Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb M. burg 030310 achteropaanrijding; bromfietser botst op zonder verkeersnoodzaak remmend taxibusje; invloed eigen schuld,

Rb M. burg 030310 achteropaanrijding; bromfietser botst op zonder verkeersnoodzaak remmend taxibusje; invloed eigen schuld, vordering tot vergoeding volledige binnengerechtelijke kosten afgewezen
2.1 Op 11 oktober 2006 omstreeks 19.50 uur vond te [locatie verkeersongeval] een verkeersongeval plaats. Een daar rijdend taxibusje van Connexxion, bestuurd door [bestuurder taxibusje], remde af; de daarachter op een bromfiets rijdende [eiser 1] botste vervolgens achterop het busje.

2.2. Van het ongeval is door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], ambtenaren van de politie Zeeland, proces-verbaal opgemaakt. Daarin zijn verklaringen opgenomen van [eiser 1] en [bestuurder taxibusje], en voorts van een aantal getuigen.

2.3. [eiser 1] heeft door het ongeval schade geleden. Hij heeft een hoge dwarslaesie opgelopen, waardoor hij voor de rest van zijn leven rolstoelafhankelijk zal zijn.

2.4. Menzis is de ziektekostenverzekeraar van [eiser 1]; zij heeft tot op heden de kosten van alle medische behandelingen van [eiser 1] betaald (tot april 2009 is aan declaraties € 146.143,82 vergoed) en zal dat ook blijven doen.

2.5. Achmea was ten tijde van het ongeval de WAM-verzekeraar van het taxibusje, dat door [bestuurder taxibusje] werd bestuurd.

2.6. [bestuurder taxibusje] is voor zijn betrokkenheid bij het ongeval strafrechterlijk vervolgd. Zowel van het hem primair tenlastegelegde veroorzaken van een (ernstig) verkeersongeval (art. 6 Wegenverkeerswet) als van het subsidiair tenlastegelegde veroorzaken van gevaar op de weg (art. 5 Wegenverkeerswet) is hij bij vonnis van 13 juni 2007 van deze rechtbank vrijgesproken

2.7. Op verzoek daartoe van Achmea (gericht tegen [eiser 1]) is door deze rechtbank een voorlopig getuigenverhoor bevolen. Aan de zijde van Achmea zijn op 15 oktober 2007 en op 13 maart 2008 getuigen gehoord. Op 26 juni 2008 zijn getuigen gehoord aan de zijde van [eiser 1].

Het geschil
3.1. [eisers] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - voor recht verklaart dat Achmea aansprakelijk is voor het [eiser 1] op 11 oktober 2006 overkomen ongeval; - voor recht verklaart dat Achmea is gehouden alle schade van [eiser 1] voor 100% te vergoeden, althans voor een zodanig percentage als de rechtbank in goede justitie rechtvaardig acht; - voor recht verklaard dat Achmea is gehouden om de door Menzis op grond van de polis betaalde kosten volledig te vergoeden, althans voor een zodanig percentage als de rechtbank in goede justitie rechtvaardig acht; - de proceskostenveroordeling op nihil stelt met bepaling dat Achmea de integrale kosten van rechtsbijstand dient te vergoeden, althans Achmea veroordeelt in de kosten van het geding, zowel in de hoofdzaak als in het incident.
3.2. [eisers] stelt dat het [bestuurder taxibusje] voor het ontstaan van het ongeval aansprakelijk is. Er was voor hem geen (verkeers-)noodzaak om ter plaatse plotseling af te remmen. Er reed geen verkeer voor hem, dat afremde en dus ook [bestuurder taxibusje] noodzaakte te remmen. [eisers] verwijst ter onderbouwing van deze stelling naar de verklaringen van de getuigen, afgelegd bij de politie en in het voorlopig getuigenverhoor. Niemand heeft verkeer voor het busje gezien. Alleen [bestuurder taxibusje] spreekt over auto’s voor hem, waarvoor hij moest afremmen. Zijn verklaringen zijn echter niet consistent en onjuist. Hij heeft desgevraagd geen gegevens van de auto’s voor hem kunnen geven (terwijl het nog licht was en hij de auto’s goed moet hebben gezien) en over de wijze van remmen verklaarde hij niet consistent.
[eisers] stelt dat [eiser 1] geen eigen schuld kan worden verweten. Hij reed niet te hard en niet te dicht op het busje. Maar ook als dat wel zo zou zijn geweest, is er tussen die verkeersfouten en het ongeval geen causaal verband. [eiser 1] werd overvallen door het plotselinge afremmen van het busje, waarop hij, gelet op de verkeerssituatie, niet bedacht behoefde te zijn.
Indien toch eigen schuld van [eiser 1] wordt aangenomen, stelt [eisers] dat [bestuurder taxibusje] met (voorwaardelijk) opzet heeft geremd, om “brommertje te pesten”. [eisers] verwijst voor aanwijzingen daarvoor naar de verklaringen, afgelegd bij de politie en in het voorlopig getuigenverhoor. Aldus is de schade met (voorwaardelijk) opzet toegebracht; een beroep op eigen schuld van [eiser 1] is dan uitgesloten. Los van het “brommertje pesten” stelt [eisers] dat [bestuurder taxibusje], die door de constructie van de bus weinig zicht had op wat echter hem reed, onvoldoende zorgvuldig heeft geremd. Ook op die grond moet worden gesproken van voorwaardelijk opzet.
Voorts stelt [eisers] dat dat [bestuurder taxibusje] – in het voorlopig getuigenverhoor verklaarde hij haast te hebben en op weg te zijn naar een adres aan de Zuidsingel – mogelijk afremde om, hoewel dat niet is toegestaan, ter plaatse rechtsaf de Noordweg in te gaan om zo, sneller dan over de toegestane route, op zijn bestemming te komen. Ook dan geldt dat [eiser 1] op het afremmen niet bedacht hoefde te zijn. Het is onder die omstandigheden niet redelijk om een beroep te doen op eigen schuld van [eiser 1]. In elk geval gaat dat beroep niet op omdat de ernst van het (eventueel) aan [eiser 1] te maken verwijt in het niet valt bij – althans veel minder groot is dan – de ernst van het [bestuurder taxibusje] te maken verwijt.
Als toch het beroep op eigen schuld wordt gehonoreerd, stelt [eisers] dat op grond van de billijkheidscorrectie de vergoedingsplicht van [bestuurder taxibusje] (en dus Achmea) volledig in stand blijft.
Achmea dient de door [eiser 1] geleden en nog te lijden schade voor 100% (althans voor een door de rechtbank te bepalen percentage) te vergoeden. Menzis heeft de kosten van medische behandeling van [eiser 1] voldaan en is ter zake in de rechten van [eiser 1] gesubrogeerd. Achmea dient ook die kosten, vermeerderd met rente, volledig te vergoeden.
Als de rechtbank vaststelt dat [bestuurder taxibusje] zonder verkeersnoodzaak heeft geremd, betekent dat dat deze procedure niet nodig was. [eisers] stellen voor dat geval dat in plaats van een veroordeling in de proceskosten Achmea de volledige kosten van rechtsbijstand van [eisers] dient te vergoeden. Subsidiair wordt een proceskostenveroordeling gevorderd.

3.3. Achmea voert verweer. Zij betwist dat [bestuurder taxibusje] bij nadering van de kruising met de Noordweg zonder verkeersnoodzaak heeft geremd. [bestuurder taxibusje] heeft consistent verklaard dat er verkeer voor hem reed dat afremde, waardoor ook hij genoodzaakt was (eerst zacht en daarna harder) af te remmen. Dat [bestuurder taxibusje] geen gegevens van de auto(‘s) voor hem kan geven, maakt zijn verklaring gelet op het tijdstip van het ongeval (het was donker) niet ongeloofwaardig. Het is aan [eisers] de stelling dat [bestuurder taxibusje] zonder verkeersnoodzaak heeft afgeremd, te bewijzen. Naast de verklaringen van [eiser 1] zelf (die een beperkte bewijskracht hebben) is er onvoldoende aanvullend bewijs. De verklaringen van de andere getuigen zijn als bewijs onvoldoende overtuigend. Met name hebben die getuigen gelet op de plek waar zij stonden niet kunnen waarnemen dat er geen ander verkeer was, en voorts zijn sommige van de verklaringen niet consistent en soms aantoonbaar onjuist en dus maar betrekkelijk geloofwaardig. Er was geen sprake van “brommertje pesten”. Zoals [bestuurder taxibusje] van meet af aan heeft verkaard, had hij niet gezien dat [eiser 1] op een brommer achter hem reed. Dat is zeer aannemelijk: [eiser 1] reed op korte afstand van het busje en door de aanwezigheid in het busje van een opgeklapte loopplank en hoge achterruiten was het zicht naar achteren voor [bestuurder taxibusje] beperkt. In de zijspiegels kon hij een dicht achter hem rijdende bromfiets niet zien. [bestuurder taxibusje] is verkeersrechtelijk van onbesproken gedrag.
[bestuurder taxibusje] was niet van plan ter plaatse rechtsaf te gaan. Hij was niet gehaast en daarnaast is de smalle Noordweg voor een busje als waarmee [bestuurder taxibusje] reed lastig te berijden.
Het is niet onzorgvuldig van [bestuurder taxibusje] geweest – ook niet gelet op de constructie van het busje – ter plaatse vaart te minderen. Er staan ook tekens op de weg die daartoe aansporen. De aanwezigheid van de kruising met de Noordweg – veel door fietsers bereden – maakt dat nodig. Bovendien dient binnen de bebouwde kom (en daar vond dit ongeval plaats) elke weggebruiker ermee rekening te houden dat andere weggebruikers vaart kunnen minderen en/of kunnen stoppen. Het op korte afstand volgend verkeer dient zijn snelheid zodanig aan te passen dat men in staat is zijn voertuig binnen de afstand die is te overzien en waarover de weg vrij is, tot stilstand te brengen. Dat heeft [eiser 1] niet gedaan.
Achmea stelt subsidiair dan ook dat het ongeval is veroorzaakt door omstandigheden die mede aan [eiser 1] moeten worden toegerekend. Hij reed te dicht op het busje (zelf zegt hij op 5 à 6 meter afstand) met een snelheid van 35 of 50 kilometer per uur. Dat is gevaarzettend. Voorts heeft hij niet voortdurend op het busje gelet, maar keek hij tot twee keer toe op zijn kilometerteller waardoor hij niet tijdig zag dat het busje afremde. Het ongeval is aldus geheel of grotendeels veroorzaakt door het verkeersgedrag van [eiser 1]. De billijkheidscorrectie kan onder deze omstandigheden niet leiden tot een grotere bijdrageplicht van [bestuurder taxibusje] dan 50% van de schade.
Ten aanzien van de vordering van Menzis stelt Achmea dat een regresnemer als Menzis maar in beperkte mate kan profiteren van een (billijkheids-)correctie op de verdeling van de schade op basis van de causale maatstaf. Bij de hantering van die causale maatstaf dient te worden geabstraheerd van subjectieve omstandigheden van het slachtoffer. De wettelijke rente is niet eerder verschuldigd dan vanaf de data waarop de diverse vergoedingen zijn betaald. Achmea verzet zich tegen verwijzing naar een schadestaatprocedure. Zij stelt dat de schade in de onderhavige procedure kan worden vastgesteld.

4. De beoordeling
4.1. De rechtbank zal, gelet op de stellingen over een weer, allereerst dienen vast te stellen of [bestuurder taxibusje] aansprakelijk is voor (de gevolgen voor [eiser 1] van) het ongeval, met ander woorden of [bestuurder taxibusje] jegens [eiser 1] toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld. [eisers] stelt dat dat zo is: [bestuurder taxibusje] heeft, door zonder verkeersnoodzaak af te remmen een verkeersregel overtreden, althans heeft hij door plotseling af te remmen onzorgvuldig jegens [eiser 1] gehandeld. Achmea betwist deze feitelijke gang van zaken. Als aansprakelijkheid van [bestuurder taxibusje] (en dus zijn WAM-verzekeraar Achmea) wordt vastgesteld, dient te worden onderzocht of er omstandigheden zijn (geweest) aan de zijde van [eiser 1] die mede het ongeval (en de schade) hebben veroorzaakt en die [eiser 1] kunnen worden toegerekend (eigen schuld). Achmea stelt dat dat zo is: [eiser 1] reed te dicht op het door [bestuurder taxibusje] bestuurde busje en mogelijk ook met een te hoge snelheid. [eisers] betwisten dat.

4.2. [eisers] stelt een verkeersfout, althans onzorgvuldig handelen van [bestuurder taxibusje]; nu Achmea dit gemotiveerd betwist rust de bewijslast daarvan op [eisers].Op Achmea rust, gelet op de betwisting door [eisers], de bewijslast ten aanzien van de feiten die zij aan het beroep op eigen schuld ten grondslag legt.
4.3. Met inachtneming van genoemde bewijsposities van partijen zal de rechtbank de toedracht van het ongeval – en met name of de door partijen gestelde gedragingen hebben plaatsgevonden – dienen vast te stellen. Dat zal zij doen aan de hand van de door partijen overgelegde stukken (het volledige politieproces-verbaal, de processen-verbaal van het voorlopige getuigenverhoor, het onder 2.6 genoemde strafvonnis, de door enkele getuigen schriftelijk op verzoek van DAS rechtsbijstand – toen optredend voor [eiser 1] – afgelegde verklaringen, door partijen overgelegde foto’s). Partijen hebben aangegeven dat met die stukken al het bewijs omtrent de toedracht van het ongeval aan de rechtbank is overgelegd; aanvullend bewijs is niet aangeboden.
(....)
4.5. Uit bovenstaande blijkt dat alleen [bestuurder taxibusje] zelf over een (verkeers-)noodzaak om te remmen heeft verklaard: er remde voor hem een auto. Hij is daarin consistent. Tegenover zijn verklaringen staan diverse verklaringen van getuigen die de door [bestuurder taxibusje] gestelde auto(’s) voor hem niet hebben gezien. [eiser 1] zelf heeft consistent verklaard dat hij, toen hij zo’n 400 meter voor de plaats van het ongeval de taxibus van [bestuurder taxibusje] liet voorgaan, geen verkeer voor dat busje heeft gezien en ook geen verkeer het busje heeft zien passeren. Weliswaar zijn er – zoals door Achmea gesteld – vlak voor de kruising waar de aanrijding plaatsvond nog twee opritten (zodat de mogelijkheid bestaat dat daar nog auto’s voor [bestuurder taxibusje] op de weg zijn gekomen), maar het gaat daarbij om particuliere opritten, waarvan niemand, ook [bestuurder taxibusje] niet, heeft verklaard dat de betreffende auto(’s) daadwerkelijk van een van die opritten kwam(en). Nu Achmea ook geen nader onderzoek heeft gedaan of laten doen naar de vraag of van die opritten auto’s zijn gekomen die avond, gaat de rechtbank aan die mogelijkheid voorbij. Getuige [getuige 2] zegt geen andere auto’s te hebben gezien – hij relativeert dat wel door daarbij op te merken dat hij daar ook niet op heeft gelet. Zijn vriendin [getuige 1] (gezeten in de auto) verklaarde geen andere auto’s te hebben gezien. Ook getuige [getuige 3] – die zich zelf heeft gemeld omdat hij meende dat over de toedracht van het ongeval onjuist werd gepubliceerd – verklaarde dat er geen andere auto’s waren; hij zegt dat voor 100% zeker te weten. Verbalisant [verbalisant 2] heeft in het voorlopig getuigenverhoor aangegeven dat [getuige 3] vanaf de plaats waar hij verklaarde te hebben gestaan toen hij die waarneming deed, voor die waarneming op een goed punt stond. En dat gold in de visie van [verbalisant 2] ook voor de getuige [getuige 1]. Al deze verklaringen overziende komt de rechtbank tot het oordeel dat voldoende vast staat dat de door [bestuurder taxibusje] genoemde reden om te remmen – (een) afremmende auto(‘s) voor hem – er niet was. Ook al hebben sommige getuigen eerst naar het ongeval gekeken en pas daarna om zich heen, als er daadwerkelijk (een) afremmende auto(‘s) was/waren geweest, dan hadden zij die – nu die door het afremmen niet hard zal/zullen hebben gereden en dus nog enige tijd op de op zich blijkens de overgelegde foto’s over enkele honderden meters goed overzichtelijke President Rooseveltlaan – kunnen zien. Nu alle getuigen (behalve [bestuurder taxibusje]) die auto(‘s) niet hebben gezien, kan de conclusie slechts zijn dat die auto(’s) er niet was/waren. Daarmee heeft [bestuurder taxibusje] een verkeersfout gemaakt – immers onnodig gevaarzettend gehandeld. Voor zover die fout heeft geleid tot het ongeval – en dus vast staat dat [bestuurder taxibusje] met zijn handelen te weinig rekening heeft gehouden met achter hem rijdende, door hem gelet op de constructie van de bus mogelijk niet zichtbare medeweggebruikers – moet dat als onrechtmatig jegens [eiser 1] worden beschouwd.
Dit verkeersgedrag is [bestuurder taxibusje] toe te rekenen. Dat [bestuurder taxibusje] met (voorwaardelijk) opzet zou hebben gehandeld – omdat hij een verboden zijstraat in wilde rijden, of omdat hij “brommertje wilde persten” blijkt niet uit het hierboven weergegeven bewijsmateriaal. Voor zover het gaat om de reden waarom [bestuurder taxibusje] heeft gehandeld als hij heeft gedaan verklaarde hij zelf steeds dat hij remde voor auto’s voor hem, terwijl de andere getuigen, voor zover zij verklaren over een mogelijke andere reden van het remmen, daarover slechts gissen. Aan het gestelde (voorwaardelijke) opzet gaat de rechtbank voorbij.

4.6. Vervolgens zal de rechtbank beoordelen of (ook) sprake is geweest van omstandigheden aan de zijde van [eiser 1], die het ongeval (en dus de schade) hebben veroorzaakt. Achmea stelt dat [eiser 1] te dicht op de bus en te hard reed en niet steeds op het busje voor hem heeft gelet. Uit het hiervoor weergegeven bewijsmateriaal blijkt dat [eiser 1] in elk geval 35 km/u reed (zoals hij zelf heeft verklaard), en mogelijk harder ([getuige 2] verklaarde dat de snelheid 50 km/u was; dat was, zo blijkt uit zijn verklaring en uit die van verbalisant [verbalisant 1]) een schatting). Voorts staat vast dat [eiser 1] dicht op het busje reed (zelf spreekt hij van 5 à 6 meter) en dat hij niet steeds op het busje lette (hij heeft tot twee keer toe op de kilometerteller gekeken). Dat het busje heel abrupt heeft geremd, staat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende vast. [bestuurder taxibusje] zelf heeft steeds verklaard dat hij geleidelijk remde. [eiser 1] heeft verklaard dat hij, 5 à 6 meter achter het busje rijdend, opkijkend van zijn kilometerteller de remlichten zag opgloeien, maar geen remgeluiden heeft gehoord. De getuigen [getuige 1], [getuige 3], [getuige 2] en [getuige 4] (die allen op het moment van de aanrijding in de buurt waren) verklaarden direct (of kort) na het ongeval geen remgeluiden te hebben gehoord. [getuige 2] en [getuige 1] hebben later verklaard het geluid van piepende banden te hebben gehoord. Verbalisant [verbalisant 1] heeft echter verklaard dat [getuige 2] daadwerkelijk, daarnaar gevraagd, heeft verklaard geen piepende banden te hebben gehoord. Verbalisant [verbalisant 2] heeft verklaard dat als [getuige 1] direct over piepende remmen had verklaard, dat in de weergave van haar verklaring zou zijn opgenomen geweest. Nu de verklaringen over piepende remmen pas in een later stadium zijn afgelegd en niet overeenkomen met hetgeen direct na het ongeval is verklaard, terwijl voorts de twee getuigen die daarover spreken een vriendenstel zijn (en mogelijk elkaars verklaringen hebben beïnvloed) acht de rechtbank die verklaringen niet doorslaggevend. Voor het overige is consistent verklaard dat er geen remgeluiden waren; abrupt remmen is dus niet bewezen. Aldus staat naar het oordeel van rechtbank vast dat [eiser 1] zo dicht op het busje reed en met zodanige snelheid (en voorts niet steeds op dat busje lette), dat hij niet in staat was toen dat busje afremde ook zelf tijdig zodanig af te remmen dat hij niet tegen het busje aanreed. Daarmee heeft hij een verkeersregel (art. 19 RVV 1990, dat bepaalt dat een bestuurder (dat wil zeggen: elke weggebruiker niet zijnde een voetganger) in staat moet zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarin hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is) overtreden. Dat gebeurde op een weg waarop, gelet op de tekens die daarop zijn aangebracht, te verwachten is dat weggebruikers in verband met een naderende kruising vaart zullen minderen en hij dus extra diende op te letten. Deze gedragingen zijn [eiser 1] toe te rekenen. Van een bromfietser van bijna 17 jaar mag worden verwacht dat hij weet aan welke verkeersregels hij zich moet houden en dat hij rekening houdt met andere weggebruikers en op hun mogelijke gedragingen anticipeert. Gesteld noch gebleken is dat [eiser 1] destijds niet kon worden gezien als een gemiddelde bromfietser van bijna 17 jaar.

4.7. De rechtbank is van oordeel, de gedragingen van [bestuurder taxibusje] en van [eiser 1] als oorzaken van de aanrijding tegen elkaar afwegend, dat het ongeval grotendeels is veroorzaakt door de gedragingen van [eiser 1]. Het onvoldoende afstand houden en niet goed letten op voorliggend verkeer heeft meer het gevaar dat een aanrijding zou plaatsvinden in het leven roept dan het afremmen terwijl daarvoor geen verkeersnoodzaak is. Bij deze afweging weegt mee dat een verkeersdeelnemer er steeds op bedacht moet zijn, dat verkeer vóór hem, ook zonder dat daarvoor een voor hem kenbare reden is, mogelijk afremt. Dat was voor [eiser 1] niet mogelijk, ook los van de reden waarom [bestuurder taxibusje] afremde. In die zin is de omstandigheid dat er voor het afremmen geen noodzaak was niet de reden waarom de aanrijding plaatsvond; het gaat om het feit dat [bestuurder taxibusje] afremde. Een en ander betekent echter niet dat degene die afremt niet hoeft op te letten of er verkeer achter hem is, maar hij mag er wel op rekenen dat eventueel verkeer achter hem zodanig afstand houdt dat als hij afremt, dat niet zonder meer tot een aanrijding zal leiden. Evenwel zal er voor dat afremmen wel een zekere noodzaak moeten zijn; achterop rijdend verkeer mag er ook weer op rekenen dat een voertuig niet op plaatsen waar daarvoor geen reden is, gaat afremmen. Dat die noodzaak er in dit geval was kan niet worden vastgesteld; de door [bestuurder taxibusje] gestelde noodzaak was er in ieder geval niet. Daarnaast zal het afremmen zorgvuldig dienen te gebeuren, dat wil zeggen dat met achteropkomend verkeer zoveel mogelijk rekening moet worden gehouden. In dat verband is van belang dat niet betwist is dat [eiser 1] voor [bestuurder taxibusje] bij het afremmen niet zichtbaar was. Een en ander tegen elkaar afwegend stelt de rechtbank vast dat de aanrijding voor 75% is veroorzaakt door de gedragingen van [eiser 1] en voor 25% door die van [bestuurder taxibusje]. In zoverre is het handelen van [bestuurder taxibusje] ook onrechtmatig jegens [eiser 1]. Dat betekent dat in beginsel de plicht de schade te vergoeden voor 25% bij [bestuurder taxibusje] – en dus bij zijn verzekeraar Achmea – ligt en dat de overige 75% voor rekening van [eiser 1] (en Menzis) dient te blijven.

4.8. Tenslotte moet worden bezien of op grond van de billijkheid een correctie dient te worden toegepast op de hiervoor onder 4.7 vastgestelde verdeling. De rechtbank is van oordeel dat daarvoor aanleiding is. Als bromfietser liep [eiser 1] een veel groter risico op aanzienlijke schade dan [bestuurder taxibusje] als bestuurder van een taxibusje. De daadwerkelijke schade is ook aanzienlijk en betreft [eiser 1] persoonlijk; hij zal voor de rest van zijn leven rolstoelafhankelijk zijn. Mede gelet op zijn nog jonge leeftijd ten tijde van het ongeval is hij daardoor zwaar getroffen. Onder die omstandigheden, en in aanmerking nemend dat zowel [bestuurder taxibusje] als [eiser 1] een verkeersfout heeft gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat de billijkheid vordert dat de onder 4.7. vastgestelde schadeverdeling in de verhouding tussen [eiser 1] en [bestuurder taxibusje] wordt gecorrigeerd, en wel zo dat [eiser 1] en [bestuurder taxibusje] (en dus Achmea) ieder daarvan 50% dragen. Ten aanzien van de vordering van Menzis – een regresvordering – heeft te gelden dat de billijkheidscorrectie slechts tot een bijstelling van beperkte omvang van het resultaat van de causaliteitsafweging kan leiden. De hiervoor genoemde omstandigheden brengen de rechtbank niet tot die correctie.[eisers] zijn ook geen gronden aangevoerd waarom ook ten aanzien van deze vordering de billijkheid met zich brengt dat een correctie op de verdeling zoals die onder 4.7 is vastgesteld, dient te worden toegepast. Voor de vordering van Menzis geldt derhalve dat 75% van de schade voor rekening van Menzis dient te blijven en 25% vergoed dient te worden door [bestuurder taxibusje] (en dus Achmea).

4.9. Het vorenstaande leidt ertoe dat de vorderingen van [eisers] kunnen worden toegewezen, met dien verstande dat waar zij vorderen dat Achmea de schade voor 100% dient te vergoeden, de rechtbank zal vaststellen dat dit 50% zal zijn voor zover het gaat om schade, door [eiser 1] zelf geleden, en 25%, voor zover het gaat om de regresvordering van Menzis.

4.10. [eisers] vordert, voor het geval wordt vastgesteld dat [bestuurder taxibusje] zich van meet af aan ten onrechte op een verkeersnoodzaak om te remmen heeft beroepen (en dus een procedure niet nodig was), dat Achmea alle kosten van rechtsbijstand, door [eisers] gemaakt, dient te vergoeden. De rechtbank zal die vordering afwijzen. Indien zou komen vast te staan dat deze procedure niet nodig zou zijn geweest, rechtvaardigt dat niet zonder meer dat alle kosten van rechtsbijstand voor rekening van Achmea dienen te komen. Het kan dan hooguit gaan om de (werkelijke) kosten van de procedure. Op grond van het bovenstaande moet echter worden vastgesteld dat er meer vragen in deze procedure te beantwoorden waren dan alleen de vraag naar de noodzaak van het remmen door [bestuurder taxibusje]. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat het [eisers] is die grotendeels in het gelijk wordt gesteld, aanleiding om Achmea in de kosten van de procedure te veroordelen.
LJN BM3355

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies