Zoeken

Inloggen

Artikelen

Hof Den Bosch 311006 whiplash, preëxistente klachten, arbeidsongeschiktheid geen gevolg ongeval

Hof Den Bosch, 31 10 06 whiplash, preëxistente klachten, arbeidsongeschiktheid geen gevolg ongeval
Samenvatting (door het PIV)
De feiten:
Benadeelde wordt op 5 mei 1999 als bestuurder van een bestelauto van links aangereden.
Benadeelde was ten tijde van het ongeval 43  jaar oud. Hij was toen getrouwd en vader van een dochter van 15 jaar en een autistische zoon van 12 jaar.
Benadeelde was in 1988 arbeidsongeschikt verklaard voor zijn toenmalige beroep van heftruckchauffeur wegens klachten aan zijn linkerknie (een dubbele meniscus) . In verband daarmee ontving hij aanvankelijk een WAO-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, aangevuld met een bijstandsuitkering. Per 1 juni 1999 is deze uitkering ingetrokken en ontving (benadeelde) alleen nog een RWW-uitkering. Omstreeks 1995 kreeg (benadeelde) ook rugklachten, die door zijn huisarts met medicijnen zijn behandeld.
Na ruim tien jaar werkloosheid vond benadeelde in 1998 werk bij stomerij Azea als chaauffeur van een bestelbus.
Benadeelde heeft zich na het ongeval van 5 mei 1999 bij zijn werkgever ziek gemeld. Hij klaagde over hoofdpijn en pen in nek, schouder en rug. Op 1 oktober 1999 is (benadeelde) door een orthopedisch chirurg aan zijn elleboog geopereerd.
In 2000 werd het tijdelijk contract bij de stomerij niet verlengd, omdat benadeelde toen nog niet aan het werk was. Per 6 mei 2000 is benadeelde in het kader van de WAO volledig arbeidsongeschikt verklaard voor zijn, werk als chauffeur van een bestelbus. Er werd echter geen WAO-uitkering toegekend, omdat (benadeelde) geschikt werd geacht voor andere functies met een vergelijkbare verdiencapaciteit. In 2001 werd benadeelde in het kader van de WAO alsnog voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt verklaard. Benadeelde heeft daarop eerdergenoemd beroep ingetrokken, omdat de hoogte van de WW-uitkering vergelijkbaar was met de hoogte van de WAO-uitkering.

Het hof:
4.12. (…)  Het gaat immers niet zozeer om de kwalificatie van de huidige klachten van (benadeelde). Het gaat erom of die klachten op medische gronden als ongevalsgevolg kunnen worden beschouwd. Het oordeel van de deskundige houdt, kort gezegd, in dat de huidige klachten van (benadeelde) wel ongevalsgevolg zijn, maar uitsluitend omdat ze vóór het ongeval niet aanwezig waren; verschijnselen werden niet gevonden. De deskundige verklaart expliciet dat er geen functiestoornis is op het vakgebied van de neurologie als gevolg van het ongeval, ongeachte enig beroep en uitgaande van de toestand van (benadeelde) vóór het ongeval,. een en ander op grond van de door de deskundige genoemde algemene (internationale en nationale) richtlijnen. De deskundige heeft daarbij, 2oals gevraagd en waarmee (benadeelde) volmondig heeft ingestemd, de klachten getoetst aan dé richtlijnen van de NVN, Juist omdat bij whiplash gerelateerde klachten veelal objectief geen afwijkingen waarneembaar zijn, zijn door de NVN- ter objectivering van dit soort subjectieve klachten criteria opgesteld”. Dat deze richtlijnen wellicht niet geheel onomstreden zijn, doet er niet aan af dat deze richtlijnen bij de vaststelling van de ernst en geloofwaardigheid van dit soort subjectieve klachten dienstig kunnen zijn.

4.13. In hoger beroep herhaalt (benadeelde) zijn standpunt; althans het standpunt van zijn medisch deskundige dat, ongeacht de indeling van het PWS in QTP graad 1, de beschreven klachten slechts passend zijn verdisconteerd met een maximaal percentage van 8% blijvende invaliditeit van de gehele persoon. (benadeelde) onderbouwt dit door te wijzen op de diverse beperkingen in zijn functioneren na het ongeval, welke beperkingen hij voorheen niet had (zie productie 2 bij MvG). Het hof ziet in het voorgaande echter niet een voldoende gemotiveerde betwisting van de medische conclusies van de door de rechtbank benoemde deskundige» Dit betekent dat ook in hoger beroep moet worden uitgegaan van het oordeel van de deskundige- Het hof neemt de conclusies van de deskundige over en maakte deze tot de zijne.

4.14. Het voorgaande brengt mee dat uitsluitend vaststaat dat de door (benadeelde) genoemde beperkingen die hij ná het ongeval ondervindt, vóór het ongeval niet aanwezig waren. Mede gelet op de bevindingen van de deskundige acht het hof dit onvoldoende om bewezen te achten dat deze beperkingen toe te rekenen zijn aan het ongeval. Dit betekent dat de arbeidsongeschiktheid van (benadeelde) - en het daardoor geleden verlies in verdienvermogen - niet als ongevalsgevolg kan worden aangemerkt.

4.15. Derhalve heeft de rechtbank de vordering sub b, inhoudende dat in de schadestaat geldt dat (benadeeldes) arbeidsongeschiktheid voor zijn arbeid als chauffeur, uitsluitend ongeval sgevolg is en dat het verlies aan verdienvermogen en de daarmee door Amev te vergoeden schade in ieder geval bestaat uit het verschil tussen de inkomsten van (benadeelde) als chauf feur en diens uitkeringen ingevolge de sociale zekerheidswetgeving, op juiste en deugdelijke gronden afgewezen. PIV-site

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies