Overslaan en naar de inhoud gaan

Hof Leeuwarden 310712 geen letselzaak; botsing met stilstaande shovel; 50% eigen schuld vanwege te hoge snelheid (80 ipv 50)

Hof Leeuwarden 310712 botsing met buiten bebouwde kom half op onverlichte weg stilstaande shovel; 50% eigen schuld vanwege te hoge snelheid (80 ipv 50)

De verdere beoordeling 
Comparitie na aanbrengen 
1.  [geïntimeerde 2] is niet verschenen bij de comparitie na aanbrengen. KAV wijst er op dat het hof aan deze niet-verschijning de gevolgen kan verbinden die het geraden acht. Nu [geïntimeerde 2] het nodige had uit te leggen, ligt het voor de hand aan de niet-verschijning van [geïntimeerde 2] het gevolg te verbinden dat Aegon c.s. worden belast met het bewijs van al hetgeen zij ten aanzien van de toedracht van het ongeval hebben gesteld, aldus KAV. 

2.  Het hof volgt KAV niet in dit betoog. KAV miskent dat de comparitie vooral gericht was op het beproeven van een minnelijke regeling. De comparitie kon ook benut worden voor het inwinnen van inlichtingen door het hof, maar gelet op het stadium waarin de comparitie plaatsvond - nog voor het nemen van de memorie van grieven - had het hof niet het oog op specifieke informatie, die het van partijen hoopte te verkrijgen. In het arrest waarbij de comparitie is gelast, is ook niet aangegeven over welke onderwerpen het hof inlichtingen wilde verkrijgen. In deze omstandigheden ziet het hof geen reden om aan de niet-verschijning van [geïntimeerde 2] de door KAV bepleite gevolgen te verbinden. 

Vaststaande feiten 
3.  Het hof ziet reden de feiten zelfstandig vast te stellen. 
3.1.  KAV is eigenaar van een bestelbus Mercedes-Benz Vito. 
3.2.  Op 1 april 2007 ’s nachts om ongeveer 3.30 uur is de bestelbus, die toen bestuurd werd door [X], betrokken geraakt bij een ongeval met een door [geïntimeerde 2] bestuurde shovel van het merk Werklust, type WG35D. Het ongeval vond plaats op de Zwolseweg van Kampen naar Zwolle, nabij ’s Heerenbroek. De Zwolseweg is een voorrangsweg. Uit een door de politie IJsselland opgesteld proces-verbaal vond het ongeval plaats buiten de bebouwde kom en was ten tijde van het ongeval sprake van een gewijzigde maximum snelheid van 50 kilometer per uur in verband met werkzaamheden. 
3.3.  Ten tijde van het ongeval stond de shovel half in de rechterberm geparkeerd. [X] is met de bestelbus achterop de shovel gereden. Bij het ongeval is de bestelbus zwaar beschadigd geraakt. Uit een expertiserapport van [expertisebureau] volgt dat de bestelbus door het ongeval total loss is geraakt. 
3.4.  Op het door hem op 2 april 2007 ingevulde aanrijdingsformulier heeft [X] verklaard dat ter plaatse van het ongeval een maximum snelheid van 80 kilometer per uur gold en dat hij ten tijde van het ongeval ongeveer 80 kilometer per uur reed. 

Bespreking van de grieven 
4.  Met grief 1 komt KAV op tegen het oordeel van de rechtbank dat op [geïntimeerde 2] niet de verplichting rustte een geel zwaai-of knipperlicht op de shovel te voeren, nu de shovel ten tijde van het ongeval stilstond. Om die reden kon volgens de rechtbank in het midden blijven of de shovel meer dan 2.60 meter breed was. 

5.  Op grond van artikel 30 lid 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV 1990) dienen bestuurders van motorvoertuigen die voor nader aan te geven werkzaamheden worden gebruikt onder nader aan geven omstandigheden geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht te voeren. Deze bepaling is uitgewerkt in de Regeling optische en geluidssignalen. Artikel 5 van deze regeling luidde ten tijde van het ongeval als volgt: 
“Bij de volgende werkzaamheden of omstandigheden moet een voertuig, indien de kans bestaat dat het voertuig niet tijdig door andere weggebruikers wordt opgemerkt, geel zwaai- of knipperlicht voeren: 
(…) 
g. het rijden met landbouw- of bosbouwtrekkers en motorvoertuigen met beperkte snelheid, of daardoor voortbewogen aanhangwagens, die, met inbegrip van lading, breder zijn dan 2,60 meter.” 
Deze bepaling verplicht het voeren van een zwaailicht bij het rijden met de in de bepaling onder g. genoemde voertuigen. De shovel van [geïntimeerde 2] reed ten tijde van het ongeval niet, maar stond stil. [geïntimeerde 2] heeft bij gelegenheid van de comparitie in eerste aanleg het volgende verklaard: 
“Ik was de bestuurder van de shovel en stond op het moment van de aanrijding stil. Er stond een auto aan mijn kant van de weg stil in de berm met de alarmlichten aan. Ik ben toen achter deze auto gestopt om te kijken wat er aan de hand was. Ik stond half in de berm en half op de weg en had de alarmlichten aan.” 
Uit deze niet door KAV weersproken verklaring van [geïntimeerde 2] volgt naar het oordeel van het hof dat [geïntimeerde 2] ten tijde van het ongeval niet meer aan het verkeer deelnam, maar zijn shovel had geparkeerd. Er volgt ook uit dat [geïntimeerde 2] zijn shovel niet in verband met de verkeerssituatie (zoals een file, een verkeerslicht of een obstakel op de weg) tot stilstand had gebracht. Onder deze omstandigheden is van “rijden” in de zin van artikel 5 sub g. van de regeling optische en geluidssignalen geen sprake, zodat deze bepaling toepassing mist. Om die reden kan inderdaad, zoals de rechtbank heeft overwogen, in het midden blijven of de shovel meer dan 2.60 meter breed was. 

6.  De grief faalt. 

7.  Met grief 2 betoogt KAV dat de rechtbank ten onrechte niet heeft geoordeeld dat [geïntimeerde 2] zijn shovel niet, ook niet deels, op de weg had mogen laten staan. In grief 3 wordt aangevoerd dat de rechtbank [geïntimeerde 2] ten onrechte niet op grond van schending van zijn zorgplicht aansprakelijk heeft gehouden. Het hof zal deze beide grieven tezamen behandelen. 

8.  Op grond van artikel 24 lid 1 sub c RVV 1990 mag een bestuurder zijn voertuig niet buiten de bebouwde kom op een voorrangsweg parkeren. Onder parkeren wordt, op grond van artikel 1 sub ac RVV 1990 verstaan: 
“het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen.” 
[geïntimeerde 2] heeft zijn shovel, door die half in de weg half in de berm tot stilstand te brengen teneinde na te gaan wat er aan de hand was met de in de berm stilstaande auto, in strijd met het bepaalde in artikel 24 lid 1 sub c RVV geparkeerd, nu de Zwolse weg ter plaatse een buiten de bebouwde kom gelegen voorrangsweg is. Dat de politie [geïntimeerde 2] niet heeft verbaliseerd, doet anders dan Aegon c.s. menen niet af aan het feit dat [geïntimeerde 2] artikel 24 lid 1 sub c RVV 1990 heeft overtreden. 

9.  Volgens KAV heeft [geïntimeerde 2] onzorgvuldig gehandeld door zijn shovel half op de weg en half in de berm neer te zetten zonder een zwaailicht te voeren. Bij het antwoord op de vraag of [geïntimeerde 2] inderdaad onzorgvuldig heeft gehandeld zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang: 
-  [geïntimeerde 2] mocht zijn shovel, gelet op het bepaalde in artikel 24 lid 1 sub c RVV 1990, niet op de desbetreffende plaats parkeren; 
-  met het half op de weg parkeren van de shovel heeft [geïntimeerde 2] het gevaar op het ontstaan van ongevallen in het leven geroepen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het ongeval ’s nachts plaatsvond, de weg - naar KAV onbestreden heeft gesteld - ter plaatse onverlicht was en het een doorgaande weg buiten de bebouwde kom betrof, waar onder normale omstandigheden een maximum snelheid van 80 kilometer per uur gold. KAV heeft, onbetwist door Aegon c.s., gesteld dat er ten tijde van het ongeval geen werkzaamheden aan de weg plaatsvonden. Onder deze omstandigheden diende [geïntimeerde 2] er naar het oordeel van het hof rekening mee te houden dat andere weggebruikers de (tijdelijke) beperking van de maximumsnelheid tot 50 kilometer per uur zouden negeren en zijn stilstaande shovel op de onverlichte weg met forse snelheid zouden naderen en/of zijn shovel niet tijdig zouden opmerken. In dit verband overweegt het hof dat een weggebruiker er ook rekening mee dient te houden dat zijn medeweggebruikers niet steeds de nodige voorzichtigheid en opmerkzaamheid in acht nemen; 
-  [geïntimeerde 2] diende er rekening mee te houden dat wanneer een ongeval zou plaatsvinden de schade ten gevolge van het ongeval fors zou kunnen zijn, gelet op de massa en de massieve constructie van de shovel en op wat hiervoor is overwogen over de snelheid van het wegverkeer; 
-  Aegon c.s. hebben niets aangevoerd waaruit volgt dat [geïntimeerde 2] genoodzaakt was zijn shovel op deze plaats te parkeren. KAV heeft, onbetwist door Aegon c.s., gesteld dat vlak bij de plaats van het ongeval een uitwijkplaats aanwezig was waar [geïntimeerde 2] de shovel had kunnen parkeren wanneer hij poolshoogte wilde gaan nemen bij de berm geparkeerde auto; 
-  KAV heeft onbetwist gesteld dat de shovel over een zwaailicht beschikte, maar dat [geïntimeerde 2] het zwaailicht niet in werking heeft gesteld. Bij gelegenheid van de comparitie in eerste aanleg heeft [geïntimeerde 2], onweersproken door KAV, gesteld dat hij wel de alarmlichten van de shovel heeft aangezet. Deze alarmlichten (de richtingaanwijzers) zitten, naar blijkt uit de overgelegde foto’s van de shovel, onderaan de achterzijde van de shovel. 

10.  Gelet op deze omstandigheden heeft [geïntimeerde 2] naar het oordeel van het hof onzorgvuldig gehandeld. Door zijn shovel ’s nachts op een onverlichte voorrangsweg buiten de bebouwde kom half op de weg stil te laten staan, heeft hij de kans op het ontstaan van een ernstig verkeersongeval, en daarmee een gevaarlijke situatie, in het leven geroepen. Dat hij de alarmlichten van zijn shovel heeft aangezet doet daaraan niet af. [geïntimeerde 2] diende er rekening mee te houden dat andere weggebruikers de shovel, ondanks de alarmlichten niet tijdig genoeg zouden opmerken. Daarbij speelt een rol dat die weggebruikers niet bedacht hoefden te zijn op een stilstaande shovel op een voorrangsweg buiten de bebouwde kom. [geïntimeerde 2] had deze gevaarlijke situatie eenvoudig kunnen voorkomen door de shovel op de uitwijkplaats neer te zetten. Het was voor hem bovendien gemakkelijk andere weggebruikers te waarschuwen voor het door hem in het leven geroepen gevaar door het zwaailicht bovenop de shovel aan te zetten. In dit verband overweegt het hof dat gesteld noch gebleken is dat het verboden was het zwaailicht in werking te stellen. Onder deze omstandigheden, heeft [geïntimeerde 2], mede gelet op het bepaalde in artikel 5 WvW onzorgvuldig gehandeld. Hieraan doet niet af dat [X] achter op de shovel is gebotst. Dat [X] zijn auto niet tijdig tot stilstand heeft kunnen brengen, betekent niet dat [geïntimeerde 2] niet (ook) onzorgvuldig heeft gehandeld door met zijn shovel een gevaarlijke verkeerssituatie te creëren. 

11.  De grieven 2 en 3 slagen dan ook. Of dat KAV kan baten, zal hierna blijken. 

12.  Met grief 4 betoogt KAV dat de rechtbank bij de beoordeling van de vraag of [geïntimeerde 2] onrechtmatig heeft gehandeld ten onrechte het verkeersgedrag van [X] heeft meegewogen. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat bij het antwoord op de vraag of [geïntimeerde 2] onzorgvuldig heeft gehandeld het verkeersgedrag van [X] niet (volledig) buiten beschouwing kan blijven. Bij het antwoord op de vraag welke zorgvuldigheid van een weggebruiker mag worden gevergd speelt immers ook een rol met welke (on)voorzichtigheid en (on)opmerkzaamheid van zijn medeweggebruikers hij rekening moet houden. Voor zover de grief op een ander uitgangspunt is gebaseerd – helemaal duidelijk is dat niet -, slaagt de grief niet. 

13.  De rechtbank heeft echter niet, en zeker niet uitdrukkelijk, vastgesteld dat het verkeersgedrag van [X] zo buitensporig is geweest dat [geïntimeerde 2] daarmee geen rekening hoefde te houden. Naar het oordeel van het hof is van buitensporig verkeersgedrag, ook wanneer ervan moet worden uitgegaan dat [X] 80 kilometer per uur heeft gereden, overigens geen sprake. In dit verband is van belang, zoals hiervoor onder 9. ook al is overwogen, dat de gebruikelijk toegestane snelheid op de weg 80 kilometer per uur was en dat [geïntimeerde 2], nu er niet aan de weg gewerkt werd, er mede gelet op het tijdstip van de dag, ook rekening mee had moeten houden dat andere weggebruikers de (tijdelijk) toegestane maximum snelheid zouden overschrijden. In zoverre slaagt de grief. 

14.  De rechtbank heeft in haar oordeel over de vraag of [geïntimeerde 2] zorgvuldig heeft gehandeld betrokken dat [X] zijn snelheid onvoldoende heeft aangepast aan de omstandigheden van de situatie ter plaatse. De rechtbank is er daarbij van uitgegaan dat [X] ten tijde van het ongeval 80 kilometer per uur reed. KAV heeft er op gewezen dat de vraag naar het verkeersgedrag van [X] pas aan de orde is bij het beoordelen van de eventuele eigen schuld van [X]. Met de grieven 5 en 6 komt KAV op tegen deze overwegingen van de rechtbank.

15.  Bij de bespreking van deze grieven dient voorop te worden gesteld dat de met de grieven bestreden overwegingen deel uitmaken van het oordeel van de rechtbank over de vraag of [geïntimeerde 2] onzorgvuldig heeft gehandeld. Die vraag heeft het hof, bij de bespreking van de grieven 2 en 3, anders dan de rechtbank, bevestigend beantwoord. Het verkeersgedrag van [X] staat, nu geen sprake is geweest van buitensporig gedrag waarmee [geïntimeerde 2] geen rekening hoefde te houden, niet aan het aannemen van onzorgvuldigheid bij [geïntimeerde 2] in de weg, maar speelt wel een rol bij de vraag of [X] eigen schuld heeft aan het ongeval. Het hof zal de grieven in dat kader bespreken. 

16.  Het staat vast dat op de plaats van het ongeval ten tijde van het ongeval een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur gold. Aegon c.s., op wie ten aanzien van de vraag of sprake is van eigen schuld stelplicht en bewijslast rusten, hebben aangevoerd dat [X] (minstens) 80 kilometer per uur, en dus veel te hard, reed. Zij hebben dit gebaseerd op de impact van de botsing, de reactie van medewerkers van KAV die na het ongeval ter plaatse waren en, vooral, op het aanrijdingsformulier dat door [X] is ingevuld. KAV heeft aangevoerd dat [X] bij het, samen met medewerkers van KAV, invullen van het aanrijdingsformulier “plusminus 80” (kilometer per uur )heeft ingevuld, omdat hij van die medewerkers had begrepen dat ter plaatse van het ongeval een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur gold. Van KAV had verwacht mogen worden dat wanneer het, met behulp van haar medewerkers ingevulde aanrijdingsformulier foutief is ingevuld, zij zou hebben aangegeven met welke snelheid [X] dan wel heeft gereden ten tijde van het ongeval. KAV heeft echter volstaan met de stelling dat [X] niet meer weet met welke snelheid hij heeft gereden. Zij heeft niet gesteld dat [X] zich aan de ter plaatse geldende maximumsnelheid heeft gehouden. Door geen enkele snelheid te noemen, heeft zij zelfs de mogelijkheid opengelaten dat [X] harder heeft gereden dan 80 kilometer per uur. Bovendien heeft de advocaat van [X] bij gelegenheid van de comparitie in eerste aanleg verklaard dat [X] wel “een bord met daarop 50” heeft gezien. Dat maakt de verklaring van KAV voor het foutief invullen van het formulier minder plausibel. Wanneer [X] de ter plaatsende geldende maximumsnelheid als zijn snelheid heeft ingevuld, valt niet in te zien waarom hij, gelet op het door hem gesignaleerde bord, geen 50 kilometer per uur heeft ingevuld. Onder deze omstandigheden heeft KAV de stelling van Aegon c.s. dat [X] (minstens) 80 kilometer per uur heeft gereden ten tijde van het ongeval onvoldoende weersproken. 

17.  Het hof ziet, gelet op wat hiervoor is overwogen, geen reden KAV toe te laten tot het bewijs van haar stellingen betreffende het invullen van het aanrijdingsformulier. 

18.  De slotsom is dat het hof er, met de rechtbank, vanuit gaat dat [X] ten tijde van het ongeval 80 kilometer per uur heeft gereden. Daarmee staat vast dat [X] de ter plaatse geldende maximumsnelheid fors heeft overtreden. De grieven falen reeds om die reden. 

19.  Met de grieven 7 en 8 betoogt KAV dat de rechtbank bij de causaliteitsafweging ten onrechte het “betriebsgefahr” niet in aanmerking heeft genomen en dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 BW. Omdat de rechtbank heeft geoordeeld dat [geïntimeerde 2] niet onzorgvuldig heeft gehandeld, is zij niet aan een causaliteitsafweging en (eventueel) een billijkheidscorrectie toegekomen. 

20.  Dat de schade het gevolg is van het onzorgvuldig handelen van [geïntimeerde 2], daarin bestaande dat hij de shovel ’s nachts zonder directe noodzaak, deels, op een onverlichte voorrangsweg buiten de bebouwde kom heeft stilgezet zonder het zwaailicht in werking te stellen, staat niet meer ter discussie. Wanneer [geïntimeerde 2] zijn shovel daar niet (op deze wijze) had gepositioneerd, zou het ongeval niet hebben (kunnen) plaatsvinden. De schade is echter mede een gevolg van het handelen van [X]. Nu gesteld noch gebleken is dat de shovel in het geheel niet zichtbaar was - vast staat immers (zie hiervoor onder 9) dat de alarmlichten van de shovel in werking waren -, heeft [X] onvoldoende oplettendheid betracht door tegen de shovel aan te rijden. Bovendien heeft hij te hard gereden. Wanneer hij zich aan de ter plaatse geldende maximum snelheid zou hebben gehouden, zou hij een betere gelegenheid hebben gehad om op het moment dat hij de shovel zag staan een botsing te voorkomen. In dit verband overweegt het hof dat gesteld noch gebleken is dat het ongeval ook zou hebben plaatsgevonden wanneer [X] zich aan de maximum snelheid zou hebben gehouden. Naar het oordeel van het hof hebben de aan [geïntimeerde 2] en [X] toe te rekenen omstandigheden in gelijke mate bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Deze causale verdeling leidt er toe dat partijen ieder de helft van de schade dienen te dragen. 

21.  Het hof ziet, anders dan door KAV bepleit, geen reden om te komen tot een andere verdeling van de schade op grond van de billijkheid. Ook het met het aan het verkeer deelnemen van een kolossaal voertuig als een shovel inherente “betriebsgefahr”, dat anders dan KAV meent een rol speelt bij de billijkheidscorrectie en niet bij de causale verdeling, leidt niet tot een andere verdeling in het voordeel van KAV. Daarbij is van belang dat KAV geen aanspraak maakt op letselschade maar op zaakschade en dat de zaakschade betrekking heeft op een auto met een eigen “betriebsgefahr”. Dat gevaar heeft zich, mede gelet op de aanzienlijke snelheid, gerealiseerd. Het hof ziet in de aard en de ernst van de wederzijdse fouten van de bestuurders evenmin reden voor een billijkheidscorrectie. 

22.  De grieven slagen gedeeltelijk. 

Slotsom 
23.  De slotsom is dat Aegon c.s. aansprakelijk zijn voor de helft van de door KAV geleden schade. Tegen de door KAV gestelde schadeomvang hebben Aegon c.s. geen verweer gevoerd. Het hof zal dan ook van de gevorderde bedragen en ingangsdata van de wettelijke rente uitgaan. De vordering betreffende de buitengerechtelijke kosten acht het hof, bij gebreke van enige onderbouwing, niet toewijsbaar. LJN BX3103