeft gesproken met personen in zijn omgeving en dat deze personen hebben waargenomen dat hij gezondheidsklachten heeft ontwikkeld, met name:

- last van zijn linkerschouder en nek,
- tintelingen in de linker arm,
- dagelijks terugkerend hoofdpijn,
- slapeloosheid,
- depressiviteit;

beveelt voor het geval [appellant] bewijs door getuigen wil leveren dat op donderdag 2 juli 2009 te 9.30 uur een getuigenverhoor zal worden gehouden in het Paleis van Justitie aan de Prinsengracht 436 te Amsterdam ten overstaan van
mr. G.B.C.M. van der Reep die tot raadsheer-commissaris wordt benoemd; LJN BJ6479

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies