Overslaan en naar de inhoud gaan

RBDHA 060524 KG; verdenking opzettelijk misleiden verzekeraar door zelfstandig letselschadebehandelaar; verzoek verwijdering registraties IVR en EVR afgewezen

RBDHA 060524 KG; verdenking opzettelijk misleiden verzekeraar door zelfstandig letselschadebehandelaar; verzoek verwijdering registraties IVR en EVR afgewezen

2De feiten

2.1.

[eisende partij] is werkzaam als zelfstandig letselschadebehandelaar.

2.2.

Halverwege 2023 heeft [eisende partij] bij Klaverblad gesolliciteerd naar de functie van letselschadebehandelaar.

2.3.

Tijdens het sollicitatieproces heeft Validata Group B.V. in opdracht van Klaverblad een screening/integriteitstest uitgevoerd.

2.4.

Op 8 juni 2023 heeft [eisende partij] een digitale integriteitsverklaring ingevuld en ondertekend. Een van de vragen was:

“Hebben zich, in aanvulling op bovenstaande vragen, in het verleden omstandigheden voorgedaan waardoor aan uw betrouwbaarheid, deskundigheid en/of integriteit zou kunnen worden getwijfeld?”

[eisende partij] heeft deze vraag met “nee” beantwoord.

2.5.

Vervolgens heeft [eisende partij] in de periode van 1 juli 2023 tot eind november 2023 als zelfstandig letselschadebehandelaar werkzaamheden uitgevoerd voor Klaverblad, waarbij zij zelfstandig letselschadedossiers behandelde.

2.6.

In november 2023 is Klaverblad ermee bekend geworden dat er in het verleden vijf frauderegistraties van verschillende verzekeraars geregistreerd stonden op naam van [eisende partij]. Daarnaast is Klaverblad bekend geworden met een vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 11 december 2020 in een procedure tussen ABN AMRO en [eisende partij]. In dat vonnis heeft de kantonrechter de fraudevordering van ABN AMRO afgewezen. Verder is in dat vonnis met betrekking tot eerdere schademeldingen van [eisende partij] het volgende overwogen:

“Aanvullend wordt overwogen dat [gedaagde] ten aanzien van de twee nadere schademeldingen binnen 3 maanden na de melding bij ABN AMRO, zelf stelt dat deze meldingen door haar cq. haar moeder in strijd met de waarheid zijn gedaan.

(...)

De formulieren die bij de tweede en derde melding zijn gebruikt zijn door [gedaagde] in strijd met de waarheid bewerkt en dus niet origineel.”

2.7.

Bij e-mail van 30 november 2023 heeft Klaverblad aan [eisende partij] meegedeeld dat zij de tussen partijen gesloten overeenkomst met onmiddellijke ingang opzegt.

2.8.

Bij brief van 13 december 2023 heeft Klaverblad [eisende partij] op de hoogte gesteld van haar bevindingen dat [eisende partij] betrokken is geweest bij frauduleuze incidenten en valsheid in geschrifte en dat zij Klaverblad hierover bij het aangaan van de overeenkomst van opdracht en later bij de gesprekken daarover opzettelijk onjuiste informatie heeft gegeven. In deze brief heeft Klaverblad [eisende partij] gedurende zeven dagen in de gelegenheid gesteld op deze voorlopige conclusie te reageren. [eisende partij] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2.9.

Bij brief van 20 december 2023 heeft Klaverblad aan [eisende partij] meegedeeld dat zij heeft geconcludeerd dat [eisende partij] haar opzettelijk onjuiste informatie heeft gegeven en haar op die manier heeft misleid om de overeenkomst van opdracht te krijgen. In deze brief heeft Klaverblad hierbij toegelicht dat zij dit [eisende partij] zwaar aanrekent, omdat zij weet hoe belangrijk integriteit in de branche is en zij bij herhaling betrokken is geweest bij integriteitskwesties. Verder heeft Klaverblad meegedeeld dat zij overgaat tot de registratie van de persoonsgegevens van [eisende partij] in het (interne) Incidentenregister en het Intern Verwijzingsregister (voor de duur van acht jaar) en in het Extern Verwijzingsregister EVR (voor de duur van vijf jaar) en dat zij van de registratie in het interne Incidentenregister een melding heeft gedaan bij het Centrum voor Bestrijding van Verzekeringscriminaliteit (CBV).

2.10.

Bij e-mail van 4 februari 2024 heeft [eisende partij] (via haar advocaat) Klaverblad gesommeerd om de genomen maatregelen ongedaan te maken. In deze e-mail heeft [eisende partij] toegelicht dat de incidenten, die zij niet ontkent, zich hebben afgespeeld in een periode waarin zij verwikkeld was in een ongezonde relatie met haar ex-partner en dat zij haar leven inmiddels heeft gebeterd en een succesvol letselschadebureau heeft opgericht. Zij heeft er daarbij op gewezen dat het laatste incident zich heeft afgespeeld in 2017. Volgens [eisende partij] was er bij de beantwoording van de integriteitsvraag geen reden meer om aan haar integriteit en/of betrouwbaarheid te twijfelen, en is dus niet voldaan aan de vereiste opzet om over te gaan tot de door Klaverblad genomen maatregelen.

2.11.

Klaverblad heeft aan deze sommatie geen gehoor gegeven.

3Het geschil

3.1.

[eisende partij] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. Klaverblad te veroordelen om de persoonsgegevens van [eisende partij] te (doen) verwijderen en verwijderd te houden uit het Externe Verwijzingsregister, althans de registratieduur ervan te verkorten tot een in goede justitie te bepalen te bepalen termijn;

  2. Klaverblad te veroordelen om de persoonsgegevens van [eisende partij] te (doen) verwijderen en verwijderd te houden uit het Incidentenregister van Klaverblad, althans de registratieduur ervan te verkorten tot een in goede justitie te bepalen termijn;

  3. Klaverblad te veroordelen om de persoonsgegevens van [eisende partij] te (doen) verwijderen en verwijderd te houden uit alle overige schaderegisters, althans de registratieduur ervan te verkorten tot een in goede justitie te bepalen te bepalen termijn;

  4. Klaverblad te veroordelen om de melding bij het fraudeloket van het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit ongedaan te maken, althans ervoor zorg te dragen dat de persoonsgegevens van [eisende partij] aldaar worden verwijderd, althans de registratieduur ervan te verkorten tot een in goede justitie te bepalen termijn;

  5. Klaverblad te veroordelen om ervoor zorg te dragen dat [eisende partij] binnen tien dagen na de datum van dit vonnis een schriftelijke bevestiging heeft ontvangen dat Klaverblad heen voldaan aan het gevorderde onder a t/m d;

een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van Klaverblad in de proceskosten.

3.2.

[eisende partij] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag.

[eisende partij] heeft nooit de bedoeling gehad Klaverblad opzettelijk te misleiden. Bij het invullen van de integriteitsverklaring ging [eisende partij] ervan uit dat haar pijnlijke verleden geen reden (meer) vormde om te twijfelen aan haar integriteit. Indien geoordeeld wordt dat Klaverblad wel mocht overgaan tot registratie van de persoonsgegevens van [eisende partij], dan dienen deze alsnog te worden verwijderd vanwege de disproportionele registratieduur en de ernstige gevolgen van de registratie voor (de werkzaamheden van) [eisende partij].

3.3.

Klaverblad voert verweer. Klaverblad concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is in geschil of Klaverblad de registraties van de persoonsgegevens van [eisende partij] in het Incidentenregister en het EVR moet verwijderen en de melding aan het CBV ongedaan moet maken.

4.2.

Voor een registratie in het Incidentenregister en melding daarvan aan het CBV is voldoende dat sprake is van een redelijk vermoeden van een incident. Onder een incident wordt in dit geval verstaan een gebeurtenis die als gevolg kan hebben/heeft of heeft gehad dat belangen, integriteit of veiligheid in het geding zijn van de verzekeraar. Uit de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Verzekeraars volgt dat persoonsgegevens kunnen worden opgenomen in een intern register van een verzekeraar voor zover die (rechts)personen een risico vormen voor de veiligheid en/of integriteit van de verzekeraar. Voor registratie in het EVR gelden de regels zoals opgenomen in het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (PIFI). Op grond daarvan kan registratie plaatsvinden als de gedraging van de betrokken persoon – in dit geval [eisende partij] – een bedreiging vormt of kan vormen voor de verzekeraar, de gedraging in voldoende mate vaststaat en het proportionaliteitsbeginsel in acht is genomen.

4.3.

Omdat voor opname in het EVR een hogere drempel geldt dan voor opname in de andere (interne) registraties, zal de voorzieningenrechter allereerst beoordelen of Klaverblad heeft mogen overgaan tot registratie van de (persoons)gegevens van [eisende partij] in het EVR. Het geschil spitst zich toe op de vraag of Klaverblad tot de conclusie heeft kunnen komen dat [eisende partij] opzettelijk heeft geprobeerd om Klaverblad te misleiden, door bij haar screening te verzwijgen dat zij een aantal jaar voordien betrokken was bij frauduleuze incidenten, terwijl zij wist dat deze informatie voor Klaverblad van belang was bij de beslissing om met haar een overeenkomst van opdracht aan te gaan. [eisende partij] betwist dat zij opzettelijk informatie heeft verzwegen. Het eerder door Klaverblad aan [eisende partij] gemaakte verwijt dat zij enkele weken voor het invullen van de integriteitsverklaring nog aan een verzekeraar had verzocht om doorhaling van een melding in het EVR speelt volgens haar hierbij geen rol, omdat Klaverblad heeft erkend dat zij hierover onjuist geïnformeerd was.

4.4.

Vast staat dat [eisende partij] in de periode tussen 2016 en 2022 voor vijf incidenten bij verschillende verzekeraars geregistreerd is geweest in het EVR. Verder staat vast dat [eisende partij]

betrokken was bij vier van de betreffende fraude-incidenten, die zich hebben afgespeeld in 2016 en 2017. Van een vijfde incident (dat met ABN AMRO) heeft de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam de betreffende vordering afgewezen, zodat niet vaststaat dat in dat geval sprake was van fraude. Ten minste een van de registraties (die bij Unigarant) is op verzoek van [eisende partij] in 2022 voortijdig verwijderd. Ten tijde van het invullen van de integriteitsverklaring in 2023 stond [eisende partij] niet meer in het EVR geregistreerd.

4.5.

Het spreekt voor zich dat Klaverblad, als financiële instelling, grote waarde hecht aan de integriteit en de betrouwbaarheid van haar medewerkers. Met dat doel onderwerpt Klaverblad haar nieuwe medewerkers ook aan een screening en/of integriteitstest. Dit moet bij [eisende partij] bekend zijn geweest, aangezien zij zelf in de verzekeringsbranche werkzaam is en hiervoor een (zware) opleiding heeft gevolgd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het evident dat de informatie over de vijf registraties en de betrokkenheid van [eisende partij] bij vier fraude-incidenten bij de beoordeling van haar integriteit voor Klaverblad van belang was, zeker nu zij zelf bij Klaverblad (financiële) claims diende te gaan afhandelen. Het feit dat de laatste registratie in het EVR ruim een jaar voor de sollicitatie van [eisende partij] was doorgehaald, neemt niet weg dat de vier fraude-incidenten uit een relatief recent verleden maken dat (door Klaverblad, maar ook door derden) aan de integriteit van [eisende partij] getwijfeld zou kunnen worden. Een en ander betekent niet dat [eisende partij] nooit meer integer zal kunnen zijn, maar brengt wel met zich dat er minimaal een open gesprek nodig zou zijn geweest om te bezien of er voldoende vertrouwen was dat [eisende partij] haar leven inderdaad gebeterd heeft en of deze incidenten nog een voldoende reden kunnen vormen om aan haar integriteit te twijfelen. Verder moet het voor [eisende partij] voorstelbaar zijn geweest dat Klaverblad of een andere partij op een of andere manier – bijvoorbeeld door contacten met de destijds betrokken verzekeraars – op enig moment met de fraude-incidenten bekend zou worden. Ook dat zou dan twijfels oproepen over haar integriteit. [eisende partij] had daarom de integriteitsvraag naar voorlopig oordeel niet met ‘nee’ mogen beantwoorden.

4.6.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter mocht [eisende partij] de integriteitsvraag ook niet zo begrijpen dat er alleen gevraagd werd naar actieve registraties in het EVR. Die registraties zijn immers voor Klaverblad ook zonder informatie van [eisende partij] al te controleren. De vraag is veel algemener geformuleerd, en [eisende partij] moet met haar kennis van verzekeringen ook hebben geweten dat Klaverblad zelf zou kunnen nagaan of haar persoonsgegevens op dat moment waren opgenomen in het EVR. [eisende partij] werpt terecht het punt op dat de gestelde vraag niet duidelijk maakt hoever zij terug zou moeten gaan in haar verleden, maar dat de periode van 2016 tot 2022 nog een relevante periode betreft ligt naar voorlopig oordeel voor de hand. De incidenten dateren misschien dan wel uit 2016 en 2017, maar in 2020 was [eisende partij] nog betrokken bij een rechtszaak waarin de fraude aan de orde was en de laatste registratie is pas in 2022 verwijderd. [eisende partij] is zich hiervan kennelijk ook bewust geweest, nu zij bij de mondelinge behandeling heeft verklaard dat zij haar betrokkenheid – ook achteraf gezien – niet zou willen melden, omdat ze dan als ‘een ander persoon’ gezien zou worden.

4.7.

Al met al acht de voorzieningenrechter het voorshands aannemelijk dat [eisende partij] bij het invullen van de integriteitsverklaring relevante informatie heeft verzwegen voor Klaverblad. Aangezien [eisende partij] zich bewust moet zijn geweest van de relevantie van die informatie voor Klaverblad, mag worden aangenomen dat zij dit met opzet heeft gedaan om Klaverblad te misleiden. Voor het aannemen van opzet is een gegronde verdenking van fraude – zwaarder dan een redelijk vermoeden van schuld – voldoende, een veroordeling door de strafrechter is hiervoor niet vereist. Deze verzwijging vormt een bedreiging voor de verzekeraar, omdat een verzekeraar daardoor is of kan worden bewogen om [eisende partij] werkzaamheden te laten verrichten, waarbij haar integriteit boven iedere twijfel verheven dient te zijn. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is opname van de gegevens van [eisende partij] in het EVR niet disproportioneel, omdat er een evident belang is om andere financiële instellingen hiervoor te waarschuwen. Dit klemt temeer, omdat [eisende partij] kennelijk nog altijd de mening is toegedaan dat zij verzekeraars niet hoeft te informeren over haar fraudeverleden. Dat het verleden voor [eisende partij] zelf afgesloten is, betekent niet dat zij verzekeraars die daarnaar vragen daarover niet hoeft te informeren.

4.8.

Op grond van het voorgaande acht de voorzieningenrechter het voorshands niet voldoende aannemelijk dat een bodemrechter tot het oordeel zal komen dat de opname in het EVR onrechtmatig is. De voorzieningenrechter ziet in de gegeven omstandigheden evenmin aanleiding om de duur van de registratie in het EVR te bekorten, nog daargelaten dat bij de vordering tot verkorting onvoldoende spoedeisend belang bestaat.

4.9.

Een en ander brengt mee dat ook de registraties in het Incidentenregister en het IVR van Klaverblad zijn toegestaan. Voor opname in die registers geldt, zoals hiervoor in 4.2 is overwogen, een “lichtere” toets dan voor opname in het EVR. Hetzelfde geldt voor de melding aan het CBV.

4.10.

Indien en voor zover [eisende partij] van mening blijft dat geen sprake was van opzettelijke misleiding en/of dat de registraties om andere redenen bekort moeten worden, is een bodemprocedure aangewezen. In die procedure kan een definitief oordeel worden verkregen over de vraag hoe [eisende partij] de integriteitsvraag had moeten begrijpen in relatie tot haar kennis van verzekeringen en de ernst van de verzwijging. Daarnaast kan een oordeel worden verkregen over de vraag of de ernst van de verzwijging en/of persoonlijke omstandigheden van [eisende partij] aanleiding geven om de registratietermijn te verkorten. ECLI:NL:RBDHA:2024:7064