Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Maastricht 120308 art. 7-681 BW; bedrijfsbeeïndiging en zwaarwegende belangen wn-er; geen koo

Rb Maastricht 120308 art. 7-681 BW; bedrijfsbeeïndiging en zwaarwegende belangen wn-er; geen koo
3.1. de vaststaande feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gaat de kantonrechter uit van de navolgende vaststaande feiten.
[eiser] was sedert 18 mei 1971 in dienst bij (de rechtsvoorganger) van [gedaagde].
Op deze arbeidsovereenkomst is van toepassing de CAO voor de Bouwnijverheid 2004-2007.
In juni 2004 is [eiser] een ongeval overkomen. Een zware ijzeren balk kwam tijdens verplaatsing vast te zitten en is, toen [eiser] behulpzaam was bij het losmaken, om onduidelijke redenen losgeschoten en tegen zijn rechterhand geslagen.
[eiser] heeft [gedaagde] bij schrijven van 23 februari 2005 aansprakelijk gesteld voor dit ongeval.
Per 3 juni 2004 is [eiser] wegens ziekte volledig arbeidsongeschikt.
Per 1 juni 2006 heeft [eiser] een voorschot op een mogelijke WIA-uitkering ontvangen.
[eiser] is met ingang van 1 juni 2007 in het genot van een WAO-uitkering gesteld van € 1.441,99 bruto per maand, zonder verplichting tot reïntegratie-inspanningen.
[gedaagde] heeft van het CWI op 18 juli 2006 een ontslagvergunning gekregen om het dienstverband met [eiser] te beëindigen wegens door haar aangevoerde bedrijfseconomische en/of bedrijfsorganisatorische redenen.
[eiser] is per 1 januari 2007 ontslagen.
[gedaagde] heeft haar bedrijfsvoering gestaakt.
De cao bepaalt dat bij blijvende invaliditeit van een werknemer recht op een uitkering ineens van € 41.300,-- ontstaat. (...)

3.2.2. In deze procedure zijn de volgende geschillen te beslechten:
- is het ontslag per 1 januari 2007 al dan niet kennelijk onredelijk;
- is [gedaagde] aansprakelijk voor de schade uit het ongeval dat [eiser] in juni 2004 is overkomen;
- bestaan er nog (na-)betalingsaanspraken.

3.2.3. De kennelijke onredelijkheid van het ontslag – het gevolgencriterium.
3.2.3.1.  Volgens [eiser] ligt kennelijke onredelijkheid van het ontslag in het feit dat hem géén financiële compensatie is verstrekt terwijl de gevolgen van het ontslag voor [eiser] te ernstig zijn in vergelijking met het belang van [gedaagde] bij de beëindiging. Die compensatie zou moeten voortvloeien uit de omstandigheden dat [eiser] geen ander werk kan vinden, zijn leeftijd, de duur van het dienstverband en zijn inkomens- en pensioenschade. Meer in het bijzonder sluiten zijn gezondheidssituatie en zijn leeftijd het vinden van een andere gelijkwaardige betrekking, laat staan enige betrekking uit. Flankerende omstandigheden zijn volgens [eiser] dat hij niet of nauwelijks een opleiding heeft genoten - enkel deel lagere school-, analfabeet is en vanaf zijn 15e in de bouw werkzaam was, hetgeen zijn kansen op de arbeidsmarkt bijzonder klein maakt. Daarnaast kan [eiser] door het ontslag geen gebruik maken van de vroegpensioenregeling welke hem in staat stelde om met 62 jaar met vroegpensioen (VUT) te gaan. Daarnaast heeft het gegeven ontslag nadelige consequenties voor de pensioenopbouw, temeer daar [gedaagde] de laatste jaren niet eens pensioenpremies heeft afgedragen. Dit heeft verder nadelige consequenties voor de hoogte van het pensioen bij 65 jaar nu [eiser] alsdan nog slechts 70% van het minimumloon zal ontvangen. [gedaagde] heeft verder in het geheel geen moeite gedaan om [eiser] bij een ander bedrijf een passende functie aan te bieden c.q. een passende functie voor [eiser] te zoeken. [gedaagde] heeft feitelijk in het geheel niets aan reïntegratie gedaan en daarmee de deur naar de arbeidsmarkt voorgoed voor [eiser] gesloten.
3.2.3.2.  [gedaagde] stelt in essentie hiertegenover dat [eiser] weliswaar sinds 18 mei 1971 in dienst bij (de rechtsvoorganger) van [gedaagde], maar de facto niet als metselaar-opperman was doch in feite als handlanger. Zoals [eiser] zelf aangeeft, is hij analfabeet en kan hij bijvoorbeeld geen maten lezen. In eerste instantie wist [eiser] het analfabeet zijn goed te verdoezelen. Toen op een gegeven moment duidelijk werd, dat hij analfabeet was, heeft [gedaagde] zo goed en zo kwaad als het ging geprobeerd hem passende werkzaamheden te laten verrichten. [eiser] had ontslagen kunnen worden, [eiser] kon immers slechts ongeschoold werk doen en droeg derhalve weinig bij aan de resultaten van [gedaagde]. Het feit dat hij in dienst werd gehouden, was meer een vorm van werkverschaffing. Het ongeschoolde werk dat [eiser] kon uitvoeren, was immers niet steeds voorhanden. Vanaf medio jaren 90 heeft [gedaagde] er herhaaldelijk op aangedrongen om [eiser] een cursus te laten doen, zo hebben bijvoorbeeld alle werknemers een VCA-diploma. [eiser] wilde dit echter niet omdat hij niet kon lezen en schrijven terwijl hij evenmin zich het lezen en schrijven wenste eigen te maken. [eiser] wilde ook niet mondeling een cursusexamen doen.
Op18 juli 2006 is een ontslagvergunning verleend om het dienstverband met [eiser] te beëindigen wegens staken van de bedrijfsvoering, uit de bij antwoord in het geding gebrachte een verklaring van haar accountant alsmede de balans en winst- en verliesrekening per 31 december 2006, en uit de door [eiser] als bijlage bij de CWI-stukken overgelegde jaarrekening 2005, waaruit ook de cijfers uit 2004 blijken, volgt volgens haar dat het bedrijf reeds vanaf 2004 verliesgevend was. De omzet was in 2005 eigenlijk nagenoeg nihil. 2005 is een rampjaar geworden voor de onderneming, omdat in januari 2005 in de gemeente Obbicht door een familielid van de directie van gedaagde een moord is gepleegd op zijn ex-vriendin. Vanaf dat moment werd in de kleine gemeenschap Obbicht en omgeving zeer negatief aangekeken tegen gedaagde, ofschoon gedaagde met het geleegde feit in het geheel niets te maken had. Daar kwam bij dat de ouders van het vermoorde meisje eveneens in de bouwwereld actief waren. Als gevolg van de impact van de moord durfde de directeur van gedaagde zich in 2005 nauwelijks nog te vertonen op recepties en vergaderingen. Vanaf 2005 is de omzet van [gedaagde] dan ook gekelderd en in 2006 is de omzet bijna nihil.
Desondanks heeft [gedaagde] er niet voor gekozen om reeds in 2005 het bedrijf te liquideren. Zij wilde, met name in het belang van het personeel, het bedrijf zo lang mogelijk gaande houden, ook al betekende dit dat de aandeelhouders de verliezen dienden aan te vullen. Uit de jaarrekening 2006 blijkt dat de algemene reserve eind dat jaar € 560.000,- negatief was. [gedaagde] heeft geprobeerd de nadelige financiële gevolgen van het ontslag te verzachten door [eiser] en het overige personeel veel langer in dienst te houden dan bedrijfseconomisch verantwoord was. Nog vóór het arbeidsongeschikt raken van [eiser] heeft [gedaagde] met hem gesproken over zijn vervroegde pensionering, maar [eiser] wilde daar niet aan omdat hij tot aan zijn definitieve pensionering 70 % van zijn laatstge¬noten inkomen zou genieten wat hij te weinig vond.
3.2.3.2.  Bij toepassing van het gevolgencriterium om kennelijke onredelijkheid vast te stellen, moet de rechter de belangen van werkgever en werknemer afwegen en de aangevoerde feiten en omstandigheden ten tijde van de opzegging en het ontslag in aanmerking nemen, en vervolgens vaststellen dat de beëindiging van het dienstverband in objectieve zin sociaal geheel onaanvaardbaar is.
Uit de processtukken blijkt in genoegzame mate dat [gedaagde] in elk geval in 2004 bedrijfseconomisch negatieve resultaten genereerde en in de loop van de jaren daarna wel zodanig dat zij voor bedrijfsbeëindiging en met toestemming van de CWI verleend ontslag van alle personeel koos. Dit is een hoogstens marginaal toetsbare ondernemersbeslissing. Haar stelling dat zij [eiser] langer dan bedrijfseconomisch gezond was in dienst gehouden heeft en pas in 2006 voor ontslag koos, dat eerst per 1 januari 2007 gerealiseerd kon worden, is op grond van de jaarstukken zeer aannemelijk. [gedaagde] had gezien alle omstandigheden aan haar zijde een zeer zwaarwegend belang bij beëindiging van het dienstverband met o.a. [eiser].
De daartegenoverstaande belangen van [eiser], met name de lange duur van het dienstverband, de leeftijd van werknemer ten tijde van het ontslag per 1 januari 2007, het verlies van een vaste baan, de slechte kansen op de arbeidsmarkt door zijn analfabetisme en het feit dat werknemer sedert juni 2005, derhalve meer dan een jaar voordat de arbeidsovereenkomst met werkgever werd beëindigd arbeidsongeschikt is, wegen zeer zeker ook zwaar, zij het dat het belang tot behoud van zijn dienstbetrekking zich zeer moeilijk verdraagt met [eiser]’ stelling dat door andere omstandigheden dan zijn arbeidsongeschiktheid zijn kansen op de arbeidsmarkt nihil zijn en het feit dat de onderneming is gestaakt.
De belangen tegen elkaar afwegende, oordeelt de kantonrechter dat die van [gedaagde] aanzienlijk zwaarder wegen dan de daartegenoverstaande belangen van [eiser]. [eiser] kan tenminste nog terugvallen op de sociale zekerheidsvoorzieningen, [gedaagde] had als enige alternatief het tot een deconfiture laten komen of te streven naar haar ontbinding en vereffening.
Er is geen zodanige onevenwichtigheid ten nadele van [eiser] dat de beëindiging van het dienstverband in objectieve zin als sociaal geheel onaanvaardbaar aangemerkt moet worden.
Alle meer of overigens zijdens [eiser] aangevoerde argumenten leiden als niet terzake doende niet tot een ander oordeel.
3.2.3.3.  Uit het laatstoverwogene volgt dat de beëindiging van der partijen arbeidsverhouding niet als kennelijk onredelijk gekwalificeerd kan worden, zodat [eiser] uit dien hoofde niet schadeplichtig kan zijn. De kantonrechter zal dit deel van het gevorderde daarom aanstonds afwijzen.
LJN BC7369 (Zie ook onder aansprakelijkheid werkgever).

Deze website maakt gebruik van cookies