Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Utrecht 220812 whiplash; ogv medische stukken zijn klachten aan te merken als gevolg ongeval aanwijzingen voor aggraveren, niet voor malingeren

Rb Utrecht 220812 whiplash; ogv medische stukken zijn klachten aan te merken als gevolg ongeval aanwijzingen voor aggraveren, niet voor malingeren
kosten begroot en toegewezen; 20 uur x € 230,00 + 19% + griffierecht

2.  De feiten 

2.1.  [verzoeker] is op 7 juli 2001 als bestuurder van een personenauto betrokken geraakt bij een aanrijding. ASR heeft als WAM verzekeraar de aansprakelijkheid voor dit ongeval erkend. 

2.2.  [verzoeker] was sinds 1 januari 1997 in dienst van het bedrijf Coltex. Ten tijde van het ongeval in de functie van inkoper/merchandiser. In 2003 is de functie van [verzoeker] bij Coltex gewijzigd, in die zin dat [verzoeker] geen leidinggevende rol meer had en de oorspronkelijk commercieel gerichte functie met de noodzaak van het maken van veel reizen werd teruggebracht tot een meer administratief gerichte functie, die alleen op kantoor werd uitgeoefend. Bij deze functiewijziging werd het salaris van [verzoeker] bij Coltex bevroren en werd hem een aanmerkelijk bescheidener leaseauto toebedeeld. [verzoeker] heeft per 30 november 2005 ontslag genomen bij Coltex. Met ingang van 1 december 2005 is hij in dienst getreden bij Asics Europe B.V. Op 27 september 2006 heeft hij zich ziek gemeld. Het dienstverband met Asics Europe is per 1 december 2006 beëindigd in verband met het einde van het jaarcontract. Na de wachttijd van 2 jaar is aan [verzoeker] een uitkering op grond van de Wet Inkomen en Arbeid toegekend. 

Het medisch dossier 
2.3.  Het medisch dossier van [verzoeker] bevat - onder meer - de volgende informatie van zijn behandelend artsen en paramedici. 
(Volgt uitgebreide revisie van het medisch dossier, EJD) 

Medische expertisen op gezamenlijk verzoek 
2.4.  Bij beschikking van 8 mei 2008 heeft de rechtbank Amsterdam op verzoek van [verzoeker] deskundigenonderzoeken bevolen en de neuroloog H.P.H. Kremer en de neuropsycholoog J. Bruins tot deskundigen benoemd. Nadat de deskundigen hebben gerapporteerd hebben partijen gezamenlijk aan psychiater R.J. van den Bosch verzocht een rapport uit te brengen. 

2.5.  De bovengenoemde deskundigen hebben de volgende rapporten uitgebracht: 

1. Bruins heeft op 30 september 2008 een neuropsychologisch onderzoek uitgevoerd en daarover op 21 december 2008 als volgt gerapporteerd: 
“(…) 
Op 30 september j.l. is hij uitgebeid neuropschychologisch onderzocht, waarbij zijn cognitieve functies niet betrouwbaar in kaart gebracht konden worden vanwege onderpresteren. Er is hierdoor niet valide te objectiveren of er cognitieve functiestoornissen aanwezig zijn. Op basis van de aard van het klachtenpatroon en de dossierinformatie vindt ondergetekende het niet waarschijnlijk dat een cerebrale organische oorzaak het klachtenpatroon verklaar. Er zijn geen aanwijzingen voor hersenletsel en de evidentie hiervoor ontbreekt ook. 

De subjectieve klachten van betrokkene over zijn geheugen zijn van dien aard dat dit een aanwijzing is oor aggravatie (…) De ernst van de cognitieve klachten met name die van het geheugen, zijn niet passend bij het letsel dat betrokkene heeft opgelopen. (…) het is dan ook zeer aannemelijk dat psychogene factoren een rol spelen in het (ontwikkelen en in stand houden van het) cognitieve klachtenpatroon, in het bijzonder de geheugenproblematiek (…) 
Mogelijke, zeer aannemelijke verklaringen voor de neerwaartse spiraal waarin betrokkene terecht is gekomen, is het niet kunnen verwerken, c.q. aanpassen aan de veranderingen die het ongeval hebben veroorzaakt (aanpassingsstoornis). Het spontaan herstel in de eerste maanden lijkt te zijn tegengewerkt door de persoonlijkheid van betrokkene, die tegen beter weten in door is gegaan met werken. 
(…) 
Er werd eerder in 2004 gerapporteerd dat betrokkene depressief was en zelf suïcidale gedachten uitte. In het huidige onderzoek maakte betrokkene bij observatie geen depressieve indruk. Ook de uitslag op de stemmingslijst geeft geen duidelijke aanwijzing voor een depressief beeld. Er is echter wel overduidelijk sprake van onrust en agitatie, concentratieproblemen, energieverlies, een verminderd zelfvertrouwen en pessimisme over de toekomst. (…) Het is niet uitgesloten dat betrokkene uit angst voor een psychologische verklaring voor zijn klachtenpatroon de psychologische items op de vragenlijst wat positiever heeft ingevuld, in het bijzonder de depressie-items. 
Dit neemt niet weg dat hij pijnklachten rapporteert die het herstelproces dan wel het bestaand algeheel klachtenpatroon op negatieve manier kunnen beïnvloeden. Dat betrokkene daardoor somber werd is in beginsel een natuurlijke reactie op pijn. Bovendien kon hij zijn werk niet naar behoren verrichten, zodat zijn gevoel van eigenwaarde een flinke deuk opliep. Door het aanhouden van zijn klachten en het niet volgen van een adequate therapeutische interventie (wat de reden daarvan dan ook geweest moge zijn) is betrokkene in een neerwaartse spiraal terecht gekomen. (…). 

De vraag of er aantoonbaar stoornissen zijn in het mentale functioneren, het taalgebruik, de regulatie van emoties en gedrag of de helderheid van het bewustzijn heeft Bruins als volgt beantwoord: 
“Op basis van de onderzoeksresultaten kunnen er afwijkingen in het cognitief profiel worden vastgesteld. Echter het cognitief functioneren kan niet betrouwbaar in kaart worden gebracht omdat er diverse aanwijzingen zijn dat betrokkene onder zijn werkelijke cognitieve capaciteiten heeft gepresteerd. Er is geen duidelijke aanwijzing dat hier sprake is van bewust onderpresteren. (…).” 

De vraag of het aannemelijk is dat de aangetoonde stoornissen veroorzaakt worden door een hersenbeschadiging als gevolg van een bepaalde gebeurtenis of aandoening heeft Bruins ontkennend beantwoord. Op de vraag of er wellicht andere oorzaken zijn dan die bepaalde gebeurtenis of aandoening zijn heeft zij geantwoord: 
“Een mogelijke oorzaak is een aanpassingsstoornis. Deze treedt op als reactie op psychische en emotionele stress die ontstaat na belangrijke negatieve- of positieve life-events zoals een ongeval, verhuizing, huwelijk, overlijden etc. (…)” 

De vraag of er goede behandelmogelijkheden zijn en in hoeverre deze zijn geïndiceerd beantwoordt Bruins als volgt: 
“Er zijn goede behandelmethoden en interventie is mijns inziens zeker geïndiceerd, omdat betrokkene zich enorm beperkt voelt en zich ook zo gedraagt. Betrokkene voelt zich dermate beperkt dat hij niets of weinig meer onderneemt. Uiteraard moet betrokkene zelf ook inzien dat hij hulp behoeft. Cognitieve gedragstherapie is een vorm van therapie die geschikt is in combinatie met andere methoden om hem weer op de rails te krijgen.” 

Naar aanleiding van de vraag van ASR om nader toe te lichten waaruit blijkt dat de cognitieve functies niet betrouwbaar in kaart gebracht kunnen worden als gevolg van onderpresteren heeft Bruins geantwoord: 
“dit blijkt uit twee symptoom validiteit tests. Het is moeilijk met zekerheid vast te stellen of iemand bewust onderpresteert. Er is op basis van de uitslagen geen evidentie hiervoor te vinden.(…).” 

Op de vraag of [verzoeker] opzettelijk een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven of zich onbewust is geweest dat hij een onjuist beeld heeft gegeven heeft Bruins geantwoord: 
“er zijn aanwijzingen voor aggraveren, hetgeen betekent dat betrokkenen zijn klachten overdreven presenteert en waarschijnlijk ook als zodanig ervaart. Aggraveren is niet het zelfde als onderpresten, ik verwijs naar mijn antwoord onder vraag 2. ” 

2. Kremer heeft [verzoeker] op 18 december 2008 onderzocht. Zijn definitieve rapportage van 15 januari 2010 vermeldt: 
“(…) 
Beschouwing: 
Zoals altijd in deze constellatie van aanhoudende klachten na een doorgemaakt ongeval dient overwogen te worden of deze klachten een structurele (biologische begrijpbare) oorzaak hebben, een complexe psychologische grondslag (waarbij het ongeval een van de aanleidingen tot de klachten vormt, niet de oorzaak van de klachten is), of dat er sprake is van malingering. Hoewel malignering nooit formeel uitgesloten kan worden zijn hiervoor in deze casus, voor zover na te gaan, geen aanwijzingen. 
(…) 
Complexe psychologische factoren (inclusief aggravatie) in de context van de huidige maatschappelijke en persoonlijke situatie van dhr. [verzoeker] lijken zeer evident de grondslag te vormen van zijn huidige klachten. (…) 
Malingering is in algemene zin waarschijnlijk slechts zeldzaam, kan vaak slechts zeer moeilijk bewezen worden en is makkelijk te verwarren met de psychologische en juridische noodzaak van de persoon met de klachten om de tegenpartij (en de rechter!) in een complexe juridische zaak te overtuigen van het eigen gelijk. Ik blijf bij mijn stelling dat er in het geval van dhr. [verzoeker] voor zover na te gaan, geen aanwijzingen zijn voor malingering. 
(…) 

Uiteindelijke neurologische diagnose: 
Posttraumatische persisterende nekpijn, rugpijn, concentratieproblemen en geheugenproblemen zonder neurologische afwijkingen. 

Aanwijzingen voor onderpresteren bij neuropsychologisch onderzoek, in het kader van complexe psychologische mechanismen. 

Medicatie-abuses (met name ibuprofen) met mogelijk medicatiegerelateerde klachten (hoofdpijn, obstipatie, concentratiestoornissen). 
(…)” 

3. Van den Bosch heeft op 23 maart 2011 een onderzoek uitgevoerd en daarover op 15 juni 2011 als volgt gerapporteerd: 
“(…) 
Conclusie 
Hoewel betrokkene stelt dat de klachten niet weg zijn geweest en onveranderlijk aanwezig blijven, waren blijkens de stukken de concentratieklachten in september 2002 grotendeels verdwenen en was de pijn in oktober 2003 ook minder geworden. Bovendien maakte hij toen al weer forse, bovengemiddelde werkdagen. Dit wijst er op dat hij in die periode geen relevante beperkingen meer ervaarde. Neuropsychologisch onderzoek liet in 2004 zien dat de subjectieve cognitieve klachten in het geheel niet te objectiveren waren; de aandacht- en geheugenprestaties waren zelfs bovengemiddeld. Toch laten latere stukken zien dat betrokkene klachten bleef houden. 
(…) 
Bij psychiatrisch onderzoek worden geen relevante psychiatrische stoornissen vastgesteld. Het ondersteunt wel de veronderstelling dat de subjectieve cognitieve klachten bepaald worden door emotionele factoren. Ze leiden naar mijn oordeel hoogstens tot geringe beperkingen in objectieve zin. Een psychiatrische diagnose conform het DSM-IV classificatiesysteem kan ik niet stellen.” 

2.6.  De rapportage van de arbeidsdeskundige [N] van 4 december 2008 in het kader van de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] op grond van de Wet inkomen en arbeid (WIA) vermeldt: 
“(…) 
Beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de WIA per eerste dag na het vervullen van de wachttijd op 24 september 2008. 
(…) 

2.2.4 Belastbaarheid volgens de verzekeringsarts 
De verzekeringsarts [O] heeft op 17 november 2008 beperkingen van de belastbaarheid vastgesteld in verband met klachten van rug/nek en cognitieve belemmeringen na een verkeersongeval in 2001. 
(…)” 

3.  Het verzoek en het verweer 

3.1.  [verzoeker] verzoekt de rechtbank om bij beschikking voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: 
I. Te beslissen dat de door [verzoeker] na het ongeval gepresenteerde klachten als gevolg daarvan aan dit ongeval zijn toe te rekenen en ASR gehouden is de deswege door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade aan hem te vergoeden; 

II. De aan de behandeling van dit verzoek door [verzoeker] verbonden kosten te begroten op het bedrag van de door mr. Keereweer aan de rechtbank over te leggen declaratie met urenverantwoording en ASR te veroordelen die kosten aan [verzoeker] te vergoeden. 

3.2.  [verzoeker] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij bij het ongeval whiplash letsel heeft opgelopen. [verzoeker] stelt dat hij voor het ongeval een voor zijn kalenderleeftijd gezonde man was en dat hij na het ongeval belemmerd wordt door de volgende somatische- en niet somatische klachten: 
-  pijnklachten bij beweging van CWK-TWK; 
-  pijklachten bij zitten in de LWK; 
-  tintelingen in de rechterarm; 
-  vegetatieve klachten ter hoogte van thoracaal; 
-  hoofdpijnklachten; 
-  gezichtsuitval rechts laterale zijde; 
-  verminderde concentratie; 
-  verminderde algehele belasting; 
-  gevoel van slijmvorming; 
-  moeilijk op woorden komen en over woorden struikelen bij praten. 
Volgens [verzoeker] staan bij de somatische klachten de dagelijkse pijnklachten in de rug en de nek op de voorgrond en bij de niet somatische klachten de cognitieve problemen. In zijn werk had hij naar zijn zeggen vooral last van verminderd concentratievermogen en onvermogen tot multitasking. [verzoeker] wijst er op dat een tweetal behandelend neurologen de klachten tezamen en in onderling verband beschouwd hebben gediagnosticeerd als whiplash syndroom. [verzoeker] stelt dat hij de hulp heeft ingeroepen van een groot aantal medische behandelaars, maar dat dit niet heeft geleid tot noemenswaardige verbetering van zijn klachten. Omdat voor zijn functie als internationaal textielinkoper een goede geheugenfunctie en het vermogen om te multitasken onontbeerlijk waren, kon hij deze functie niet volhouden en is hij minder belastend werk gaan doen, maar ook deze functie heeft hij naar zijn zeggen moeten opgeven. Thans ontvangt hij een uitkering op grond van de Wet Inkomen en Arbeid, op grond naar de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse. 

3.3.  ASR stelt zich op het standpunt dat niet is voldaan aan het vereiste dat de verzochte beslissing kan bijdragen aan het tot stand komen van een vaststellingsovereenkomst op grond van artikel 1019z van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv). De onderhandelingsfase was volgens haar geëindigd toen uit de expertises van de geraadpleegde deskundigen bleek dat er geen causaal verband bestaat tussen het ongeval en de door [verzoeker] gestelde klachten. 

3.4.  Onder verwijzing naar de medische expertises stelt ASR dat er geen sprake is van afwijkingen op het neurologisch vlak, dat de cognitieve problemen niet konden/kunnen worden geobjectiveerd vanwege onderpresteren door [verzoeker] en dat van een psychiatrische stoornis evenmin sprake is. Volgens ASR is duidelijk geworden dat er sprake is van het overdrijven van klachten (aggravatie) en het inbeelden van een medische oorzaak voor de klachten. ASR betwist dat er causaal verband bestaat tussen de door [verzoeker] genoemde klachten en het ongeval. ASR wijst er op dat de expertiseartsen en ook de huidige behandelend artsen van [verzoeker] van oordeel zijn dat andere factoren dan het ongeval zijn klachten bepalen. ASR stelt dat in de loop van 2002 de concentratieklachten grotendeels waren verdwenen, de nekpijn minder werd en [verzoeker] forse bovengemiddelde werkdagen maakte, zodat verondersteld kan worden dat er toen geen sprake meer was van beperkingen. Volgens ASR zijn daarna in 2003 nieuwe klachten ontstaan, hetgeen samenviel met de wijziging van de functie van [verzoeker] bij Coltex, waarbij hij materieel en immaterieel werd teruggezet in functie. Deze functievermindering hield volgens ASR verband met het reeds voor het ongeval minder goed functioneren van [verzoeker] in zijn functie van inkoper. Zij verwijst daartoe naar het rapport opgesteld door [O] registerarbeidsdeskundige naar aanleiding van een bij de werkgevers van [verzoeker] verricht onderzoek. 

3.5.  Volgens ASR is voor toewijzing van de kosten voor dit deelgeschil geen plaats. Nu na de expertise vaststond dat het vereiste causaal verband niet bestaat/bestond, was er voor [verzoeker] geen grond meer voor het maken van kosten. De kosten voor het deelgeschil kunnen daarom volgens ASR niet aangemerkt worden als in redelijkheid gemaakte kosten. Voorts heeft ASR het aantal aan het deelgeschil bestede uren gemotiveerd betwist. 

4.  De beoordeling 

4.1.   De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letsel- of overlijdensschade in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter ter bevordering van de totstandkoming van een minnelijke regeling. Gelet daarop dient de rechtbank te beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst dan wel, indien dat niet het geval is, of het verzoek moet worden afgewezen (artikel 1019z Rv). Partijen verschillen van mening over de medische causaliteit en de conclusies die uit de rapporten van de geraadpleegde deskundigen en het medisch dossier van [verzoeker] kunnen worden getrokken. De omstandigheid dat de onderhandelingen volgens ASR met het tot stand komen van de rapporten waren beëindigd leidt er niet toe dat geen sprake kan zijn van een deelgeschil. Juist een oordeel van de rechtbank over de geschilpunten naar aanleiding van de medische gegevens zou er in beginsel toe kunnen leiden dat de onderhandelingen (weer) kunnen worden opgepakt. 

4.2.  Het standpunt van [verzoeker] komt er op neer dat de door hem ervaren klachten het gevolg zijn van het ongeval, aangezien deze voor het ongeval niet bestonden en er geen andere oorzaak voor het ontstaan van deze klachten is aan te wijzen. ASR stelt daar tegenover dat er geen medische oorzaak is aan te wijzen voor de klachten en dat niet het ongeval de oorzaak is van de klachten, maar dat er andere oorzaken zijn, zoals het verlies van zijn positie bij zijn werkgever. 

4.3.  Partijen hebben geen inhoudelijke bezwaren geuit tegen de door de deskundigen uitgebrachte rapportages. Bij de beoordeling van de klachten en het causaal verband tussen de klachten en het ongeval dat in 2001 heeft plaatsgevonden, hebben de bevindingen van de door partijen geraadpleegde deskundigen dan ook als uitgangspunt te gelden. 

4.4.  De neuroloog Kremer heeft op zijn vakgebied de diagnose “posttraumatische persisterende nekpijn rugpijn concentratieproblemen en geheugenprobleem zonder neurologische afwijkingen” gesteld. De psychiater Van den Bosch heeft geen relevante psychiatrische stoornissen vastgesteld, hetgeen volgens hem de veronderstelling ondersteunt dat de subjectieve cognitieve klachten bepaald worden door emotionele factoren. De neuropsycholoog Bruins heeft op basis van het onderzoeksresultaten afwijkingen in het cognitief profiel vastgesteld. Zij heeft daar echter aan toegevoegd dat het cognitief functioneren niet betrouwbaar in kaart kan worden gebracht omdat er diverse aanwijzingen zijn dat [verzoeker] onder zijn werkelijke cognitieve capaciteiten heeft gepresteerd. 

4.5.  De rechtbank overweegt als volgt. De omstandigheid dat op grond van de deskundigenrapportages en de overige medische stukken moet worden geconstateerd dat bij [verzoeker] op basis van de geldende medische standaarden geen erkend ziektebeeld als oorzaak van zijn klachten kan worden vastgesteld, staat op zichzelf niet in de weg aan de mogelijkheid dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen het ongeval en de klachten. De door Kremer in zijn diagnose genoemde klachten komen overeen met de zogenoemde “whiplashklachten” die niet zelden ontstaan na een auto-ongeval zoals [verzoeker] is overkomen en die zich kunnen ontwikkelen tot een “postwhiplashsyndroom”. Inherent aan dit soort klachten is dat ze moeilijk objectiveerbaar zijn juist omdat bij deze klachten veelal een medisch (neurologisch) substraat ontbreekt. Aan het bewijs voor het bestaan van deze klachten kunnen daarom geen al te hogen eisen worden gesteld. Hiervoor is dan ook voldoende dat het bestaan van de - subjectief beleefde - klachten objectief kan worden vastgesteld. Daarvoor dienen de klachten reëel te zijn, dat wil zeggen niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven. Dit in de jurisprudentie ontwikkelde criterium komt er op neer dat de rechter er, op grond van de beschikbare medische informatie, van overtuigd moet zijn dat het gaat om klachten die de betrokkene daadwerkelijk heeft zonder dat hij of zij tracht de situatie bewust ernstiger te doen overkomen. 

4.6.  Indien het bestaan van de klachten is vast komen te staan, kan aan het bewijs van het causaal verband tussen de klachten en het ongeval, waarbij een vergelijking dient te worden gemaakt tussen de situatie met ongeval en de situatie zonder ongeval, in de gegeven omstandigheden evenmin al te hoge eisen worden gesteld. Indien voor het ongeval deze gezondheidsklachten niet bestonden, de gezondheidsklachten op zich door het ongeval veroorzaakt kunnen worden en een alternatieve verklaring voor de gezondheidsklachten ontbreekt, zal het bewijs van het oorzakelijk verband daarmee veelal geleverd zijn. 

de klachten 

4.7.  De beschikbare medische stukken bieden naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanknopingspunten om te kunnen spreken van objectief aanwezige gezondheidsklachten, in die zin dat [verzoeker] de door hem geuite klachten werkelijk heeft en deze niet bewust ernstiger doet voorkomen. Het gaat daarbij om de door Kremer genoemde nekpijn, rugpijn, concentratieproblemen en geheugenproblemen. [verzoeker] heeft deze gezondheidsklachten in de periode na het ongeval steeds benoemd in de contacten met zijn (para)medisch behandelaars en hij heeft een scala aan therapieën ondergaan, gericht op het verminderen van deze door hem ervaren klachten. Er is sprake van een consistent, consequent en samenhangend patroon van “whiplashachtige” klachten. Uit het medisch dossier blijkt dat de behandelaars van [verzoeker] weliswaar geen goede medische verklaring hebben voor het bestaan van de klachten, maar uit hun rapporten en brieven kan niet worden afgeleid dat zij twijfelen aan de realiteit van de door [verzoeker] geuite klachten en problemen. Evenmin blijkt dat de behandelaars van mening zijn dat [verzoeker] zich onvoldoende inspant om zijn klachten te verminderen. De psychodiagnostisch werker [P] (2.3 nr. 7) verklaart de discrepantie tussen de uitslag van de tests en de door [verzoeker] subjectief beleefde klachten uit de persoonlijkheidsstijl van [verzoeker], die volgens hem overeenkomt met het zogenoemde “type-A persoonlijkheid” dat sterk op werk en presteren is gericht, waarbij “het probleem van een verminderd uithoudingsvermogen in combinatie met een sterke angst tekort te zullen schieten, erg veel stress veroorzaken, waaraan cliënt in zijn beleving niet veel kan veranderen”. Ook uit het verslag van de intake bij het DBC (2.3 nr.10) blijkt dat de behandelend therapeuten van mening zijn dat de persoonlijkheid van [verzoeker] met zich brengt dat hij niet in staat is zijn levensstijl aan te passen aan de ontstane situatie, hetgeen volgens hen belemmerend werkt voor zijn therapie. Zij vragen zich af of het met de vastliggende voorwaarden “mogelijk is om ruimte te creëren om energie op te bouwen of om de noodzakelijke veranderingen aan te brengen om zo het ontstane disfunctionele patroon te doorbreken”. De psychiatrische rapportage van [Q] en [R] van 19 februari 2004 (2.3 nr. 6) vermeldt dat er aanwijzingen zijn voor “dwangmatige en narcistische trekken” en de klinisch psycholoog [S] concludeert in zijn brief van 29 januari 2010 dat [verzoeker] een ander gedragsmodel zal moeten accepteren en dat de therapeutische aandacht geleidelijk zal moeten worden verlegd van het omgaan “met de klachten en beperkingen naar het disfunctionele kerngedrag c.q. de obsessief compulsieve instelling”. 

4.8.   Verder kan uit de medische gegevens worden afgeleid dat de hiervoor in 4.7 genoemde klachten (nekpijn, rugpijn, concentratieproblemen en geheugenproblemen) sinds het ongeval onafgebroken hebben voortgeduurd. Uit het schrijven van [B] van 4 september 2002 (2.3 nr.1) waarin deze vermeldt dat de concentratiestoornissen grotendeels zijn verdwenen, kan weliswaar worden afgeleid dat deze klacht op dat moment was verminderd, maar dit is onvoldoende voor de stelling van ASR dat de genoemde klachten in 2002 goeddeels waren geweken. Ook de door ASR genoemde brief van [F] van 22 oktober 2003 (aangehaald in het rapport van Van den Bosch) die vermeldt dat de pijn minder is geworden en dat [verzoeker] ruim negen uur per dag werkt, rechtvaardigt die conclusie niet. Het feit dat [verzoeker] een periode weer meer dan full-time is gaan werken wil op zichzelf immers niet zeggen dat hij geen klachten meer heeft. Daarbij moet ook de persoonlijkheid van [verzoeker] in aanmerking worden genomen die, zoals uit de stukken naar voren komt, geneigd is tot schade van zijn gezondheid door te werken. De meldingen van de bedrijfsarts (2.3 nr. 4) duiden er evenmin op dat [verzoeker] zijn werkzaamheden zonder noemenswaardige klachten zou hebben hervat. Zo blijkt uit de aantekening van 16 augustus 2002 dat [verzoeker] erg slecht slaapt van de pijn en uit de aantekening van 6 januari 2003 dat hij tussen de middag rust neemt en bij thuiskomst erg moe is. Dit beeld wordt bevestigd door de brief van de huisarts van 6 juni 2003 (2.3 nr. 13) waarin wordt vermeld dat er in vergelijking met de brief van februari 2002 helaas weinig is veranderd, dat [verzoeker] nog met name klaagt over pijn in de nek concentratieverlies en vergeetachtigheid en dat hij wel weer werkt, maar dat hem dat veel moeite kost. Ook de fysiotherapeut [C] deelt op 21 januari 2003 (2.3 nr. 12) mee dat [verzoeker] vanaf de aanvang van de behandeling op 5 juni 2002 de in haar brief genoemde klachten heeft. 

4.9.  De bevindingen van de behandelaars dat het ontbreken van een medische verklaring voor de klachten en het uitblijven van herstel verband kan houden met de persoonlijkheid van [verzoeker], worden bevestigd door het rapport van Bruins (2.4 nr.1). Bruins vermeldt in haar onderzoek dat de ernst van de cognitieve klachten van [verzoeker] over zijn geheugen van dien aard zijn dat dit een aanwijzing is voor aggravatie en zij heeft op grond van de door [verzoeker] uitgevoerde tests geconstateerd dat hij onderpresteert. Bruins vermeldt echter ook dat het zeer aannemelijk is dat “psychogene factoren een rol spelen in het (ontwikkelen en in stand houden van het) cognitieve klachtenpatroon, in het bijzonder de geheugenproblematiek” en zij acht “het niet kunnen verwerken, c.q. aanpassen aan de veranderingen die het ongeval hebben veroorzaakt (aanpassingsstoornis) een zeer aannemelijke verklaring voor de neerwaartse spiraal waarin [verzoeker] terecht is gekomen”. Verder brengt zij naar voren dat “het spontaan herstel in de eerste maanden lijkt te zijn tegengewerkt door de persoonlijkheid van [verzoeker], die tegen beter weten in door is gegaan met werken”. Uit deze uitlatingen kan niet worden afgeleid dat Bruins veronderstelt dat [verzoeker] zijn situatie bewust en opzettelijk ernstiger voorstelt dan dat hij hem zelf ervaart. Ook de vermelding door Bruins dat “er overduidelijk sprake is van onrust en agitatie, concentratieproblemen, energieverlies een verminderd zelfvertrouwen en pessimisme voor de toekomst” en dat [verzoeker] “door het aanhouden van zijn klachten en het niet volgen van een adequate interventie (wat de reden daarvan dan ook geweest moge zijn) in een neerwaartse spiraal terecht is gekomen”, wijst niet in die richting. Bovendien geeft Bruins in haar rapport expliciet aan dat er volgens haar geen duidelijke aanwijzing is voor bewust onderpresteren en zij handhaaft dit standpunt na vragen van ASR daarover. 

4.10.  Kremer stelt in zijn rapportage dat complexe psychologische factoren (inclusief aggravatie) zeer evident de grondslag lijken te vormen van zijn huidige klachten. De rechtbank leidt hieruit af dat ook Kremers een verklaring voor (het voortduren van) de gezondheidsklachten van [verzoeker] zoekt in zijn persoonlijkheid. Ook Kremer ziet “voor zover na te gaan geen aanwijzingen voor malignering”. 

4.11.   De conclusie van Van den Bosch dat het psychiatrisch onderzoek de veronderstelling ondersteunt dat de subjectieve cognitieve klachten worden bepaald door emotionele factoren is niet in strijd met de rapportages van Bruins en Kremer waaruit blijkt dat zij van mening zijn dat psychologische factoren een rol spelen bij het voortduren van de gezondheidsklachten, ondanks allerhande therapieën. De omstandigheid dat Van den Bosch geen psychiatrisch ziektebeeld heeft kunnen vaststellen acht de rechtbank niet van doorslaggevend belang, gelet op de hiervoor in 4.5 weergegeven uitgangspunten bij het beoordelen van de medische causaliteit, op grond waarvan niet uitsluitend medische erkende ziektebeelden, maar ook objectief vast te stellen subjectief ervaren klachten een rol kunnen spelen. 

4.12.  Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat uit het rapport van de arbeidskundige van 4 augustus 2008 (zie 2.6) blijkt dat de verzekeringsarts bij de beoordeling in het kader van de WIA beperkingen heeft aangenomen van de belastbaarheid in verband met klachten van rug/nek en cognitieve belemmeringen. De medische beoordeling voor de WIA is weliswaar een andere dan die in verband met aansprakelijkheid voor geleden schade, maar dat neemt niet weg dat ook in dit kader waarde toekomt het feit dat de bevindingen van de verzekeringsarts in lijn zijn met die van de behandelend (para)medici. 

4.13.  Gelet op hetgeen in 4.7 tot en met 4.12is overwogen is er naar het oordeel van de rechtbank voldoende grond voor de conclusie dat het bestaan van de door [verzoeker] ervaren nekpijn, rugpijn, concentratieproblemen en geheugenproblemen in voldoende mate objectief is aangetoond. Voor de overige door [verzoeker] in zijn verzoekschrift opgesomde klachten vindt de rechtbank in de medische stukken echter onvoldoende aanknopingspunten om het bestaan van deze klachten objectief te kunnen vaststellen. 

het causaal verband 

4.14.   De klachten zijn aangevangen na het ongeval, zijn steeds in meerdere of mindere aanwezig geweest en duurden ten tijde van de medische expertisen van Bruins, Kremer en Van den Bosch nog immer voort. De stelling van [verzoeker] dat hij voorafgaand aan het ongeval gezond was en nimmer de klachten heeft gehad als waar hij thans aan zegt te lijden, is door ASR niet weersproken. Ook de beschikbare medische gegevens bevatten geen enkele aanwijzing dat [verzoeker] in het verleden vergelijkbare problemen met zijn gezondheid heeft ondervonden. In het medisch dossier zijn evenmin aanknopingspunten te vinden om te kunnen concluderen dat [verzoeker], indien het ongeval hem niet was overkomen, de hiervoor genoemde gezondheidsklachten zou hebben ontwikkeld. 

4.15.  Het voorgaande leidt tot de conclusie - mede gelet op hetgeen in 4.6 aangaande het causaal verband is overwogen - dat het causaal tussen de door [verzoeker] ervaren nekpijn, rugpijn, concentratieproblemen en geheugenproblemen en het ongeval is aangetoond. 

4.16.  Het betoog van ASR dat het causaal verband tussen het ongeval en de klachten ontbreekt, omdat er een andere oorzaak voor de gezondheidsproblemen is aan te wijzen, leidt niet tot een ander oordeel. Het navolgende is hiervoor redengevend. 

4.17.  De stelling van ASR komt er op neer dat de functiewijziging bij Coltex in 2003 verband hield met problemen die reeds voor het ongeval tussen [verzoeker] en Coltex bestonden en dat de gezondheidsklachten van [verzoeker] in 2003 zijn aan te merken als een reactie op het feit dat hij in functie is achteruit gezet en dus geen gevolg zijn van het ongeval. 

4.18.  Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor in 4.8 is overwogen gaat ASR er in haar betoog ten onrechte van uit dat [verzoeker] in 2002 nagenoeg klachten vrij was. Het standpunt dat er in 2003 sprake was van (her)nieuw(d)e gezondheidsklachten die zijn ontstaan of verergerd ná de functiewijziging wordt niet gedragen door de beschikbare medische gegevens. 

4.19.  Voorts heeft ASR onvoldoende onderbouwing gegeven van haar stelling dat reeds vóór het ongeval problemen bestonden tussen [verzoeker] en Coltex en dat deze reeds bestaande problemen de reden waren voor de functiewijziging. ASR baseert zich op de in het rapport van [O] opgenomen informatie verstrekt door [T], de zoon van de eigenaar van Coltex. Aan deze informatie komt echter geen doorslaggevend belang toe. [T] was vanaf januari 2003 leidinggevende van [verzoeker] en was pas kort daarvoor zijn werkzaamheden bij Coltex begonnen. Zoals [T] in het gesprek met [O] heeft erkend, kon hij het functioneren van [verzoeker] voor en na het ongeval daarom niet met elkaar vergelijken. Voor het overige bevat het dossier geen stukken die een aanwijzing vormen dat de stelling van [verzoeker] dat hij tot het ongeval altijd met volle inzet zijn werk heeft gedaan en daarvoor ook door zijn werkgever werd gewaardeerd, onjuist zou zijn. In dit verband heeft [verzoeker] onweersproken naar voren gebracht dat hij in 2001 nog een bonus heeft ontvangen, hoewel dit maar een halve bonus was, omdat hij na zijn ongeval niet meer optimaal functioneerde. Uit de door hem geciteerde toelichting op de bonusregeling blijkt dat deze bonus slechts werd toegekend indien de betrokkene “naar het oordeel van zijn chef bovenverwachting heeft gepresteerd”. 

4.20.  Op grond van het voorgaande moet worden geconstateerd dat geen andere oorzaak voor de klachten is aan te wijzen dan het ongeval. Hieraan doet niet af dat [verzoeker] de functiewijziging als ernstig krenkend heeft ervaren. Dat dit mogelijk heeft bijgedragen aan een verergering van zijn klachten dan wel in de weg heeft gestaan aan een verbetering van zijn gezondheid, neemt niet weg dat de klachten zijn ontstaan door het ongeval. 

slotsom 

4.21.  Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat de thans bestaande gezondheidsklachten nekpijn, rugpijn, concentratieproblemen en geheugenproblemen als gevolg van het ongeval zijn aan te merken. 

4.22.  De omstandigheid dat het in de normale lijn van de verwachtingen liggende herstel is uitgebleven en dat dit vermoedelijk is te wijten aan de persoonlijkheid van [verzoeker] kan niet aan hem worden toegerekend. Bij een onrechtmatige daad die leidt tot letsel, zal de aansprakelijke de persoon hebben te nemen zoals hij is, inclusief zijn persoonlijke predispositie en dus ook de omstandigheid dat zijn persoonlijkheid aan herstel in de weg staat. Niet gebleken is dat [verzoeker] heeft nagelaten zich in te spannen voor herstel. Uit de deskundigenrapporten komt echter naar voren dat er, de persoonlijkheid van [verzoeker] in aanmerking genomen, reële therapeutische mogelijkheden zijn. Bij de begroting van de schade dient - bijvoorbeeld bij de looptijd daarvan - dan ook rekening te worden gehouden met deze herstelmogelijkheden. 

kosten deelgeschil 

4.23.  Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat [verzoeker] de deelgeschilprocedure onnodig of onterecht heeft ingesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is een tijdsbesteding van 20 uur voor het deelgeschil (inclusief de zitting) redelijk. Voorts acht de rechtbank een uurtarief, zoals gevorderd, van € 230,00 doch exclusief kantoorkosten, maar exclusief BTW, redelijk. 

4.24.  Gelet op het voorgaande begroot de rechtbank de kosten van het deelgeschil op € 4.600,00 exclusief BTW, te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 267,00 en veroordeelt ASR tot betaling daarvan aan [verzoeker].  LJN BX6456

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies