Zoeken

Inloggen

Artikelen

GHAMS 060922 proceskostenveroordeling tzv vordering ex 843a Rv afgewezen; wn-er heeft geen rechtmatig belang bij verzekeringsgegevens werkgever

GHAMS 060922 Wn-ster stoot hoofd tegen laaghangende dakconstructie in kantoorruimte; wg-er aansprakelijk
geen causaal verband met voortdurende gezondheidsklachten; geen neurologische verklaring; mogelijk wel schade in korte periode na het ongeval;
- proceskostenveroordeling tzv vordering ex 843a Rv afgewezen; wn-er heeft geen rechtmatig belang bij verzekeringsgegevens werkgever

2
De zaak in het kort

[appellante] heeft tijdens het uitoefenen van haar werkzaamheden voor Havas c.s. haar hoofd gestoten tegen een laaghangende dakconstructie. Zij stelt dat zij als gevolg daarvan voortdurende klachten heeft, waardoor zij niet meer kan werken, en zij vordert schadevergoeding van Havas c.s. Havas c.s. betwisten dat dat zij hun zorgplicht hebben geschonden jegens [appellante] en tevens betwisten zij dat de klachten door het ongeval zijn veroorzaakt.

3
De feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis van 20 augustus 2015 (geen publicatie bekend, red. LSA LM) onder 1.1 tot en 1.7 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat komen de feiten neer op het volgende.

3.1
[appellante] is op 14 maart 2013 als [functie] in dienst getreden bij Havas voor de periode tot en met 30 september 2013. Havas heeft [appellante] uitgeleend aan [X] . Het kantoor van Havas c.s. was op dat moment gevestigd op de tweede verdieping van het historische pand dat Havas huurde aan de [A-straat] te [plaats A] . Op 25 april 2013 zijn Havas c.s. met al het personeel verhuisd naar de open kantoorruimte op de zolderetage van het pand.

3.2
Het dak van het gebouw werd ondersteund door een metalen constructie, die bestaat uit wit gespoten metalen balken, waarin zich verlichting bevond. De onderste balken van deze constructie hingen op ongeveer anderhalve meter hoogte boven de werkvloer. Aan de kant van de kantoorruimte waar de trap, de technische ruimte en de wc’s waren gesitueerd, was de vloer over ongeveer twee bij twee meter verdiept waardoor een kuil was gecreëerd. Aan de vier zijden gaven telkens twee traptreden toegang tot de kuil.

3.3
Op 16 mei 2013 heeft [appellante] haar hoofd tegen de onderste metalen balk gestoten. Collega’s hebben haar naar het OLGV te [plaats A] gebracht, waar een CT-scan van de hersenen is gemaakt. Daarbij is vastgesteld dat zij een commotio cerebri without abnormalities had opgelopen. Zij heeft het advies gekregen gedurende twee tot drie weken te revalideren. In de periode daarna ontwikkelde [appellante] toenemende klachten, zoals hoofdpijn, hyperacusis, oorsuizen, concentratieverlies en duizeligheid. Zij heeft zich ziek gemeld en haar werkzaamheden niet hervat. Na afloop van de arbeidsovereenkomst is haar een uitkering op grond van de Ziektewet toegekend.

3.4
In mei 2013, voordat het ongeval plaatsvond, heeft [appellante] aan Havas c.s. medegedeeld dat zij een andere baan had gevonden. Na tussenkomst van de toenmalige gemachtigde van [appellante] hebben Havas c.s. het salaris tot het einde van de overeengekomen looptijd van de arbeidsovereenkomst uitbetaald.

4
Beoordeling

De procedure in eerste aanleg

4.1
De kantonrechter heeft bij het bestreden tussenvonnis van 20 augustus 2015 een descente gelast om de situatie ter plaatse te beoordelen. De descente heeft plaatsgevonden op 18 november 2015. In het bestreden tussenvonnis van 30 juni 2016 heeft de kantonrechter Havas c.s. toegelaten te bewijzen dat zij hebben gedaan wat redelijkerwijs nodig was om te voorkomen dat medewerkers onder de metalen balk in de kantoorruimte zouden doorlopen en zich daaraan zouden stoten. Bij het bestreden tussenvonnis van 18 januari 2018 heeft de kantonrechter, na het horen van getuigen, geoordeeld dat Havas c.s. zijn tekortgeschoten in hun plicht om als werkgever te zorgen voor een veilige werkomgeving. Havas c.s. zijn daarom aansprakelijk voor de schade die [appellante] heeft geleden als gevolg van het ongeval. Zij heeft tevens geoordeeld dat, anders dan [appellante] stelt, daarmee het causaal verband met de door haar gestelde schade nog niet vast staat. De kantonrechter heeft daarvoor een deskundigenbericht gelast. Bij het tussenvonnis van 23 augustus 2018 heeft zij neuroloog prof. dr. P. Scheltens (hierna: Scheltens) als deskundige benoemd. Scheltens heeft op 9 september 2019 een rapport uitgebracht.

Bij eindvonnis van 13 februari 2020 heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellante] afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld. Daartoe heeft de kantonrechter, kort gezegd, overwogen dat, hoewel [appellante] niet de indruk maakt de klachten voor te wenden of te overdrijven, de kantonrechter er niet van overtuigd is geraakt dat alle klachten van [appellante] een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten vormen. Van de klachten van [appellante] , die wel als consistent, consequent en samenhangend kunnen worden aangemerkt, staat niet vast dat zij zonder meer door het ongeval verklaard kunnen worden. De hoofdpijnklachten bestonden al voor het ongeval.

De grieven

4.2
Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellante] in principaal appel met twee grieven op.

Met haar eerste grief klaagt [appellante] over de afwijzing door de kantonrechter van de gevorderde verklaring voor recht en verwijzing naar de schadestaatprocedure. Zij betoogt dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het causaal verband nog diende te worden bewezen en dat daartoe nadere voorlichting van een neuroloog noodzakelijk was. Strekking van de schadestaatprocedure is volgens haar om het debat in de hoofdzaak te beperken tot de aansprakelijkheidsvraag. Zij meent dat voor het bewijs dat zij in de uitoefening van haar werkzaamheden schade heeft opgelopen, voldoende is dat het ongeval haar is overkomen op de werkplek. Vast staat voorts dat zij als gevolg van het stoten van het hoofd enige gezondheidsklachten heeft ondervonden, zoals een bult en misselijkheid. Zij heeft er recht op en belang bij dat in deze procedure uitsluitend de aansprakelijkheid wordt vastgesteld en dat verdere vaststelling van de (omvang van de) schade buiten rechte plaatsvindt. In dat kader vordert zij in hoger beroep veroordeling van Havas c.s. om in onderhandeling te treden om de schade te begroten.

Grief 2 ziet op de overweging van de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat haar klachten het gevolg zijn van het ongeval. [appellante] meent dat zij het causaal verband tussen haar voortdurende klachten (die passen bij een post-commotioneel syndroom) en het ongeval voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Subsidiair vraagt zij het hof een neuropsycholoog en psychiater te benoemen, alsmede een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige.

4.3
Havas c.s. voeren bij hun verweer tegen de grieven van [appellante] aan dat [appellante] met haar stelling dat vast staat dat tengevolge van het ongeval enige gezondheidsschade is geleden, miskent dat juist het causaal verband tussen de voortdurende klachten en het ongeval ontbreekt. De schade die zij stelt te hebben geleden (en te lijden) is het gevolg van die gestelde voortdurende klachten. De vordering tot onderhandelen is prematuur omdat niet vast staat dat de klachten van [appellante] ongevalsgerelateerd zijn. Daarom wordt niet toegekomen aan de vraag of [appellante] als gevolg van die klachten beperkingen ondervindt. Voorts stellen Havas c.s. dat Scheltens geen post-commotioneel syndroom heeft vastgesteld. Ook is er geen consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten.

4.4
In incidenteel appel hebben Havas c.s. 11 grieven gericht tegen de beslissingen van de kantonrechter.
Met hun eerste grief klagen zij erover dat de kosten van het deskundigenbericht voor hun rekening zijn gekomen. Voorts komen de grieven gezamenlijk op tegen het oordeel dat Havas c.s. hun zorgplicht hebben geschonden.

4.5
Grieven 2 en 3 zijn gericht tegen een aantal feitelijke vaststellingen van de kantonrechter in het tussenvonnis van 30 juni 2016. Volgens Havas c.s. hebben zij de nodige voorzorgsmaatregelen getroffen om een goed begaanbare route naar het toilet te bewerkstelligen, regelmatig instructies gegeven en andere maatregelen getroffen om te zorgen dat het toilet via de kuil werd bereikt. Zij betogen dat er een veilige looproute was, maar dat [appellante] koos voor een onveilige route, hetgeen voor haar eigen verantwoordelijkheid komt. Zij betwisten dat er causaal verband bestaat tussen hun nalaten nadere maatregelen te treffen en het ongeval. Bovendien stellen zij dat het ongeval kan worden gekwalificeerd als een huis-, tuin- en keukenongeluk, waarvoor de werkgever niet aansprakelijk is. Zij wijzen op jurisprudentie van de Hoge Raad waaruit volgt dat op de werkgever geen risicoaansprakelijkheid rust.

4.6
Grieven 4 tot en met 11 hebben betrekking op de overwegingen in het tussenvonnis van 18 januari 2018 die leiden tot de conclusie dat Havas c.s. hun zorgplicht hebben geschonden en aansprakelijk zijn voor de schade die [appellante] als gevolg van het ongeval heeft geleden.

4.7
[appellante] stelt bij haar bespreking van de grieven van Havas c.s. met betrekking tot de kosten van het deskundigenbericht dat Havas c.s. hun zorgplicht hebben geschonden, zodat zij gehouden zijn niet alleen de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden, maar ook de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Wat de schending van de zorgplicht betreft, verwijst [appellante] ter betwisting van de stellingen van Havas c.s. naar de in het geding gebrachte foto’s en de getuigenverklaringen. Zij stelt dat de bewijslast voor de stelling dat Havas c.s. voldoende maatregelen hebben getroffen op Havas c.s. rust. Niet is gebleken dat het lopen buiten de loopkuil, onder de balken door, nagenoeg onmogelijk werd gemaakt. Zij betwist dat zij (herhaalde) instructies heeft gehad om door de loopkuil te lopen. De instructies werden volgens [appellante] ook door anderen niet nageleefd.

De vordering op grond van artikel 843a Rv

4.8
[appellante] heeft het hof verzocht om Havas c.s. op de voet van artikel 843a RV, juncto artikel 22 Rv, op te dragen aan [appellante] kenbaar te maken of zij ten tijde van de schadeveroorzakende gebeurtenis verzekerd waren, bij welke verzekeraar(s) zij verzekerd waren en/of de schade aldaar is gemeld, en welk standpunt deze verzekeraar(s) inneemt/innemen ten aanzien van dekking voor de schadeveroorzakende gebeurtenis. Tevens heeft zij verzocht Havas c.s. te bevelen de bescheiden aan de hand waarvan deze vragen beantwoord kunnen worden (zoals de polis(sen) AVB-verzekering, de polisvoorwaarden van de betreffende verzekeraar(s), de melding(en) op de polis(sen) door Havas c.s., de eventuele afwijzing(en) van polisdekking door de verzekeraar(s), dan wel bevestiging polisdekking door verzekeraar(s)) aan [appellante] te verstrekken, dan wel Havas c.s. te bevelen deze bescheiden in deze procedure in te brengen.

4.9
Havas c.s. hebben zich tegen vordering verweerd met de stelling dat [appellante] geen rechtmatig belang heeft bij het gevorderde. Zij heeft geen bewijsbelang bij de gevraagde bescheiden in het kader van deze werkgevers-/inlenersaansprakelijkheidsprocedure, omdat deze niet kunnen leiden tot een toewijzing van de vorderingen van [appellante] . Ook artikel 22 Rv kan er daarmee niet toe leiden dat de gevorderde bescheiden aan [appellante] dienen te worden verstrekt. Bovendien is niet voldaan aan het vereiste van een rechtsbetrekking waarbij [appellante] partij is. Anders dan [appellante] lijkt te betogen, schept artikel 7:954 BW geen zelfstandige aansprakelijkheidsgrond en is de verzekeraar geen partij in dit geding.

4.10
Verder wordt gewezen op artikel 843a lid 4 Rv: bescheiden hoeven niet te worden verschaft indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.

Die situatie doet zich hier voor. Ook zonder de verzekeringsstukken is een behoorlijke rechtsbedeling gewaarborgd, omdat die verzekeringsstukken niet zien op de vraag die in rechte voorligt.

4.11
Alhoewel Havas c.s. van mening zijn dat dit incident nodeloos aanhangig wordt gemaakt, hebben zij de zogenoemde lnsurance Manual 2013 in het geding gebracht, waaruit blijkt dat "bodily injuries" gedekt zijn (dus lichamelijk letsel, psychisch letsel wordt niet genoemd) en een mailwisseling tussen het hoofdkantoor van Havas en de verzekeraar, waaruit blijkt dat werkgeversaansprakelijkheid is verzekerd en dat daarvoor een 'notification claim' moet worden ingediend en is ingediend.

4.12
Daarop heeft [appellante] laten weten dat het hof geen beslissing meer hoeft te nemen op de vordering op grond van artikel 843a Rv, maar dat zij wel een proceskostenveroordeling in het incident wenst.

4.13
Hoewel geen beslissing meer wordt verlangd over de vordering in incident, is voor toewijzing van de gevraagde proceskostenveroordeling bepalend of die vordering terecht was ingesteld. Die vraag wordt ontkennend beantwoord.

Daartoe overweegt het hof dat op grond van artikel 843a Rv de partij, die daarbij rechtmatig belang heeft, inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarbij zij partij is.

De vordering van [appellante] kan niet worden toegewezen omdat zij geen rechtmatig belang heeft bij de door haar gewenste bescheiden. Deze bescheiden kunnen geen bijdrage leveren aan de toewijzing van de in deze procedure aan de orde zijnde vorderingen. Immers, de vraag of Havas c.s. verzekerd zijn voor de door [appellante] gestelde schade, dan wel de vraag of Havas c.s. de schade bij haar verzekeraar heeft gemeld, heeft geen invloed op de aansprakelijkheid van Havas c.s. jegens [appellante] . Voor toepassing van artikel 22 Rv is om die reden evenmin grond.

[appellante] zal dan ook - te zijner tijd - worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van Havas c.s.

Bespreking van de grieven

Schending zorgplicht

4.14
Het hof ziet aanleiding te beginnen met de bespreking van de grieven 2 tot en met 11 in incidenteel appel. Deze grieven tezamen strekken tot de conclusie dat Havas c.s. hun zorgplicht jegens [appellante] niet hebben geschonden.

4.15
Havas c.s. hebben daartoe betoogd dat de inrichting van de zolderverdieping zodanig was dat [appellante] zich op normale wijze kon verplaatsen binnen de werkruimte. Er waren hoge plafonds. Aan de achterzijde van de werkruimte waren de balken iets lager aangebracht, maar de verhuurder heeft hier in het midden van de werkvloer een loopkuil aangebracht. Als men naar de toiletten wilde, moest via de loopkuil worden gelopen, hetgeen niet als inspannend kan worden gekwalificeerd. Zij stellen dat uit de getuigenverklaringen volgt dat aan weerszijde van de kuil banken stonden, ook onder de balk waaraan [appellante] zich heeft gestoten. En voorts blijkt uit de getuigenverklaringen dat er - ook al voor het ongeval - instructies zijn gegeven om door de kuil te lopen. [appellante] moet bekend worden geacht met die waarschuwingen.

Volgens Havas c.s. is voor het antwoord op de vraag of zij aan hun zorgplicht hebben voldaan, niet beslissend wat zij hebben gedaan om te zorgen dat de route via de loopkuil ook werd gebruikt. Zij wijzen er in dat verband op dat de zorgplicht geen risicoaansprakelijkheid in het leven roept. Van hen kon niet worden verlangd dat zij de doorgang feitelijk blokkeerden. Dit was ook niet praktisch mogelijk.

Verder wijzen Havas c.s. erop dat [appellante] tegen de balk is aangelopen omdat zij bezig was op haar telefoon te kijken. Van hen niet kan worden verlangd dat zij hun werknemers waarschuwen voor de gevaren van het kijken op een telefoon tijdens het lopen aangezien die risico’s van algemene bekendheid moeten worden verondersteld. Havas c.s. zijn van mening dat hier sprake is van een huis-, tuin- en keukenongeluk.

4.16
Het hof stelt het volgende voorop.

Op grond van artikel 7:658 lid 1 en 2 BW is een werkgever verplicht zorg te dragen voor de veiligheid van de werkomgeving van de werknemer. De werkgever moet die maatregelen nemen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn functie schade lijdt. Het antwoord op de vraag wat in redelijkheid van de werkgever mag worden gevergd ten aanzien van de concrete invulling van diens zorgplicht jegens de werknemer, is steeds afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

4.17
Niet in geschil is, dat het ongeval plaatsvond in de kantoorruimte waar [appellante] aanwezig was ter uitvoering van haar werkzaamheden voor Havas c.s. Bij tussenvonnis van 30 juni 2016 heeft de kantonrechter overwogen dat zij tijdens de descente heeft vastgesteld dat de dwarsbalken van de metalen dakconstructie van de kantoorruimte waar [appellante] werkte, zich bevinden tussen de voormalige werkplek van [appellante] en de wc en wel op de hoogte van het voorhoofd van [appellante] , zodat ervan wordt uitgegaan dat zij daar, zoals zij heeft gesteld, tegenaan is gelopen op weg naar de wc. Havas c.s. hebben een grief gericht tegen deze overweging (grief 2), inhoudende dat [appellante] zich, via de loopkuil, op normale wijze (zonder te hoeven bukken) kon verplaatsen richting de wc. Het hof stelt vast dat partijen in zoverre niet van mening verschillen. Evenmin staat echter ter discussie dat de route die [appellante] heeft genomen naar de wc, zonder gebruik te maken van de loopkuil, onder het op ooghoogte hangende deel van de dakconstructie doorloopt. Niet is betwist dat [appellante] daarbij haar hoofd heeft gestoten tegen die constructie. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat [appellante] daarmee heeft voldaan aan haar stelplicht met betrekking tot de omstandigheden op het werk, waaraan zij de door haar gestelde schade wijt.

4.18
Het is onder deze omstandigheden aan Havas c.s. als werkgever om te stellen, en bij betwisting te bewijzen, dat zij aan hun zorgplicht hebben voldaan. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat Havas c.s. daartoe dienen te bewijzen dat zij hebben gedaan wat redelijkerwijs nodig was om te voorkomen dat medewerkers onder de stalen balk in de kantoorruimte zouden doorlopen en zich daaraan zouden stoten. Door dit bewijs te verlangen is niet, zoals door Havas c.s. betoogd, een risicoaansprakelijkheid van de werkgever aangenomen. De in artikel 7:658 lid 1 BW bedoelde zorgplicht leidt ertoe dat de werkgever niet alleen verplicht is om aanwijzingen te verstrekken om zoveel mogelijk te voorkomen dat de werknemer schade lijdt, maar ook de daartoe de geëigende veiligheidsmaatregelen dient te treffen. Bij de beantwoording van de vraag of de werkgever aan zijn zorgplicht heeft voldaan, moet in aanmerking worden genomen dat met de zorgplicht van de werkgever weliswaar niet wordt beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen, maar dat gelet op de ruime strekking van de zorgplicht niet snel mag worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en aldus niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Artikel 7:658 BW vergt een hoog veiligheidsniveau van de betrokken werkruimte, alsmede van de organisatie van de werkzaamheden, en vereist dat de werkgever het op de omstandigheden van het geval toegesneden toezicht houdt op behoorlijke naleving van de door hem gegeven instructies. Als de plaats waar de werkzaamheden worden verricht eraan in de weg staat dat de werkgever direct toezicht houdt op de naleving van de door hem gegeven instructies, dient deze zo nodig aanvullende veiligheidsmaatregelen te treffen. Het antwoord op de vraag welke maatregelen de werkgever dient te treffen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de werkzaamheden, de kans dat zich een ongeval zal voordoen, de ernst die de gevolgen van een ongeval kunnen hebben en de mate van de bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen. (Zie HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3519.)

4.19
Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat de situatie met de laaghangende dakconstructie het risico met zich bracht dat men zich daaraan zou stoten. Weliswaar bestond dit risico niet als men de route via de loopkuil nam, maar Havas c.s. diende er rekening mee te houden dat hun werknemers geneigd konden zijn de -kortere- route langs de loopkuil, onder de balk door, te nemen. Rekening dient immers te worden gehouden met het ervaringsfeit dat werknemers wel eens nalaten de voorzichtigheid in acht te nemen die ter voorkoming van ongelukken geraden is. Van Havas c.s kon derhalve worden verlangd dat zij in redelijkheid te nemen maatregelen zouden treffen om het gebruik van een looproute langs de loopkuil te voorkomen.

4.20
De stelling van Havas c.s. dat zij hun verplichting zijn nagekomen door rode zitbanken onder de dwarsbalken te plaatsen, is door [appellante] weersproken. Dat geldt ook voor de stelling dat Havas c.s. hun werknemers erop hebben gewezen dat zij niet onder de balk moesten doorlopen, maar de route door de loopkuil moesten nemen. Havas c.s. stellen dat zij het bewijs van hun stellingen hebben geleverd. [appellante] meent dat dit niet het geval is.

4.21
Verschillende getuigen hebben verklaard over de aanwezigheid van de rode banken. Daaruit volgt dat de banken regelmatig werden verplaatst. Ook hebben verschillende getuigen verklaard dat zij regelmatig onder de lage dakconstructie doorliepen, hetgeen erop wijst dat rode banken niet steeds onder de lage dakconstructie stonden ter blokkering van die looproute. Ook het feit dat [appellante] haar hoofd heeft kunnen stoten aan de balk op weg naar de wc, wijst erop dat op dat dit op dat moment kennelijk niet werd verhinderd door de aanwezigheid van een bank.

Ook Havas c.s. hebben onderkend dat de maatregel van het plaatsen van banken geen adequate maatregel was ter voorkoming van dit specifieke risico. Uit de verklaringen van voormalig officemanager [A] en [B] volgt dat regelmatig is gesproken over betere maatregelen dan plaatsing van de banken.

Het hof concludeert dat plaatsing van de banken niet als een adequate maatregel kan worden beschouwd ter voorkoming van incidenten als het onderhavige.

4.22
Havas c.s. stellen dat tot de maatregel van de banken is besloten nadat andere, betere maatregelen zijn onderzocht, rekening houdend met het feit dat de verhuurder had verboden iets aan de balken te hangen. Zij stellen dat het ook niet mogelijk was om materiaal aan de balken te bevestigen in verband met brandgevaar. Het was niet mogelijk om de ruimte onder de balken totaal te blokkeren met muurtjes of dwarsbalken. Er mochten ook geen wijzigingen aan de balken worden aangebracht. Bovendien moest rekening worden gehouden met de open constructie van de kuil en het feit dat de loopkuil en de ruimte rondom de loopkuil werden gebruikt als ontmoetingsplaats voor vergaderingen, aldus Havas c.s.

4.23
Uit verschillende getuigenverklaringen volgt dat alternatieve oplossingen werden afgekeurd omdat de verhuurder zou hebben verboden iets aan de balken te bevestigen. Het hof is van oordeel dat uit de door Havas c.s. overgelegde huisregels (productie 13) niet anders blijkt dan dat de pilaren, vloeren en wanden niet mogen worden aangetast. Dat de dakconstructie contractueel niet zou mogen worden voorzien van brandwerend beschermend materiaal volgt niet uit deze productie. Laat staan dat daaruit zou blijken dat er geen vlaggetjes of banners aan de balken zouden mogen worden bevestigd, zolang dat niet gepaard zou gaan met een aantasting van die balk.

Zou dat echter wel het geval zijn, dan ontslaat zulks de werkgever niet van zijn verplichting om voor een veilige werkomgeving te zorgen. Zouden de bepalingen van de huurovereenkomst hem dat onmogelijk maken, dan ligt het op de weg van de werkgever om zijn werknemers in een andere ruimte te werk te stellen. Daaraan doet niet af dat de zolderruimte in de huurovereenkomst wordt omschreven als geschikt als kantoorruimte, en evenmin dat de verhuurder meende dat geen andere maatregel mogelijk was dan plaatsing van de banken.

Ook blijkt uit verschillende getuigenverklaringen, zoals die van [C] en [A] , dat alternatieve maatregelen zoals het plaatsen van lichtgevende plantenbakken, werden afgekeurd om esthetische redenen.

4.24
De stelling van Havas c.s. dat zij herhaald en voldoende indringend hebben gewaarschuwd voor het gevaar van de laaghangende dakconstructie en de instructie hebben gegeven altijd door de loopkuil te lopen, is na bewijslevering niet komen vast te staan. Weliswaar is door [C] en [D] verklaard dat zij zowel voor als tijdens de verhuizing naar de zolderverdieping hebben gewezen op het risico en de werknemers hebben geïnstrueerd de route door de loopkuil te nemen, en heeft [D] verklaard dat hij dit tijdens vergaderingen regelmatig herhaalde, maar dat is voor het bewijs onvoldoende. Uit de verklaringen van werknemers komt een wisselend beeld naar voren. Sommigen waren op de hoogte van de instructie, anderen niet. Ook blijkt uit diverse verklaringen dat het regelmatig voorkwam dat de route onder de balk werd genomen en zelfs dat diverse werknemers daarbij hun hoofd hebben gestoten. Niet is gebleken dat op dit gedrag adequaat werd gereageerd. Integendeel, [D] , leidinggevende, verklaart dat hij zelf ook wel eens onder de balk doorliep. De conclusie is dan ook dat niet is komen vast te staan dat voldoende indringend is geïnstrueerd dat men niet onder de balk mocht doorlopen.

4.25
Uit het voorgaande volgt dat er mogelijkheden aanwezig waren om maatregelen te treffen om een ongeval zoals het onderhavige te voorkomen en dat niet is gebleken dat die maatregelen van Havas c.s. redelijkerwijs niet konden worden gevergd. Daarnaast is niet bewezen dat voldoende indringend voor het risico is gewaarschuwd.

4.26
Havas c.s. hebben nog aangevoerd dat het incident kon voorvallen omdat [appellante] , tijdens het lopen naar de wc, op haar telefoon keek. Zij betogen dat van hen niet kan worden gevergd dat zij waarschuwen voor de gevaren van het kijken op een telefoon tijdens het lopen.

In het midden kan blijven of [appellante] daadwerkelijk op haar telefoon keek toen zij tegen de dakconstructie liep, hetgeen zij betwist. Immers, zelfs als moet worden aangenomen dat [appellante] aldus onvoldoende oplettendheid heeft betracht, doet dat niet af aan de hierboven omschreven zorgplicht van Havas c.s. Blijkens vaste rechtspraak moet ook rekening worden gehouden met het ervaringsfeit dat het regelmatig verkeren in bepaalde werksituaties er toe kan leiden dat de werknemer minder voorzichtig zal worden dan ter voorkoming van ongevallen raadzaam is. Ook maakt de stelling dat het ongeval kon gebeuren doordat [appellante] op haar telefoon keek nog niet dat het ongeval als een huis- tuin- en keukenongeluk kan worden gekwalificeerd. Het risico op ongevallen als het onderhavige vindt zijn oorsprong in de - bepaald niet als gebruikelijk te kwalificeren - lage dakconstructie.

Ook is de stelling dat, indien bovenbedoelde adequate maatregelen ter voorkoming van een ongeval als onderhavige door Havas c.s. waren genomen, [appellante] desalniettemin onder de balk zou zijn doorgelopen, niet voldoende toegelicht.

4.27
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Havas c.s. zijn tekortgeschoten in hun plicht om als werkgever te zorgen voor een veilige werkomgeving. Als gevolg daarvan zijn zij aansprakelijk zijn voor de schade die [appellante] heeft geleden als gevolg van het ongeval.

4.28
Havas c.s. hebben geen (nader) bewijs aangeboden van concrete feiten die tot een ander oordeel kunnen leiden, zodat aan bewijslevering niet wordt toegekomen.

De grieven 2 tot en met 11 in het incidentele appel falen.

Causaal verband

4.29
Met haar principale grief 1 betoogt [appellante] , kort samengevat, dat het voorgaande voldoende is voor de door haar verlangde verklaring voor recht en verwijzing naar de schadestaatprocedure. Het hof volgt haar daarin niet.

De schadestaatprocedure strekt ertoe om in een afzonderlijke procedure de schade, waarvoor een ander aansprakelijk is, te begroten. Voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding op te maken bij staat is voldoende maar wel vereist dat de mogelijkheid dat schade ten gevolge van het aansprakelijkheid scheppende feit -het ongeval- is of zal worden geleden, aannemelijk is (HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7435). Met de vaststelling van de zorgplichtschending staat het causaal verband tussen het ongeval en de door [appellante] gestelde schade nog niet vast. Beoordeeld dient te worden of [appellante] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij schade heeft geleden of lijdt als gevolg van het ongeval. Weliswaar heeft [appellante] daarover gesteld dat zij als gevolg van het stoten van het hoofd in elk geval enige gezondheidsklachten heeft ondervonden, zoals een bult en misselijkheid, maar die enkele omstandigheid dient niet te leiden tot een verwijzing naar de schadestaatprocedure.

Ook als gevorderd wordt de zaak te verwijzen naar de schadestaatprocedure, staat het de rechter immers vrij, om als hij daartoe mogelijkheden ziet, de schade in de hoofdprocedure te begroten. Het hof ziet in dat verband, net als de kantonrechter, aanleiding om in deze procedure het causaal verband tussen het ongeval en de door [appellante] gestelde schade waarvan zij vergoeding wenst, te bespreken. .

Daarbij zal worden betrokken hetgeen [appellante] ter toelichting op haar tweede grief heeft aangevoerd.

4.30
[appellante] stelt dat zij het causaal verband tussen haar voortdurende klachten (die passen bij een post-commotioneel syndroom) en het ongeval voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Zij voert daartoe het volgende aan.

Na het ongeval is zij meteen gezien op de afdeling spoedeisende hulp (SEH), alwaar een forse bult op het voorhoofd werd gezien, en een commotio cerebri werd gediagnosticeerd. [appellante] heeft zich na het ongeval ziekgemeld en heeft haar werkzaamheden niet meer hervat.

4.31
Zij stelt dat zij last heeft van de volgende voortdurende klachten, die passen bij een post-commotioneel syndroom:
- Oorsuizen (tinnitus), continu, hoog in frequentie,|
- Vermoeidheid en snelle vermoeibaarheid,
- Hoofdpijn en frequente migraine-aanvallen,
- Overgevoeligheid voor geluid en bewegingen,
- Gevoelige huid, regelmatige aanvallen van huiduitslag,
- Tremor aan beide handen,
- Minder focus en moeite met organiseren,
- Geheugenklachten en verminderde besluitvaardigheid,
- Gevoeligheid achterste deel schedel,
- Snel nekpijn, maar niet continu.

4.32
Het hof stelt voorop dat het aan [appellante] is om te stellen en, bij gemotiveerde betwisting, te bewijzen dat zij gezondheidsklachten heeft die het gevolg zijn van het stoten van haar hoofd tegen de balk. Dat het, gelet op de door [appellante] beschreven klachten, gaat het om subjectieve klachten die moeilijk objectief vast te stellen zijn, doet daaraan niet af. Aangesloten wordt bij de rechtspraak op grond waarvan het bestaan van klachten kan worden aangenomen, als een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten aanwezig is, en bovendien komt vast te staan dat deze gezondheidsklachten voor het ongeval niet bestonden, terwijl die klachten op zichzelf door het ongeval veroorzaakt kunnen worden (gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 februari 2018, ECLI:NL:GHARL: 2018:1661 en 24 mei 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3988).

4.33
De kantonrechter heeft ter beoordeling van de gestelde klachten en het causaal verband een deskundige benoemd. Neuroloog prof. dr. P. Scheltens heeft op 9 september 2019 een rapport uitgebracht. Scheltens beschrijft daarin de anamnese en de medische informatie die aan hem is verstrekt. Tevens beschrijft hij dat hij [appellante] zelf heeft onderzocht. Als conclusie is het volgende vermeld:

Op grond van alle gegevens uit anamnese en het dossier moet de diagnose trauma capitis, of in de huidige terminologie volgens de vigerende CBO richtlijn (2010),‘licht traumatisch hoofd/hersenletsel (LTH)’ luiden. Deze diagnose kan gesteld worden omdat aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1. Glasgow Coma Scale score bij eerste onderzoek 13-15 (geen enkel bewustzijnsverlies en geen afwijkingen bij onderzoek in OLVG).
2. Indien posttraumatisch bewustzijnsverlies: maximaal 30 minuten (n.v.t.: geen enkel bewustzijnsverlies).
3. Indien posttraumatische anterograde amnesie: maximaal 24 uur (n.v.t.: geen amnesie gerapporteerd).

Hiermee zijn alle diagnoses die door diverse medische en paramedische behandelaars zijn geopperd als onjuist te classificeren: commotio cerebri is in wezen hetzelfde maar de term is sinds 2010 in onbruik; contusio cerebri heeft wel bewustzijnsverlies, amnesie en/of afwijkingen op de CT-scan). Er was ook geen sprake van een schedelbasisfractuur, zoals gesuggereerd door de psychotherapeut Blok. Een schedelbasisfractuur is het gevolg van een fors letsel, met een aantoonbare (op CT-scan) fractuur van de schedelbasis die als direct gevolg heeft bloed en -liquorlekkage uit de neus (voorste schedelbasis) of oor achtersteschedelbasis. Een heel enkele keer persisteert de liquorlekkage bij een aangetoonde voorste schedelbasisfractuur en is dan meestal juist in liggende houding te merken als een zoete vloeistof die achter in de keel loopt, dan wel uit een neusgat loopt bij voorover bukken. Van al deze zaken was bij betrokkene geen sprake. De ervaring van ‘snot’ in de neus kan derhalve zeker niet gewijd worden aan liquorlekkage. De uitgebreide CT-hersenen laat, ook bij revisie, geen enkele traumatische afwijking zien. Volgens dezelfde richtlijn is er terecht een CT-hersenen gemaakt (blz 55-56; twee minor criteria: leeftijd boven de 40 en uitwendig letsel (bult). Tevens behoeft er geen wekadvies gegeven te worden (blz 80). Derhalve kan gesteld worden dat de opvang en behandeling in het OLVG adequaat en volgens de richtlijn geschied is.
De huidige klachten en de door haar beschreven beperkingen zijn na het trauma ontstaan, maar niet te verklaren vanuit enig organisch substraat. Eerder moet worden aangenomen dat betrokkene helaas in een circuit terecht is gekomen van allerlei therapeuten die de klachten somatisch hebben geduid, op niet
 onderbouwde gronden, met behandelingen en beweringen tot gevolg die, in mijn opinie, betrokkene eerder schade hebben berokkend dan haar hebben geholpen. In dit kader verwijs ik graag naar de opmerkelijke beweringen van psychotherapeut Blok, de GGZ-psycholoog Rouwhorst en de fysiotherapeut Baaijen.

Het klachtenpatroon zoals door betrokkene geuit vertoont overeenkomst met het zgn ‘postcommotionele syndroom’, zoals ook gesteld door de neuroloog Bosboom.”

4.34
Scheltens concludeert dat er op zijn vakgebied geen objectiveerbare beperkingen zijn te duiden. Ten aanzien van de medische eindtoestand concludeert Scheltens: “strikt genomen was, uitgaande van de diagnose, de medische eindtoestand al kort na het ongeval bereikt”.

4.35
Op de vraag naar reeds voor het ongeval aanwezige klachten en beperkingen antwoordt Scheltens: “Op grond van het huisartsjournaal heeft betrokkene in 2012 tenminste 3 maal een migraine aanval gehad, door de oogarts geduid als migraine opthalmique. De door betrokkene gerapporteerde ‘migraine aanvallen’ bij de huidige klachten waren dus ook al voor het ongeval aanwezig.”

4.36
[appellante] kan zich vinden in de door Scheltens gestelde diagnose en erkent dat voor haar klachten naar de huidige neurologische inzichten geen onderliggend neurologisch substraat kan worden gevonden. Zij meent echter dat op grond van het hiervoor geformuleerde toetsingscriterium wel causaal verband moet worden aangenomen tussen haar klachten en het ongeval. Volgens dat criterium kan immers van het bestaan van de klachten worden uitgegaan, ook als het niet of moeilijk objectiveerbare klachten zijn. De omstandigheid dat de klachten niet neurologisch verklaard kunnen worden, staat dus niet aan het vaststellen van causaal verband in de weg. Dit oordeel van Scheltens was immers juist ingegeven vanwege het ontbreken van objectiveerbare neurologische afwijkingen. Zij stelt dat na een hoofdtrauma een post-commotioneel syndroom c.q. status na licht traumatisch hersenletsel kan ontstaan en verwijst daartoe naar de Richtlijn Licht traumatisch hoofd/hersenletsel van de Federatie van Medisch Specialisten. De meeste van de daarin genoemde klachten doen zich ook voor bij [appellante] . Ook Scheltens meent dat deze klachten bestaan. [appellante] verwijst verder naar alle onderzoeken van behandelend artsen en paramedici. Op basis daarvan meent [appellante] dat er wel degelijk een plausibel en consistent en consequent samenhangend patroon van klachten is.

4.37
Het hof overweegt dat op grond van voormeld toetsingscriterium ook bij niet of moeilijk objectiveerbare klachten onder omstandigheden een causaal verband met het ongeval kan worden vastgesteld. Daarvoor is nodig dat sprake is van een plausibel, consistent en consequent samenhangend klachtenpatroon, maar ook dat die klachten door het ongeval verklaard kunnen worden en dat zij voor het ongeval niet bestonden.

4.38
Op grond van het rapport van Scheltens is het hof van oordeel dat ten aanzien van de voortdurende klachten, zoals hiervoor onder 4.31 beschreven, niet aan dat criterium is voldaan. Scheltens heeft immers vastgesteld dat, gelet op de door hem gestelde diagnose licht traumatisch hoofd/hersenletsel, waarbij geen bewustzijnsverlies en geen afwijkingen bij onderzoek zijn vastgesteld, en geen amnesie is gerapporteerd, de door [appellante] gestelde klachten niet neurologisch kunnen worden verklaard. Hij heeft daarbij gemotiveerd toegelicht waarom andere, door de behandelaars van [appellante] gerapporteerde diagnoses als onjuist terzijde moeten worden gesteld. Tevens heeft hij gerapporteerd dat de hoofdpijnklachten reeds voor het ongeval aanwezig waren en geduid werden als migraine opthalmique. Een deel van de klachten kan door deze migraine worden verklaard.

4.39
Voor zover [appellante] meent dat dit oordeel van Scheltens, die door de rechter als deskundige is benoemd, onjuist is, geldt dat het hof zijn beslissing om de zienswijze van de deskundige te volgen in het algemeen niet verder hoeft te motiveren dan door te overwegen dat de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Wel zal de rechter moeten ingaan op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door de rechter benoemde deskundige, indien deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze (vgl. HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1468). In dit licht overweegt het hof dat Scheltens in zijn rapport nauwkeurig heeft overwogen over welke informatie hij heeft beschikt, wat zijn eigen bevindingen zijn, en op grond waarvan hij tot zijn oordeel is gekomen. Het rapport voldoet daarmee aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden en de conclusie komt het hof overtuigend voor. [appellante] heeft tegen de zienswijze van Scheltens en het door hem uitgevoerde onderzoek geen specifieke bezwaren geuit die een voldoende betwisting daarvan inhouden. Weliswaar heeft [appellante] geklaagd over de overweging van Scheltens dat [appellante] helaas in een circuit terecht is gekomen van allerlei therapeuten die de klachten somatisch hebben geduid, op niet onderbouwde gronden, met behandelingen en beweringen tot gevolg die haar, in zijn opinie, eerder schade hebben berokkend dan haar hebben geholpen, maar die passage doet niet af aan de vaststelling van de deskundige dat de klachten niet neurologisch kunnen worden verklaard uit het ongeval. Het betreft hier een aanvullende opmerking van Scheltens, die op de beantwoording van de vragen niet van invloed is geweest.

4.40
Voor benoeming van een neuropsycholoog ziet het hof geen aanleiding. Of de inschakeling van een neuropsycholoog was aangewezen, was ter beoordeling aan Scheltens. Die heeft dat niet nodig gevonden. Niet is gemotiveerd toegelicht waarom dat oordeel onjuist zou zijn. Voor de benoeming van een psychiater heeft Scheltens geen aanleiding gezien. [appellante] heeft ook niet gesteld dat een psychiatrische stoornis aan haar klachten ten grondslag zou liggen. Het hof ziet derhalve geen aanleiding een psychiater te benoemen. Nu geen aan het ongeval te relateren beperkingen zijn of kunnen worden vastgesteld, is de benoeming van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige evenmin aan de orde.

4.41
Het voorgaande brengt mee dat de door [appellante] gestelde klachten niet door het ongeval verklaard kunnen worden, terwijl veel daarvan wel kunnen worden verklaard uit de voor het ongeval reeds aanwezige migraine, met uitzondering van de huidgevoeligheid.

4.42
De klachten zijn bovendien wisselend van aard en zijn niet steeds objectief vastgesteld. Zo zou het oorsuizen pas enkele weken na het ongeval zijn ontstaan. De tremor wordt niet in de medische documentatie genoemd na het ongeval, terwijl Scheltens bij zijn onderzoek ook geen tremor heeft vastgesteld. Ten aanzien van de nekpijn en gevoeligheid van de schedel geldt dat Scheltens geen afwijkingen heeft vastgesteld. Deze klachten worden ook niet consequent in de medische documentatie vermeld sinds het ongeval. Scheltens heeft tijdens zijn onderzoek geen huidgevoeligheid of huiduitslag vastgesteld. Ook in de door [appellante] overgelegde brief van neuropsycholoog Rouwhorst van 6 november 2014 wordt daarvan geen melding gemaakt en ook overigens zijn deze klachten niet behoorlijk gedocumenteerd. Aldus kan niet worden gesproken van een consistent en consequent samenhangend patroon van klachten.

4.43
Het voorgaande brengt mee dat het causale verband tussen de voortdurende klachten, zoals beschreven onder 4.31 en het ongeval, niet is komen vast te staan.

4.44
Dit neemt niet weg dat het hof aannemelijk acht dat [appellante] kort na het ongeval klachten had die aan het ongeval zijn toe te schrijven. Dat volgt uit het revalidatie-advies van de SEH en de opmerking van Scheltens dat, uitgaande van de diagnose, kort na het ongeval een medische eindtoestand is ontstaan. Hoewel uit de (medische) informatie geen exact moment is af te leiden, gaat het hof ervan uit dat met ‘kort na het ongeval’ niet meer dan een aantal weken wordt bedoeld. Dit strookt met het destijds gegeven advies om twee à drie weken te revalideren.

4.45
Dit brengt mee dat de mogelijkheid dat [appellante] als gevolg van het ongeval schade heeft geleden in de vorm van verlies van verdienvermogen weliswaar aanwezig is, maar niet aannemelijk is gemaakt dat zij daadwerkelijk in zoverre als gevolg daarvan schade heeft geleden. Immers, niet in geschil is dat Havas c.s. na het ongeval 4,5 maand loon hebben doorbetaald.

4.46
Niet valt echter uit te sluiten dat [appellante] , als gevolg van het ongeval, in een korte periode na het ongeval andere schade heeft geleden, waarvoor Havas c.s. aansprakelijk zijn. [appellante] noemt in dit verband de kosten die zij heeft moeten maken in verband met het bezoek aan de SEH. Gelet op de beperkte omvang van de schadeperiode en het feit dat deze schade bijna tien jaar geleden is geleden, is het hof van oordeel dat die schade in deze procedure moet kunnen worden begroot.

4.47
Het hof zal daarom [appellante] in de gelegenheid stellen zich bij akte uit te laten over alle schade die zij heeft geleden in de korte periode na het ongeval en de hoogte daarvan, waarna Havas c.s. zich daarover bij antwoordakte mogen uitlaten. De zaak zal daartoe naar de rol worden gewezen.

Kosten deskundigenbericht

4.48
Met hun eerste grief in incidenteel appel hebben Havas c.s. geklaagd over het feit dat zij zijn veroordeeld in de kosten van het deskundigenbericht. Zij hebben daartoe aangevoerd dat het gelet op de einduitspraak van de kantonrechter onjuist is dat zij de kosten daarvan zouden moeten dragen. Het hof zal een oordeel over deze grief aanhouden tot na het debat over de schade.

4.49
Iedere beslissing wordt aangehouden. ECLI:NL:GHAMS:2022:2623

Deze website maakt gebruik van cookies