Overslaan en naar de inhoud gaan

RBAMS 010419 mishandeling met hamer, minderjarige getuige kan namen noemen, maar weigert uit vrees; benoeming bijzondere curator, verzoek tot gijzeling afgewezen

RBAMS 010419 mishandeling met hamer, minderjarige getuige kan namen noemen, maar weigert uit vrees; benoeming bijzondere curator, verzoek tot gijzeling afgewezen

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

[verzoeker] heeft op 23 november 2018 een verzoek tot voorlopig getuigenverhoor ingediend.

Dit verzoek is bij beschikking van 3 december 2018 toegewezen.

Het voorlopig getuigenverhoor heeft plaatsgevonden op 29 januari 2019. De gemachtigde van [verzoeker] is verschenen. Namens de verweerder is niemand verschenen. [belanghebbende] is ter zitting als getuige gehoord.

Tijdens de zitting is mondeling (tussen)beschikking gewezen en is mr. T. de Wit als bijzondere curator over [belanghebbende] benoemd. Van deze zitting is proces-verbaal opgemaakt.

Bij brief van 27 februari 2019 heeft mr. De Wit aan de kantonrechter verslag gedaan van haar bevindingen. Bij e-mailbericht van 12 maart 2019 heeft de gemachtigde van [verzoeker] daarop gereageerd.

Op 25 maart 2019 is het voorlopig getuigenverhoor voortgezet. Daarbij was de gemachtigde van [verzoeker] aanwezig, [belanghebbende] , zijn vader en mr. De Wit. De gemachtigde van [verzoeker] heeft ter zitting zijn eerdere verzoek tot gijzeling van getuige [belanghebbende] gehandhaafd.

Beschikking is vervolgens bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Uitgangspunten in de hoofdzaak en in incident:

1.1.
[verzoeker] is op 26 november 2017 in de metro in [plaats] met een hamer op zijn hoofd geslagen door een onbekende jongen. Hij heeft daardoor letsel opgelopen.

1.2.
Op 28 november 2017 heeft [verzoeker] aangifte gedaan van zware mishandeling.

1.3.
Uit camerabeelden heeft de politie opgemaakt dat bij deze mishandeling vier jongens waren betrokken, waaronder [belanghebbende] (geboren op 22 februari 2002).

1.4.
Bij politieverhoren op 6 en 7 februari 2018 heeft [belanghebbende] ontkend [verzoeker] met de hamer te hebben geslagen en verder op enige wijze daarbij betrokken te zijn.

1.5.
Tijdens de voorgeleiding bij de kinderrechter op 8 februari 2018 heeft [belanghebbende] opnieuw ontkend enige betrokkenheid te hebben bij de mishandeling, maar wel bekende hij de identiteit van degene die [verzoeker] heeft mishandeld te kennen. [belanghebbende] heeft echter aan de politie meegedeeld de identiteit van de dader niet bekend te kunnen maken gelet op zijn eigen veiligheid.

1.6.
De vordering inbewaringstelling tegen [belanghebbende] is daarop afgewezen en de strafzaak tegen [belanghebbende] is vervolgens op 26 juli 2018 geseponeerd.

1.7.
Op 29 januari 2019 is [belanghebbende] in deze procedure als getuige gehoord en hij heeft toen verklaard dat hij weet hoe de andere drie jongens heten, maar dat hij de namen van deze jongens niet wilde vertellen.

1.8.
Tijdens deze zitting heeft [belanghebbende] in het bijzijn van zijn vader verder verteld dat hij naar aanleiding van het incident op 26 november 2017 niet langer bij zijn moeder in [plaats] maar bij zijn vader in [plaats] woont en vanaf september 2018 zijn opleiding heeft voortgezet aan het [naam opleider] in [plaats] in plaats van in [plaats] , om daarmee te voorkomen dat hij de jongens van het incident nog zou tegenkomen. Hij heeft daarbij verklaard nog steeds heel erg bang te zijn voor deze jongens.

1.9.
Op 29 januari 2019 is mr. De Wit als bijzondere curator van [belanghebbende] benoemd en is haar (onder meer) verzocht te onderzoeken welk gevaar [belanghebbende] loopt als hij de namen van de drie jongens prijs geeft.

1.10.
Bij brief van 27 februari 2019 heeft mr. De Wit haar bevindingen aan de kantonrechter en de gemachtigde van [verzoeker] toegezonden. Daarin is onder meer vermeld:

( ... ) STANDPUNT BIJZONDER CURATOR

Na de gesprekken met alle drie de betrokkenen [de vader, de moeder en [belanghebbende] , ktr] stel ik mij op het standpunt dat [belanghebbende] [ [belanghebbende] , ktr] zich zodanig bedreigd voelt dat hij de namen van de jongens niet zal noemen. Nu [belanghebbende] erg standvastig en erg angstig is, zal zelfs een eventuele gijzeling hier geen verandering in brengen. Aangezien er geen daadwerkelijke bedreigingen zijn geuit richting [belanghebbende] – maar het enkel een zeer sterk gevoel is dat bij [belanghebbende] leeft – is het echter niet mogelijk om aan te geven welk gevaar [belanghebbende] precies loopt. Uit mijn onderzoek is echter wel duidelijk naar voren gekomen dat [belanghebbende] niet enkel aangeeft angst te hebben voor de jongens, maar hier ook – tezamen met zijn ouders- naar handelt. Gezien de ernst van het feit waarvan de jongens verdacht worden en de leeftijd van [belanghebbende] acht ik de angst van [belanghebbende] aannemelijk. ( ... )

Verzoek in incident

2. 
[verzoeker] verzoekt om [belanghebbende] , als weigerachtige getuige, te gijzelen.

3. 
De gemachtigde van [verzoeker] stelt hiertoe dat [belanghebbende] weet wie [verzoeker] heeft mishandeld, maar weigert zijn personalia bekend te maken. Hierdoor is [verzoeker] niet in staat zijn schade ten gevolge van de mishandeling op deze dader te verhalen.

4. 
[belanghebbende] heeft als belanghebbende in incident verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen zal voor zover van belang hieronder nader worden ingegaan.

Beoordeling in incident

5. 
Ingevolge artikel 173 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de rechter op verzoek van de belanghebbende partij bevelen dat indien een getuige weigert zijn verklaring af te leggen hij in gijzeling zal worden gesteld totdat hij aan zijn verplichtingen heeft voldaan, met dien verstande dat de gijzeling ten hoogste een jaar kan duren.

6. 
Vaststaat dat [belanghebbende] weet wie de andere jongens zijn, maar weigert de personalia van deze jongens bekend te maken. [belanghebbende] is daardoor een weigerachtige getuige.

7.
[belanghebbende] heeft zowel ten opzichte van de politie als ten opzichte van de kantonrechter, de gemachtigde van [verzoeker] en de bijzondere curator uiteengezet waarom hij bang is om de personalia van de andere jongens bekend te maken. Hij vreest dat als hij dat doet, deze jongens achter hem aan zullen komen, hetgeen gelet op hun gewelddadig optreden op 26 november 2017, voor hem heel beangstigend is. Hoewel [belanghebbende] is verhuisd en nu naar school gaat in [plaats] , blijft [belanghebbende] consequent volhouden dat hij vreest voor zijn veiligheid als hij verklaart over de identiteit van de andere jongens. Hoewel deze vrees niet objectief kan worden vastgesteld, heeft hij toch voldoende aannemelijk gemaakt dat met deze vrees rekening dient te worden gehouden.

8. 
Nu [belanghebbende] bovendien minderjarig is, is onder de gegeven omstandigheden het belang van [verzoeker] bij waarheidsvinding onvoldoende zwaarwegend om het verzoek tot gijzeling toe te wijzen. Daarbij geldt dat de vordering van [verzoeker] een beperkt financieel belang heeft, te weten in ieder geval minder dan € 5.000,00.

9. 
Nu lijfsdwang niet langer dreigt, wordt het bijzondere curatorschap van mr. De Wit per direct opgeheven.

10. 
Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [verzoeker] in de proceskosten veroordeeld, aan de zijde van verweerder en [belanghebbende] tot op heden begroot op nihil. Gesteld noch gebleken is immers dat [belanghebbende] kosten heeft gemaakt voor de bijstand van de bijzondere curator.

Beoordeling in de hoofdzaak

11.
De gemachtigde van [verzoeker] heeft laten weten geen verdere getuigen in het voorlopig getuigenverhoor te willen horen, zodat het voorlopig getuigenverhoor wordt gesloten.

11. 
De proceskosten komen onder de gegeven omstandigheden voor [verzoeker] , aan de zijde van verweerder begroot op nihil. ECLI:NL:RBAMS:2019:2516