Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Assen 170609 ontslag tijdens ziekte van 38 jarige vrouw niet kennelijk onredelijk, mogelijkheid elders passend werk te vinden

Rb Assen 170609 ontslag tijdens ziekte van 38 jarige vrouw niet kennelijk onredelijk, mogelijkheid elders passend werk te vinden
4.1  [eisende partij] legt aan haar vordering ten grondslag dat het ontslag kennelijk onredelijk is omdat de gevolgen daarvan voor haar vele malen erger zijn dan de gevolgen voor Interfer zouden zijn geweest indien deze haar in dienst zou hebben gehouden. Zij stelt daartoe dat zij ongeschoold is en de Nederlandse taal niet goed machtig is en dat deze omstandigheden in combinatie met de lichamelijke klachten die ook de reden hebben gevormd voor haar arbeidsongeschiktheid (klachten aan armen en schouder) haar belemmeren in het vinden van ander werk (het gevolgencriterium van artikel 7:681 lid 2 aanhef en onder b BW). [eisende partij] berekent de schadevergoeding op basis van de kantonrechtersformule met aftrek van 30%.

4.2  Interfer betwist dat de gevolgen voor [eisende partij] veel zwaarder wegen. Zij wijst er op dat [eisende partij] nu een uitkering heeft die op hetzelfde of vergelijkbaar niveau zal zijn als wat zij voor haar ontslag kreeg. Zij stelt voorts er alles aan te hebben gedaan om [eisende partij] eerst in de eigen functie te laten integreren en vervolgens in een passende functie elders, waarbij zij in afwachting daarvan binnen Interfer tijdelijk ander werk heeft aangeboden. Interfer stelt voorts dat [eisende partij] goed wist dat het om tijdelijk werk ging. Interfer heeft ook gewezen op het Winnock-traject dat zij heeft aangeboden en de Nederlandse taallessen. Interfer voert voorts dat [eisende partij] van haar kant niet alle medewerking heeft verleend aan de re-integratie.

4.3  De kantonrechter overweegt als volgt. Dat het verlies van een dienstverband zwaar weegt, staat buiten kijf. Waar het echter om gaat is of de gevolgen van dat verlies zwaarder wegen dan de voordelen voor de werkgever bij beëindiging van het dienstverband en wel zodanig dat het ontslag kennelijk onredelijk is. Daartoe dienen alle relevante omstandigheden in aanmerking te worden genomen. De kantonrechter acht het volgende van belang.

4.4  Tussen partijen is niet (langer) in geschil is dat terugkeer in de oude functie geen optie meer was. Ook voor [eisende partij] was duidelijk dat zij moest omzien naar ander, passend, werk. In die zin heeft het ontslag dus niets nieuws gebracht. Bij repliek heeft [eisende partij] aangevoerd dat zij ziek is worden door haar werk bij Interfer en dat Interfer onvoldoende heeft gedaan om dat te vermijden c.q. haar te laten herstellen. Interfer heeft dat gemotiveerd betwist. De kantonrechter is van oordeel dat [eisende partij] deze stelling, die de kantonrechter voor het eerst leest in de conclusie van repliek en die ook in de procedure van de ontslagaanvrage niet naar voren is gebracht, onvoldoende heeft onderbouwd. De kantonrechter houdt het ervoor dat Interfer ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid van [eisende partij] geen verwijt treft.

4.5  De kantonrechter is van oordeel dat Interfer in haar brief van 12 maart 2008 voldoende duidelijk is geweest dat het werk op de afdeling Retouren van tijdelijke aard zou zijn. Dat kon ook al afgeleid worden uit het advies van de UWV van 21 februari 2008 (zie hierboven punt 2.4). Zij heeft dat standpunt ook voldoende aannemelijk gemaakt. De werkzaamheden die door [eisende partij] werden verricht waren naar zijn aard tijdelijk terwijl de werknemers die wel structureel werkzaam zijn op deze afdeling, werk verrichten dat qua zwaarte overeenkomt met dat van orderpicker, wat voor [eisende partij] dus te zwaar is. Het was daarmee duidelijk dat er buiten Interfer gezocht zou moeten worden. Ook in die zin heeft het ontslag dus niets nieuws gebracht.

4.6  [eisende partij] verwijt Interfer dat zij geen serieuze pogingen heeft gedaan om voor haar passend werk te vinden. De kantonrechter ziet geen grond voor dat verwijt. Interfer heeft [eisende partij] in 2006 een traject bij Winnock aangeboden waarbij zij haar tevens de faciliteit van een tolk heeft geboden opdat de taal zo min mogelijk een belemmering zou zijn. Voorts heeft Interfer de Care Group ingeschakeld voor de ondersteuning en begeleiding bij het ziekte-verzuim. Ten slotte heeft Interfer [eisende partij] Nederlandse taalcursussen aangeboden. Daarmee kan niet gesteld worden dat geen sprake is van serieuze pogingen. De kantonrechter is niet gebleken dat het uitblijven van enig resultaat op enige wijze aan Interfer verweten kan worden. Tegelijkertijd blijkt uit de overgelegde stukken dat Interfer [eisende partij] er herhaalde malen op heeft aangesproken dat zij niet alle afspraken met Winnock en de arbo-arts is nagekomen. Gelet op haar fysieke beperkingen had het zeker ook op de weg van [eisende partij] gelegen om het nodige te ondernemen om weer aan het werk te komen. Daaronder valt ook het verbeteren van de kennis van de Nederlandse taal als dat, zoals [eisende partij] dat zelf ook beoordeelt, een beperking van de mogelijkheden oplevert. Uit de stellingen van [eisende partij] volgt niet dat zij dergelijke inspanningen heeft verricht. [eisende partij] is bovendien nog vrij jong (geboren 16 januari 1971) en van haar kan verwacht worden dat zij weer werk vindt.

4.7  [eisende partij] stelt dat gevolgen voor Interfer (relatief) beperkt zouden zijn geweest indien zij in dienst zou zijn gebleven. De kantonrechter verwerpt die stelling. Van een werkgever kan niet verlangd worden dat hij het dienstverband voortzet met iemand die, ook na herhaalde en deugdelijke re-integratie, al gedurende lange tijd niet geschikt is voor zijn eigen functie, die dat in het verleden bovendien ook al gedurende perioden niet is geweest, voor wie geen passend werk beschikbaar is en van wie vast staat dat zij op afzienbare termijn niet wederom arbeidsgeschikt zal zijn voor het eigen werk.

4.8  Gelet op de omstandigheden zoals hierboven besproken, is de kantonrechter van oordeel dat de gevolgen van de opzegging per 1 januari 2009, in aanmerking genomen de getroffen voorzieningen en de mogelijkheid voor haar om passend werk te vinden, voor [eisende partij] niet te ernstig zijn in vergelijking met het belang dat Interfer heeft bij die opzegging.

4.9  Op grond van het voorgaande komt de kantonrechter tot de conclusie dat het per 1 januari 2009 gegeven ontslag niet kennelijk onredelijk is. Voor de vorderingen van [eisende partij] bestaat dus geen grondslag en deze zullen worden afgewezen. [eisende partij] wordt in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de zijde van Interfer. Anders dan door Interfer bepleit ziet de kantonrechter in het feit dat [eisende partij] zich heeft verzekerd tegen juridische kosten, geen aanleiding om een hogere kostenveroordeling uit te spreken dan de gebruikelijke.
LJN BJ8083

Deze website maakt gebruik van cookies